Ezra 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Toen deed men op bevel van koning Darius een onderzoek in de boekerij van Babel, waar het archief werd bewaard.
1Τότε Δαρεῖος ὁ βασιλεὺς ἔθηκε γνώμην, καὶ ἐπεσκέψατο ἐν ταῖς βιβλιοθήκαις ὅπου ἡ γάζα κεῖται ἐν Βαβυλῶνι.
2En men vond te Ecbátana, een vesting in de provincie Medië, een rol, waarin het inderdaad beschreven stond.
2Καὶ εὑρέθη ἐν πόλει ἐν τῇ βάρει κεφαλὶς μία, καὶ τοῦτο γεγραμμένον ἐν αὐτῇ ὑπόμνημα.
3Oorkonde: In het eerste jaar van koning Cyrus heeft koning Cyrus dit bevel gegeven: De tempel van Jerusalem: Dit huis moet weer tot offerplaats op stevige grondslagen worden gebouwd. Het zal zestig el hoog zijn en zestig el breed,
3Ἐν ἔτει πρώτῳ Κύρου βασιλέως, Κύρος ὁ βασιλεὺς ἔθηκε γνώμην περὶ οἴκου ἱεροῦ Θεοῦ τοῦ ἐν Ἱερουσαλήμ· οἶκος οἰκοδομηθήτω, καὶ τόπος οὗ θυσιάζουσι τὰ θυσιάσματα· καὶ ἔθηκεν ἔπαρμα ὕψος πήχεις ἑξήκοντα, πλάτος αὐτοῦ πήχεων ἑξήκοντα·
4met drie lagen gehouwen steen en een laag hout. De kosten zullen door de koninklijke schatkist worden betaald.
4Καὶ δόμοι λίθινοι κραταιοὶ τρεῖς, καὶ δόμος ξύλινος εἷς, καὶ ἡ δαπάνη ἐξ οἴκου τοῦ βασιλέως δοθήσεται.
5Daarenboven zal men de gouden en zilveren vaten van het Godshuis teruggeven, die Nabukodonosor uit de tempel van Jerusalem heeft weggenomen en naar Babel gevoerd, en ze naar de tempel van Jerusalem op hun vroegere plaats in het Godshuis brengen.
5Καὶ τὰ σκεύη οἴκου τοῦ Θεοῦ τὰ ἀργυρᾶ καὶ τὰ χρυσᾶ, ἃ Ναβουχοδονόσορ ἐξήνεγκεν ἀπὸ τοῦ οἴκου τοῦ ἐν Ἱερουσαλὴμ, καὶ ἐκόμισεν εἰς Βαβυλῶνα, καὶ δοθήτω καὶ ἀπελθέτω εἰς τὸν ναὸν τὸν ἐν Ἱερουσαλὴμ ἐπὶ τόπου οὗ ἐτέθη ἐν οἴκῳ τοῦ Θεοῦ.
6Daarom moet gij, Tattenai, stadhouder van het gebied aan de overzijde van de Rivier, en gij, Sjetar-Bozenai met uw ambtgenoten, de generaals van de overzijde der Rivier,
6Νῦν δώσετε ἔπαρχοι πέραν τοῦ ποταμοῦ Σαθαρβουζαναῒ, καὶ οἱ σύνδουλοι αὐτῶν Ἀφαρσαχαῖοι οἱ ἐν τῷ πέραν τοῦ ποταμοῦ μακρὰν ὄντες ἐκεῖθεν,
7van die plaats wegblijven en de werkzaamheden aan de tempel laten doorgaan. De stadhouder der Joden en hun oudsten mogen de tempel op zijn vroegere plaats herbouwen.
7νῦν ἄφετε τὸ ἔργον οἴκου τοῦ Θεοῦ· οἱ ἀφηγούμενοι τῶν Ἰουδαίων καὶ οἱ πρεσβύτεροι τῶν Ἰουδαίων οἶκον τοῦ Θεοῦ ἐκεῖνον οἰκοδομείτωσαν ἐπὶ τοῦ τόπου αὐτοῦ.
8Bovendien is door mij bepaald, hoe gij met de oudsten der Joden aan de bouw van deze tempel moet medewerken. De kosten moeten aan die mannen stipt en zonder uitstel worden betaald uit het koninklijk inkomen aan belastingen van de overzijde der Rivier.
8Καὶ ἀπʼ ἐμοῦ γνώμη ἐτέθη, μή ποτε τὶ ποιήσητε μετὰ τῶν πρεσβυτέρων τῶν Ἰουδαίων τοῦ οἰκοδομηθῆναι οἶκον τοῦ Θεοῦ ἐκεῖνον· καὶ ἀπὸ ὑπαρχόντων βασιλέως τῶν φόρων πέραν τοῦ ποταμοῦ ἐπιμελῶς δαπάνη ἔστω διδομένη τοῖς ἀνδράσιν ἐκείνοις τὸ μὴ καταργηθῆναι.
