Rechters 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Nu verzamelden zich ook de Efraïmieten, en trokken over naar Safon. Ze zeiden tot Jefte: Waarom zijt ge uitgerukt, om de Ammonieten te bestrijden, zonder ons op te roepen, om met u mee te gaan? We zullen uw huis boven uw hoofd in brand steken.
1Les hommes d’Éphraïm se rassemblèrent, partirent pour le nord, et dirent à Jephthé: Pourquoi es-tu allé combattre les fils d’Ammon sans nous avoir appelés à marcher avec toi? Nous voulons incendier ta maison et te brûler avec elle.
2Jefte antwoordde hun: Toen ik en mijn volk in oorlog waren en de Ammonieten mij zwaar verdrukten, heb ik een beroep op u gedaan, maar ge hebt me niet uit hun handen verlost.
2Jephthé leur répondit: Nous avons eu de grandes contestations, moi et mon peuple, avec les fils d’Ammon; et quand je vous ai appelés, vous ne m’avez pas délivré de leurs mains.
3Daar ik dus zag, dat gij toch niet zoudt helpen, heb ik al mijn moed bijeengeraapt en ben tegen de Ammonieten uitgetrokken. En Jahweh leverde ze in mijn hand. Wat trekt ge dan nu tegen mij op, om mij te bestrijden!
3Voyant que tu ne venais pas à mon secours, j’ai exposé ma vie, et j’ai marché contre les fils d’Ammon. L’Éternel les a livrés entre mes mains. Pourquoi donc aujourd’hui montez-vous contre moi pour me faire la guerre?
4Nu bracht Jefte alle mannen van Gilad bijeen, en bond de strijd aan met de Efraïmieten. En Gilads mannen versloegen Efraïm.
4Jephthé rassembla tous les hommes de Galaad, et livra bataille à Éphraïm. Les hommes de Galaad battirent Éphraïm, parce que les Éphraïmites disaient: Vous êtes des fugitifs d’Éphraïm! Galaad est au milieu d’Éphraïm, au milieu de Manassé!
5Gilad sneed Efraïm de wedden van de Jordaan af, en wanneer de efraïmietische vluchtelingen wilden oversteken, vroegen de mannen van Gilad: Zijt ge een Efraïmiet? Antwoordde hij: Neen!
5Galaad s’empara des gués du Jourdain du côté d’Éphraïm. Et quand l’un des fuyards d’Éphraïm disait: Laissez-moi passer! Les hommes de Galaad lui demandaient: Es-tu Éphraïmite? Il répondait: Non.
6dan zeiden ze hem: Zeg dan eens: “sjibbólet”. En wanneer hij dan “sibbólet” zei, omdat hij het niet goed kon uitspreken, grepen ze hem, en maakten hem af bij de wedden van de Jordaan. Want ze zeiden: Dan zijt ge vluchtelingen van Efraïm! Gilad ligt tussen Efraïm en Manasse. Zo vielen er toen van Efraïm twee en veertig duizend man.
6Ils lui disaient alors: Hé bien, dis Schibboleth. Et il disait Sibboleth, car il ne pouvait pas bien prononcer. Sur quoi les hommes de Galaad le saisissaient, et l’égorgeaient près des gués du Jourdain. Il périt en ce temps-là quarante-deux mille hommes d’Éphraïm.
7Gedurende zes jaren was Jefte rechter over Israël. Toen stierf Jefte de Giladiet, en werd te Safon in Gilad begraven.
7Jephthé fut juge en Israël pendant six ans; puis Jephthé, le Galaadite, mourut, et fut enterré dans l’une des villes de Galaad.
8Na hem was Ibsan uit Betlehem rechter over Israël.
8Après lui, Ibtsan de Bethléhem fut juge en Israël.
9Hij had dertig zonen; zijn dertig dochters huwde hij uit naar den vreemde; en voor zijn zonen bracht hij dertig meisjes van buiten in zijn huis. Gedurende zeven jaren was hij rechter over Israël.
9Il eut trente fils, il maria trente filles au-dehors, et il fit venir pour ses fils trente filles du dehors. Il fut juge en Israël pendant sept ans;
10Toen stierf Ibsan, en werd te Betlehem begraven.
10puis Ibtsan mourut, et fut enterré à Bethléhem.
11Na hem trad Elon uit Zabulon als rechter over Israël op. Gedurende tien jaar was hij rechter over Israël.
11Après lui, Élon de Zabulon fut juge en Israël. Il fut juge en Israël pendant dix ans;
12Toen stierf Elon uit Zabulon, en werd te Elon in het land van Zabulon begraven.
12puis Élon de Zabulon mourut, et fut enterré à Ajalon, dans le pays de Zabulon.
13Na hem was Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton rechter over Israël.
13Après lui, Abdon, fils d’Hillel, le Pirathonite, fut juge en Israël.
14Hij had veertig zonen en dertig kleinzoons, die op zeventig jonge ezels reden. Gedurende acht jaar was hij rechter over Israël.
14Il eut quarante fils et trente petits-fils, qui montaient sur soixante dix ânons. Il fut juge en Israël pendant huit ans;
15Toen stierf Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton, en werd in Piraton in het land van Efraïm op de Amalekieten-berg begraven.
15puis Abdon, fils d’Hillel, le Pirathonite, mourut, et fut enterré à Pirathon, dans le pays d’Éphraïm, sur la montagne des Amalécites.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.