Ezra 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Toen Israël in zijn steden woonde, en de zevende maand was genaderd, kwam het volk als één man te Jerusalem bijeen.
1Καὶ ἔφθασεν ὁ μὴν ὁ ἕβδομος, καὶ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐν πόλεσιν αὐτῶν, καὶ συνήχθη ὁ λαὸς ὡς ἀνὴρ εἷς εἰς Ἱερουσαλήμ.
2Nu sloegen Jesjóea, de zoon van Josadak met zijn medepriesters, en Zorobabel, de zoon van Salatiël, met zijn broeders, de hand aan het werk, om het altaar van Israëls God te bouwen en er de brandoffers op te dragen, zoals dit voorgeschreven staat in de Wet van Moses, den man Gods.
2Καὶ ἀνέστη Ἰησοῦς ὁ τοῦ Ἰωσεδὲκ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ ἱερεῖς, καὶ Ζοροβάβελ ὁ τοῦ Σαλαθιὴλ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ, καὶ ᾠκοδόμησαν τὸ θυσιαστήριον Θεοῦ Ἰσραὴλ, τοῦ ἀνενέγκαι ἐπʼ αὐτὸ ὁλοκαυτώσεις, κατὰ τὰ γεγραμμένα ἐν νόμῳ Μωυσῆ ἀνθρώπου τοῦ Θεοῦ.
3Maar daar ze bevreesd waren voor de landsbevolking, bouwden ze enkel het altaar op zijn vroegere grondslagen, en brachten daarop brandoffers aan Jahweh, morgen- en avondoffers.
3Καὶ ἡτοίμασαν τὸ θυσιαστήριον ἐπὶ τὴν ἑτοιμασίαν αὐτοῦ, ὅτι ἐν καταπλήξει ἐπʼ αὐτοὺς ἀπὸ τῶν λαῶν τῶν γαιῶν· καὶ ἀνέβη ἐπʼ αὐτὸ ὁλοκαύτωσις τῷ Κυρίῳ τοπρωῒ καὶ εἰς ἑσπέραν.
4Ook vierden zij het Loofhuttenfeest, zoals het voorgeschreven was, en brachten iedere dag van het feest brandoffers, zoals dat voor elke dag was bepaald.
4Καὶ ἐποίησαν τὴν ἑορτὴν τῶν σκηνῶν κατὰ τὸ γεγραμμένον, καὶ ὁλοκαυτώσεις ἡμέραν ἐν ἡμέρᾳ ἐν ἀριθμῷ ὡς ἡ κρίσις, λόγον ἡμέρας ἐν ἡμέρᾳ αὐτοῦ·
5Van toen af droegen zij ook het dagelijks brandoffer op, evenals de offers bij gelegenheid van de nieuwe maan en van alle heilige hoogfeesten van Jahweh, met de offers van al wie een vrijwillige gave aan Jahweh bracht.
5Καὶ μετὰ τοῦτο ὁλοκαυτώσεις ἐνδελεχισμοῦ, καὶ εἰς τὰς νουμηνίας καὶ εἰς πάσας ἑορτὰς τῷ Κυρίῳ τὰς ἡγιασμένας, καὶ παντὶ ἑκουσιαζομένῳ ἑκούσιον τῷ Κυρίῳ.
6Ofschoon men dus sinds de eerste dag der zevende maand begonnen was, offers aan Jahweh te brengen, waren toch de fundamenten van de tempel van Jahweh nog niet gelegd.
6Ἐν ἡμέρᾳ μιᾷ τοῦ μηνὸς τοῦ ἑβδόμου ἤρξαντο ἀναφέρειν ὁλοκαυτώσεις τῷ Κυρίῳ, καὶ ὁ οἶκος τοῦ Κυρίου οὐκ ἐθεμελιώθη.
7Daarom gaf men geld voor de steenhouwers en timmerlieden, en spijs en drank en olie voor de Sidoniërs en Tyriërs, om ceders van de Libanon over zee naar Joppe te brengen, zoals Cyrus, de koning der Perzen, het hun had toegestaan.
7Καὶ ἔδωκαν ἀργύριον τοῖς λατόμοις καὶ τοῖς τέκτοσι, καὶ βρώματα καὶ ποτὰ, καὶ ἔλαιον τοῖς Σιδωνίοις καὶ τοῖς Τυρίοις, ἐνέγκαι ξύλα κέδρινα ἀπὸ τοῦ Λιβάνου πρὸς θάλασσαν Ἰόππης, κατʼ ἐπιχώρησιν Κύρου βασιλέως Περσῶν ἐπʼ αὐτούς.
8En in de tweede maand van het tweede jaar na hun aankomst bij het huis van God te Jerusalem, maakten Zorobabel, de zoon van Salatiël, en Jesjóea, de zoon van Josadak, met hun broeders, de overige priesters en levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jerusalem waren gekomen, een begin met het werk, en stelden zij de levieten van twintig jaar en daarboven aan, om toezicht te houden op de werkzaamheden aan het huis van Jahweh.
