Galaten 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Veertien jaar later ging ik opnieuw naar Jerusalem tezamen met Bárnabas, en nam ook Titus met me mee;
1KADEKADEO murin par eijok paieu nai pil kodalan Ierujalem ian Parnapaj o Tituj pil ian ia.
2ik ging er heen op grond ener openbaring. En ik legde hun, en heel in het bijzonder aan de mannen van aanzien, het Evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig; om te weten, of ik soms niet nutteloos liep of gelopen had.
2A i kokidala kajalepa eu; padaki on irail duen ronamau, me i kin padaki on men liki kan, ap katoror on ir, me kalok mau, pwe i ender tan mal, ma met de mur.
3Welnu, Titus, die bij me was, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden, ofschoon hij heiden was;
3A pil Tituj, me ian ia, men Krik amen, re jota kakaliki on i, en jirkomjaijela,
4zelfs niet ten believen van de ingeslopen valse broeders, die onze vrijheid kwamen bespieden, welke we in Christus Jesus bezitten, om ons tot slavernij te brengen.
4A pweki akai jaulan likam, me wailon, pwen majamajan at jaledokalar, me je aleer ren Krijtui Iejuj, pwen kalidui kit ala.
5Geen ogenblik hebben we hun iets toegegeven, opdat de waarheid van het Evangelie ongerept voor u zou blijven bewaard.
5A je jota man peiki on irail, pwe melel en ronamau en mimieta re omail.
6En wat de mannen betreft, die in aanzien bleken te staan, —wat ze feitelijk waren, gaat me niet aan; God kent geen aanzien van personen, —die mannen van aanzien hebben me verder niets opgelegd.
6A irail me kalok mau, i jota aja duen ar tiak en maj o, a pil menda re i, pwe Kot jota kin lipilipil aramaj amen, irail me indand mau, jota ki on ia eu padak toror.
7Integendeel, toen ze gezien hadden, dat aan mij de prediking onder de onbesnedenen was toevertrouwd, zoals aan Petrus die onder de besnedenen,
7A irail lao kilaner, me i aleer ai koa, en padaki on me jojirkomjaij ronamau, dueta Petruj on me jirkomjaij.
8(want Hij, die aan Petrus de kracht heeft geschonken voor het apostolaat onder de besnedenen, heeft ook aan mij de kracht geschonken voor de heidenen),
8A me kamanada Petruj, pwen kapwaiada a koa en wanporon ren jirkomjaij i me i pil keleki ni ai dodok ren men liki kan.
9en toen ze de genade hadden erkend, die mij was geschonken, toen hebben Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren gelden, mij en Bárnabas de broederhand gereikt. Wij zouden dus tot de heidenen gaan, en zij tot de besnedenen;
9A Iakopuj, o Kepaj, o Ioanej, me re wiaki ur oko, re lao kilaner mak o me i aleer, rap itipa ki on nai o Parnapaj pali maun en pa, o kit karoj wiaki eu, me kit en kola ren men liki kan, a irail ren jirkomjaij.
10alleen zouden we hun armen gedenken, wat ik dan ook trouw heb gedaan.
10A re kakaliki on kit, me jen apapwali me jamama kan. Nai ari nantion kapwaiada.
11Maar toen Kefas te Antiochië was gekomen, weerstond ik hem openlijk, omdat hij in het ongelijk was.
11A Kepaj lao pwaralan Antiokien, i ap palian i pwe kalok jued mi re a.
12Want vóórdat er enkele lieden van Jakobus waren gekomen, at hij in gemeenschap met de heiden-christenen; maar na hun komst trok hij zich terug, en zonderde hij zich af uit vrees voor de besnedenen;
12Pwe mon akai pwarado jan ren Iakopuj, a jakajak ren men liki kai, a ni ar pwarador, a puei jan katororela pein i, pwe a majak men jirkomjaij.
13ook de overige Joden veinsden met hem mee, zodat zelfs Bárnabas in hun veinzerij werd meegesleept.
13O pil Juj tei ko ian i malamalaundar, o Parnapaj lodi on pil wia malaun.
14Welnu, toen ik zag, dat ze niet oprecht handelden in overeenstemming met de waarheid van het Evangelie, sprak ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Wanneer ge zelf naar heidense gebruiken leeft en niet naar joodse, ofschoon ge een Jood zijt, waarom dwingt ge dan de heidenen op joodse wijze te leven?
14A ni ai kilaner, me re jota inen weita, duen melel en ronamau, i ap indai on Kepaj mon irail karoj; ma koe men Juj amen kin wia tiak en men liki kan, a jo tiak en men Juj, menda koe kin kakaliki on men liki kan, ren wiada tiak en men Juj?
15Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de heidenen;
15Kita udan men Juj a jota dipan dueta men liki kan,
16maar omdat we weten, dat de mens niet door de werken der Wet gerechtvaardigd wordt, doch door het geloof in Christus Jesus, daarom hebben we het geloof in Christus Jesus aanvaard, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken der Wet; want niemand wordt gerechtvaardigd door de werken der Wet.
16Ap aja, me aramaj amen jota kak pun kila wiawia en kapun kan, pwe a pojon Iejuj Krijtuj eta i me kitail pil pojoneki Krijtuj Iejuj, pwe kitail en pun kila pojon Krijtuj, a kaidin wiawia en kapun kan; pwe uduk jota kak pun kila wiawia en kapun kan.
17Maar wanneer we nu toch als zondaars worden beschouwd, juist omdat we gerechtvaardigd willen worden in Christus, is dan soms Christus bedienaar der zonde? Dat nooit!
17A ma kitail men pun kila Krijtuj, ap diarokada, me kitail me dipan, daduen, Krijtuj me papan dip? O jo!
18Doch wel zou ik mezelf tot een overtreder maken, wanneer ik weer opbouw, wat ik afgebroken heb.
18Pwe ma i pan pur on kauada, me i kawelar, nan i pan wia kin ia me dipan amen.
19Want ik ben dood voor de Wet door een andere wet, om te leven voor God. —Met Christus ben ik gekruisigd.
19Pwe i mekilar kapun, ap jolar memauri on kapun, pwen mauri on Kot; nai lopular ian Krijtuj.
20Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij; terwijl ik leef in het vlees, leef ik in het geloof van den Zoon van God, die mij heeft liefgehad en die Zich voor mij heeft overgeleverd.
20Kaidin nai me memaur, pwe Krijtuj kotin ieiajata lolei. Pwe arain ai maur en pali uduk, I kin memaureki pojon Japwilim en Kot, me kotin pok on ia o jokonpaudeki on ia pein i.
21Ik doe geen afbreuk aan de genade van God; want als de gerechtigheid door de Wet wordt verkregen, dan is Christus doelloos gestorven.
21I jota kajamal la mak en Kot; pwe ma aramaj kak pun kila wiawia en kapun kan, Krijtuj ap matala mal.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.