Joel
Chapter 2

Joel

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Berean Standard Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Steekt de bazuinen op Sion, Blaast alarm op mijn heilige berg, Zodat alle landbewoners sidderen: Want de Dag van Jahweh komt, is nabij!
1Blow the ram’s horn in Zion; sound the alarm on My holy mountain! Let all who dwell in the land tremble, for the Day of the LORD is coming; indeed, it is near—
2Een dag van duisternis en donkerte, Een dag van wolken en nevelfloers! Als het morgenrood, Uitgespreid over de bergen, Daagt een volk op, talrijk en machtig, Zoals er vroeger nooit een geweest is, En later nooit meer zal zijn Tot in de verste geslachten.
2a day of darkness and gloom, a day of clouds and blackness. Like the dawn overspreading the mountains a great and strong army appears, such as never was of old, nor will ever be in ages to come.
3Vóór hen uit verterend vuur, Laaiende vlammen achter hen aan; Vóór hen is de aarde een paradijs, Achter hen een naakte woestijn; Niets blijft er over, Dat hun ontsnapt!
3Before them a fire devours, and behind them a flame scorches. The land before them is like the Garden of Eden, but behind them, it is like a desert wasteland— surely nothing will escape them.
4Ze lijken op paarden, Als rossen jagen ze voort;
4Their appearance is like that of horses, and they gallop like swift steeds.
5Als rammelende wagens Hotsen ze over de toppen der bergen; Als een knetterende vuurvlam, die de stoppels verteert; Als een geweldige bende, ten strijde gereed!
5With a sound like that of chariots they bound over the mountaintops, like the crackling of fire consuming stubble, like a mighty army deployed for battle.
6De volken beven voor hen van angst, Alle gezichten verbleken.
6Nations writhe in horror before them; every face turns pale.
7Als krijgshelden stormen ze aan, Beklimmen de muur als oorlogsmannen; Recht gaan ze allen vooruit, En maken geen omweg.
7They charge like mighty men; they scale the walls like men of war. Each one marches in formation, not swerving from the course.
8De een verdringt den ander niet, Een ieder volgt zijn eigen pad. Ze storten zich op de pijlen in In ongebroken rijen;
8They do not jostle one another; each proceeds in his path. They burst through the defenses, never breaking ranks.
9Ze bestormen de stad, En rennen over de muur. Ze klimmen de huizen binnen, Sluipen als dieven door de vensters:
9They storm the city; they run along the wall; they climb into houses, entering through windows like thieves.
10De aarde bibbert voor hun blikken, De hemel siddert; Zon en maan verduisteren, De sterren verliezen haar glans.
10Before them the earth quakes; the heavens tremble. The sun and moon grow dark, and the stars lose their brightness.
11Jahweh laat zijn donderstem horen Aan de spits van zijn heir; Want geweldig groot zijn zijn drommen, Machtig, die zijn last volbrengen! Ja, groot is de Dag van Jahweh, En al te hevig! Wie kan het harden?
11The LORD raises His voice in the presence of His army. Indeed, His camp is very large, for mighty are those who obey His command. For the Day of the LORD is great and very dreadful. Who can endure it?
12Maar ook nu nog: Is de godsspraak van Jahweh, Keert tot Mij terug met heel uw hart, In vasten, wenen en rouw;
12“Yet even now,” declares the LORD, “return to Me with all your heart, with fasting, weeping, and mourning.”
13Scheurt uw harten, niet uw kleren, Bekeert u tot Jahweh, uw God! Want Hij is genadig en barmhartig, Lankmoedig, rijk aan ontferming; Een, die spijt heeft over uw rampen.
13So rend your hearts and not your garments, and return to the LORD your God. For He is gracious and compassionate, slow to anger, abounding in loving devotion. And He relents from sending disaster.
14Wie weet, of ‘t Hem ook nu niet berouwt, En Hij u een zegen laat Tot spijs- en drankoffer voor Jahweh, uw God.
14Who knows? He may turn and relent and leave a blessing behind Him— grain and drink offerings for the LORD your God.
15Blaast de bazuinen op Sion; Schrijft vasten uit, roept de menigte samen!
15Blow the ram’s horn in Zion, consecrate a fast, proclaim a sacred assembly.
16Verzamelt het volk, brengt de schare bijeen, Roept grijzen, en kinderen en zuigelingen op; Laat de bruidegom zijn kamer verlaten, En de bruid haar bruidsvertrek.
16Gather the people, sanctify the congregation, assemble the aged, gather the children, even those nursing at the breast. Let the bridegroom leave his room, and the bride her chamber.