8Καὶ ἐν τῷ ἔτει τῷ δευτέρῳ τοῦ ἐλθεῖν αὐτοὺς εἰς οἶκον τοῦ Θεοῦ ἐν Ἱερουσαλὴμ, ἐν μηνὶ τῷ δευτέρῳ ἤρξατο Ζοροβάβελ ὁ τοῦ Σαλαθιὴλ καὶ Ἰησοῦς ὁ τοῦ Ἰωσεδὲκ, καὶ οἱ κατάλοιποι τῶν ἀδελφῶν αὐτῶν οἱ ἱερεῖς καὶ οἱ Λευῖται, καὶ πάντες οἱ ἐρχόμενοι ἀπὸ τῆς αἰχμαλωσίας εἰς Ἱερουσαλὴμ, καὶ ἔστησαν τοὺς Λευίτας ἀπὸ εἰκοσαετοῦς καὶ ἐπάνω ἐπὶ τοὺς ποιοῦντας τὰ ἔργα ἐν οἴκῳ Κυρίου.
9Zo hielden Jesjóea met zijn zonen en broers, Kadmiël met zijn zonen, de zonen van Hodawja en de zonen van Chenadad met hun zonen en broers, die allen levieten waren, tezamen toezicht op de arbeiders aan het huis van God.
9Καὶ ἔστη Ἰησοῦς καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ, Καδμιὴλ καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ υἱοὶ Ἰούδα ἐπὶ τοὺς ποιοῦντας τὰ ἔργα ἐν οἴκῳ τοῦ Θεοῦ· υἱοὶ Ἠναδὰδ, υἱοὶ αὐτῶν καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτῶν οἱ Λευῖται.
10Toen de bouwlieden het fundament van de tempel van Jahweh hadden gelegd, stelden zich de priesters in ambtsgewaad met de trompetten op, en de levieten, de zonen van Asaf, met de cymbalen, om Jahweh te loven naar de voorschriften van David, koning van Israël.
10Καὶ ἐθεμελίωσαν τοῦ οἰκοδομῆσαι τὸν οἶκον Κυρίου· καὶ ἔστησαν οἱ ἱερεῖς ἐστολισμένοι ἐν σάλπιγξι, καὶ οἱ Λευῖται υἱοὶ Ἀσὰφ ἐν κυμβάλοις τοῦ αἰνεῖν τὸν Κύριον ἐπὶ χεῖρας Δαυὶδ βασιλέως Ἰσραήλ.
11Ze hieven aan: “Prijst en looft Jahweh; want Hij is goed, en zijn goedheid voor Israël duurt eeuwig!” En heel het volk jubelde mee bij die lofzang ter ere van Jahweh, omdat het fundament van Jahweh’s huis was gelegd.
11Καὶ ἀπεκρίθησαν ἐν αἴνῳ καὶ ἀνθομολογήσει τῷ Κυρίῳ, ὅτι ἀγαθὸν, ὅτι εἰς τὸν αἰῶνα τὸ ἔλεος αὐτοῦ ἐπὶ Ἰσραήλ· καὶ πᾶς ὁ λαὸς ἐσήμαινε φωνῇ μεγάλῃ αἰνεῖν τῷ Κυρίῳ ἐπὶ τῇ θεμελιώσει τοῦ οἴκου Κυρίου.
12Maar terwijl de menigte juichte en jubelde van vreugde, begonnen velen van de oudere priesters, levieten en familiehoofden, die de vroegere tempel nog hadden gezien, te jammeren, toen hun ogen de fundamenten van dit huis aanschouwden.
12Καὶ πολλοὶ ἀπὸ τῶν ἱερέων καὶ τῶν Λευιτῶν καὶ ἄρχοντες τῶν πατριῶν οἱ πρεσβύτεροι οἳ εἴδοσαν τὸν οἴκον τὸν πρῶτον ἐν θεμελιώσει αὐτοῦ, καὶ τοῦτον τὸν οἶκον ἐν ὀφθαλμοῖς αὐτῶν, ἔκλαιον φωνῇ μεγάλῃ· καὶ ὁ ὄχλος ἐν σημασίᾳ μετʼ εὐφροσύνης τοῦ ὑψῶσαι ᾠδήν.
13Doch men kon door de jubelkreten van het volk het gejammer der schare niet horen; want het volk juichte luid, zodat het gejoel in de verte gehoord werd.
13Καὶ οὐκ ἦν ὁ λαὸς ἐπιγινώσκων φωνὴν σημασίας τῆς εὐφροσύνης ἀπὸ τῆς φωνῆς τοῦ κλαυθμοῦ τοῦ λαοῦ, ὅτι ὁ λαὸς ἐκραύγασε φωνῇ μεγάλῃ, καὶ ἡ φωνὴ ἠκούετο ἕως ἀπὸ μακρόθεν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.