Genesis
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…
vs World English Bible
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1De mens had gemeenschap met Eva, zijn vrouw; zij werd zwanger, baarde Kaïn, en sprak: Met de hulp van Jahweh heb ik een mannelijk kind ter wereld gebracht.
1The man knew Eve his wife. She conceived, and gave birth to Cain, and said, “I have gotten a man with the LORD’s help.”
2Daarna baarde zij nog zijn broer Abel. Abel werd schaapherder, en Kaïn landbouwer.
2Again she gave birth, to Cain’s brother Abel. Abel was a keeper of sheep, but Cain was a tiller of the ground.
3Geruime tijd later droeg Kaïn eens aan Jahweh een offer op van de vruchten der aarde.
3As time passed, Cain brought an offering to the LORD from the fruit of the ground.
4Ook Abel bracht een offer van de eerstgeborenen van zijn kudde, en wel van de vetste. En Jahweh zag genadig neer op Abel en zijn offer,
4Abel also brought some of the firstborn of his flock and of its fat. The LORD respected Abel and his offering,
5maar op Kaïn en zijn offer sloeg Jahweh geen acht. Daardoor ontstak Kaïn in heftige toorn, en zag somber voor zich uit.
5but he didn’t respect Cain and his offering. Cain was very angry, and the expression on his face fell.
6Jahweh vroeg toen aan Kaïn: Waarom zijt gij vertoornd, en waarom is uw gelaat zo somber?
6The LORD said to Cain, “Why are you angry? Why has the expression of your face fallen?
7Indien ge onberispelijk leeft, wordt uw offer zeker aanvaard; zo niet, dan loert de zonde aan de deur, gaat naar u haar begeerte, en zult ge ze moeten overwinnen.
7If you do well, won’t it be lifted up? If you don’t do well, sin crouches at the door. Its desire is for you, but you are to rule over it.”
8Maar Kaïn sprak tot Abel, zijn broer: Kom, laten we het veld ingaan. En toen zij op het veld waren, viel Kaïn zijn broer Abel aan en sloeg hem dood.
8Cain said to Abel, his brother, “Let’s go into the field.” While they were in the field, Cain rose up against Abel, his brother, and killed him.
9Nu sprak Jahweh tot Kaïn: Waar is Abel uw broer? Hij zeide: Ik weet het niet; moet ik soms mijn broer nog bewaken?
9The LORD said to Cain, “Where is Abel, your brother?” He said, “I don’t know. Am I my brother’s keeper?”
10Hij hernam: Wat hebt gij gedaan? Het bloed van uw broer roept luid tot Mij uit de grond.
10The LORD said, “What have you done? The voice of your brother’s blood cries to me from the ground.
11Wees dan vervloekt door de grond, die zijn muil heeft opengesperd, om het bloed van uw broer uit uw hand te ontvangen.
11Now you are cursed because of the ground, which has opened its mouth to receive your brother’s blood from your hand.
12Als gij de grond bebouwt, zal hij u geen oogst meer geven. Een zwerver en vluchteling zult ge zijn op de aarde.
12From now on, when you till the ground, it won’t yield its strength to you. You will be a fugitive and a wanderer on the earth.”
13Toen sprak Kaïn tot Jahweh: Mijn schuld is te groot, om vergeven te worden.
13Cain said to the LORD, “My punishment is greater than I can bear.
14Zie, Gij jaagt mij thans van het akkerland weg, en ik zal mij voor uw aanschijn moeten verbergen; dan zal ik een zwerver en vluchteling zijn op de aarde, en iedereen die mij vindt, zal mij doden.
14Behold, you have driven me out today from the surface of the ground. I will be hidden from your face, and I will be a fugitive and a wanderer on the earth. Whoever finds me will kill me.”
15Maar Jahweh sprak tot hem: Neen; ieder, die Kaïn doodt, zal het zevenmaal boeten. En Jahweh gaf Kaïn een teken, opdat niemand, die hem vinden zou, hem zou doden.
15The LORD said to him, “Therefore whoever slays Cain, vengeance will be taken on him sevenfold.” The LORD appointed a sign for Cain, so that anyone finding him would not strike him.
16Daarna verdween Kaïn voor het aanschijn van Jahweh, en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.
16Cain left the LORD’s presence, and lived in the land of Nod, east of Eden.
17Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger, en baarde Chanok. Hij bouwde later een stad, en noemde die stad naar Chanok, zijn zoon.
17Cain knew his wife. She conceived, and gave birth to Enoch. He built a city, and named the city after the name of his son, Enoch.
18Aan Chanok werd Irad geboren, en Irad verwekte Mechoejaël; Mechoejaël verwekte Metoesjaël, en Metoesjaël weer Lémek.
18Irad was born to Enoch. Irad became the father of Mehujael. Mehujael became the father of Methushael. Methushael became the father of Lamech.
19Lémek nam twee vrouwen: de eerste heette Ada, de andere Silla.
19Lamech took two wives: the name of the first one was Adah, and the name of the second one was Zillah.
20Ada baarde Jabal; deze werd de vader van de tentbewoners en veefokkers.
20Adah gave birth to Jabal, who was the father of those who dwell in tents and have livestock.
21Zijn broer heette Joebal; hij werd de vader van allen, die spelen op citer en fluit.
21His brother’s name was Jubal, who was the father of all who handle the harp and pipe.
22Ook Silla baarde: Toebal-Kaïn, een smid, den vader van alle brons(-) en ijzersmeden. De zuster van Toebal-Kaïn heette Naäma.
22Zillah also gave birth to Tubal Cain, the forger of every cutting instrument of bronze and iron. Tubal Cain’s sister was Naamah.
23Eens sprak Lémek tot zijn vrouwen: Ada en Silla, hoort mijn stem; Vrouwen van Lémek, luistert naar mijn woorden: Een man sla ik dood om mijn wonden, Een jongeling om een striem;
23Lamech said to his wives, “Adah and Zillah, hear my voice. You wives of Lamech, listen to my speech, for I have slain a man for wounding me, a young man for bruising me.
24Want zevenmaal wordt Kaïn gewroken, Maar Lémek zeven en zeventig maal.
24If Cain will be avenged seven times, truly Lamech seventy-seven times.”
25Weer hield Adam gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon, dien zij Set noemde. Want, sprak zij, God heeft mij een anderen telg in de plaats van Abel gegeven, omdat Kaïn hem heeft vermoord.
25Adam knew his wife again. She gave birth to a son, and named him Seth, saying, “for God has given me another child instead of Abel, for Cain killed him.”
26Ook Set werd een zoon geboren, dien hij Enos noemde; en deze begon de naam van Jahweh aan te roepen.
26A son was also born to Seth, and he named him Enosh. At that time men began to call on the LORD’s name.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.