17Laat tussen voorhal en altaar De priesters wenen, de dienaars van Jahweh. Laat ze zeggen: Spaar, Jahweh, uw volk; Geef toch uw erfdeel niet prijs aan de schande, Aan de heidenen, die ze knechten! Waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is hun God?
17Let the priests who minister before the LORD weep between the portico and the altar, saying, “Spare Your people, O LORD, and do not make Your heritage a reproach, an object of scorn among the nations. Why should they say among the peoples, ‘Where is their God?’”
18Nu ijvert Jahweh weer voor zijn land, En spaart Hij zijn volk!
18Then the LORD became jealous for His land, and He spared His people.
19Jahweh antwoordt, en spreekt tot zijn volk: Zie, Ik zend u weer koren en wijn, En olie, om u te verzadigen; Niet langer geef Ik u aan de hoon der heidenen prijs!
19And the LORD answered His people: “Behold, I will send you grain, new wine, and oil, and by them you will be satisfied. I will never again make you a reproach among the nations.
20Den man uit het noorden drijf Ik ver van u weg, Verjaag hem naar een dor en woest land; Zijn voorhoede naar de zee van het oosten; Zijn achterhoede naar de zee van het westen; Stank en verpesting stijgt van hem op Om zijn grootdoenerij.
20The northern army I will drive away from you, banishing it to a barren and desolate land, its front ranks into the Eastern Sea, and its rear guard into the Western Sea. And its stench will rise; its foul odor will ascend. For He has done great things.
21Vrees niet, akker; wees blij en vol vreugde: Want Jahweh gaat grootse dingen doen!
21Do not be afraid, O land; rejoice and be glad, for the LORD has done great things.
22Vreest niet langer, dieren in het veld: Want de vruchtbare plekken worden weer groen, De bomen dragen weer vrucht, Vijg en wijnstok schenken hun oogst.
22Do not be afraid, O beasts of the field, for the open pastures have turned green, the trees bear their fruit, and the fig tree and vine yield their best.
23En gij, kinderen van Sion, jubileert, Verheugt u in Jahweh, uw God! Want dan zal Hij u geven Den Leraar der Gerechtigheid; Dan schenkt Hij u de regen weer, Van na- en voorjaar, zoals eerst.
23Be glad, O children of Zion, and rejoice in the LORD your God, for He has given you the autumn rains for your vindication. He sends you showers, both autumn and spring rains, as before.
24Dan worden de dorsvloeren met koren bedekt, Vloeien de perskuipen over van wijn en van olie;
24The threshing floors will be full of grain, and the vats will overflow with new wine and oil.
25Dan zal Ik u de jaren vergoeden, Die de sprinkhaan verknaagde: De langpoot, de kaalvreter, de knaagbek, Mijn machtig leger, dat Ik tegen u uitzond.
25I will repay you for the years eaten by locusts— the swarming locust, the young locust, the destroying locust, and the devouring locust — My great army that I sent against you.
26Dan eet ge volop, en voelt u verzadigd, Looft ge de Naam van Jahweh, uw God, Omdat Hij wonderen voor u deed; En nooit meer wordt mijn volk te schande.
26You will have plenty to eat, until you are satisfied. You will praise the name of the LORD your God, who has worked wonders for you. My people will never again be put to shame.
27Dan weet ge, dat Ik te midden van Israël vertoef, Dat Ik, Jahweh, uw God ben, geen ander!
27Then you will know that I am present in Israel and that I am the LORD your God, and there is no other. My people will never again be put to shame.
28Daarna stort Ik mijn Geest uit over alle vlees: Uw zonen en dochters zullen profeteren, Uw grijsaards zullen dromen ontvangen, Uw jonge mannen visioenen schouwen;
28And afterward, I will pour out My Spirit on all people. Your sons and daughters will prophesy, your old men will dream dreams, your young men will see visions.
29Zelfs over slaven en slavinnen Stort Ik mijn Geest uit in die dagen!
29Even on My menservants and maidservants, I will pour out My Spirit in those days.
30Ik zal wonderen doen aan de hemel en op aarde: Bloed en vuur, en walm van rook;
30I will show wonders in the heavens and on the earth, blood and fire and columns of smoke.
31De zon zal in duisternis verkeren, De maan in bloed; Voordat de Dag van Jahweh komt, Groot en schrikwekkend!
31The sun will be turned to darkness and the moon to blood before the coming of the great and awesome Day of the LORD.
32Dan zullen allen worden behouden, Die de Naam van Jahweh aanroepen. Want op de berg Sion En in Jerusalem zal redding zijn; Zoals Jahweh heeft gesproken, En de herauten, die Jahweh riep!
32And everyone who calls on the name of the LORD will be saved; for on Mount Zion and in Jerusalem there will be deliverance, as the LORD has promised, among the remnant called by the LORD.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.