Hebreeen
Chapter 13
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kadede Kap (Pohnpe…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Laat er altijd broederlijke liefde blijven!
1KOMAIL tewedi on limpok en jaulan!
2Verwaarloost ook de gastvrijheid niet; want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.
2Komail der monokela, en apwali men kairu kan. Pwe i me akai kajamoki tounlan kai, ap jaja.
3Denkt aan de gevangenen, als waart gij medegevangen; aan hen, die mishandeld worden, als waart gijzelf in hun lichaam!
3Komail tamanda me jalidi kan, due pein komail jalidier, o irail me kaankamekam, due pein komail, me memaureki pali war.
4Het huwelijk moet eerbaar zijn onder ieder opzicht, en onbezoedeld het huwelijksbed; want God zal ontuchtigen en overspelers oordelen.
4Karoj en wauneki inau en papaud o loj en jojamin, a me nenek o kamal akan Kot me pan kotin kadeik on irada.
5Weest niet hebzuchtig van aard, en stelt u tevreden met wat ge bezit; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven,
5Komail der norok moni, a komail injenemauki me mi re omail. Pwe a kotin majanier: I jota pan muei jan uk de kaje uk ala.
6Zo zeggen we met goede moed: “De Heer is mijn Helper; ik heb niets te vrezen; Wat kan een mens mij nog doen?”
6Ari, kitail ap aima on indinda: Kaun o jauaj pa i, i jota pan majak, pwe da me aramaj amen pan kak wiai on ia?
7Denkt aan uw leidslieden, die u het woord Gods hebben verkondigd; let op het einde van hun leven, en volgt hun geloof na.
7Tamatamanda omail jaunpadak kan, me kawewe on komail er majan en Kot, alale jan arail pojon, o madamadaua imwin arail wiawia.
8Jesus Christus is Dezelfde, gisteren en heden en in eeuwigheid!
8lejuj Krijtuj me duedueta, aio, ran wet, o kokolata.
9Laat u niet van de weg brengen door veelsoortige en vreemde leringen. Want goed is het, het hart door de genade te sterken, maar niet door spijzen, welke van geen nut zijn voor hen, die zich daaraan hechten.
9Komail ender wukiwukki jili padak likam akai; pwe pai kajampwal eu, monion atail en tenetenela, me kin wiauiki mak, it kaidin ni kijin mana, me jo kadopa on, me kin apapwali.
10We hebben een Altaar, waarvan zij, die de tabernakel bedienen, niet mogen eten.
10Atail pei jaraui mia, me jota mau on, irail en tunole jan, me kin papa nan im likau.
11Want de lichamen der dieren, wier bloed als een zoenoffer door den hogepriester in het heiligdom is gebracht, worden verbrand buiten de legerplaats.
11Pwe war en man akan, me ntar wijikilon on nan pera jaraui ren jamero lapalap aki dip, Ijijer likin kanim.
12Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn Bloed.
12Iduen lejuj, pwen kajaraula aramaj akan ki nta, kamela likin kanim.
13Laat ons dus tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen;
13Kitail ari en koie lan re a likin kanim o ian i kankaururla.
14want we hebben hier geen blijvende stad, maar we reikhalzen naar de toekomstige.
14Pwe jota atail kanim potopot met, a kitail raparapaki eu, me mi mo ’tail.
15Door Hem moeten we een altijddurend dankoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen, die zijn Naam verheerlijken!
15Kitail ari poden maironki kapin on Kot ren (lejuj); iei wan kilin aua, me kadededa mar a.
16Vergeet de weldadigheid niet en de onderlinge hulp; want in zulke offers heeft God welbehagen.
16Wiawia mau o kijakij, komail der monokela, pwe i mairon me Kot kotin kupura.
17Weest gehoorzaam en onderdanig aan uw leidslieden; want ze waken over uw zielen als mensen, die rekenschap hebben af te leggen. Zorgt er voor, dat ze dit met vreugde kunnen doen en niet met zuchten; want dat zou u niet voordelig zijn.
17Peiki on omail kaun akan o duki on irail! Pwe re kin tauli kin nen omail, duen me pan pakajaui ren Kot, pwe ren wiawia mepukat ni peren, a jo ni injenjued, pwe i me japai on komail.
18Bidt voor ons; want we vertrouwen, een rein geweten te hebben, daar we onder ieder opzicht ons onberispelijk trachten te gedragen.
18Kapakapa kin kit. Je kin peren kida atail injen mau, o je kin nantion wiawia mau ren aramaj karoj.
19Met meer nadruk verzoek ik u dit te doen, opdat ik u spoediger teruggegeven word.
19I panaui komail en porijok wia met, pwe i en kak pitipit pwaralan komail.
20De God van vrede, die Jesus onzen Heer van de doden heeft opgewekt, den groten Herder der schapen door het Bloed van een eeuwig Verbond:
20A Kot en popol, me kotin kaiajadar Jilepan jip lapalap, iei atail Kaun lejuj jan ren me melar akan, ki ntan inau joutuk,
21Hij bevestige u in alle goed, opdat gij zijn wil moogt volbrengen; al wat Hem welbehagelijk is, werke Hij in ons uit door Jesus Christus: Hem zij ere in de eeuwen der eeuwen. Amen!
21I en kotin kamaui komail en kapwaiada kupur a o jon en wiawia mau ren lejuj Krijtuj. I me udan linan kokolata! Amen.
22Ik bid u broeders, neemt het woord der vermaning gewillig aan! Want ik heb het u geschreven in een korte brief.
22Ri ai kan, i panaui komail, peiki on ai panau wet. Pwe I intin won komail er motomot.
23Gij weet, dat onze broeder Timóteus de vrijheid heeft verkregen. Zo hij spoedig komt, zal ik u bezoeken in zijn gezelschap.
23Komail aja, ri atail Timoteuj jaladokelar; ma a pan madan don ia, i pan ian i kilan komail.
24Groet al uw leidslieden en alle heiligen. De Italianen groeten u.
24Ranamau on omail kaun akan karoj o me jaraui kan karoj. Men Italien kan ar ranamau won komail.
25De genade zij met u allen!
25Mak en mi re omail karoj!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.