9De jonge stieren, rammen en lammeren, die nodig zijn voor de brandoffers aan den God des hemels, met tarwe, zout, wijn en olie, naar het voorschrift der priesters van Jerusalem, moeten hun dagelijks en stipt worden verstrekt,
9Καὶ ὃ ἂν ὑστέρημα, καὶ υἱοὺς βοῶν καὶ κριῶν, καὶ ἀμνοὺς εἰς ὁλοκαυτώσεις τῷ Θεῷ τοῦ οὐρανοῦ, πυροὺς, ἅλας, οἶνον, ἔλαιον, κατὰ τὸ ῥῆμα ἱερέων τῶν ἐν Ἱερουσαλὴμ ἔστω διδόμενον αὐτοῖς, ἡμέραν ἐν ἡμέρᾳ, ὃ ἐὰν αἰτήσωσιν,
10zodat zij heerlijk geurende offers kunnen opdragen aan den God des hemels, en bidden voor het leven van den koning en zijn zonen.
10ἵνα ὦσιν εὐωδίας προσφέροντες τῷ Θεῷ τοῦ οὐρανοῦ, καὶ προσεύχωνται εἰς ζωὴν τοῦ βασιλέως καὶ υἱῶν αὐτοῦ.
11En wanneer iemand iets verandert aan deze beschikking, dan beveel ik, dat een balk uit zijn woning zal worden gerukt, waaraan hij moet worden opgehangen en vastgeslagen, en dat van zijn huis een mesthoop moet worden gemaakt.
11Καὶ ἀπʼ ἐμοῦ ἐτέθη γνώμη, ὅτι πᾶς ἄνθρωπος ὃς ἀλλάξει τὸ ῥῆμα τοῦτο, καθαιρεθήσεται ξύλον ἐκ τῆς οἰκίας αὐτοῦ, καὶ ὠρθωμένος πληγήσεται ἐπʼ αὐτοῦ, καὶ ὁ οἶκος αὐτοῦ τὸ κατʼ ἐμὲ ποιηθήσεται.
12En de God, die daar zijn Naam heeft gevestigd, moge alle koningen en volken nederstoten, die de hand durven uitsteken, om hierin wijziging te brengen, of de tempel van Jerusalem te verwoesten. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven; het moet stipt worden uitgevoerd.
12Καὶ ὁ Θεὸς οὗ κατασκηνοῖ τὸ ὄνομα ἐκεῖ, καταστρέψαι πάντα βασιλέα καὶ λαὸν ὃς ἐκτενεῖ τὴν χεῖρα αὐτοῦ ἀλλάξαι ἢ ἀφανίσαι τὸν οἶκον τοῦ Θεοῦ τὸν ἐν Ἱερουσαλήμ· ἐγὼ Δαρεῖος ἔθηκα γνώμην, ἐπιμελῶς ἔσται.
13Daarop hebben Tattenai, de stadhouder van de overzijde der Rivier, en Sjetar-Bozenai met hun ambtgenoten zich prompt gehouden aan wat koning Darius hun had bevolen.
13Τότε Θανθαναῒ ὁ ἔπαρχος πέραν τοῦ ποταμοῦ, Σαθαρβουζαναῒ, καὶ οἱ σύνδουλοι αὐτοῦ, πρὸς ὃ ἀπέστειλε Δαρεῖος βασιλεὺς, οὕτως ἐποίησαν ἐπιμελῶς.
14De oudsten van Israël gingen voort met de bouw, terwijl de profeten Aggeus en Zakarias, de zoon van Iddo, bleven profeteren. Zij voltooiden de bouw volgens het bevel van Israëls God en in opdracht van Cyrus, Darius en Artaxerxes, den koning der Perzen.
14Καὶ οἱ πρεσβύτεροι τῶν Ἰουδαίων ᾠκοδομοῦσαν καὶ οἱ Λευῖται ἐν προφητείᾳ Ἀγγαίου τοῦ προφήτου, καὶ Ζαχαρίου υἱοῦ Ἀδδώ· καὶ ἀνῳκοδόμησαν καὶ κατηρτίσαντο ἀπὸ γνώμης Θεοῦ Ἰσραὴλ, καὶ ἀπὸ γνώμης Κύρου, καὶ Δαρείου, καὶ Ἀρθασασθὰ βασιλέων Περσῶν.
15En op de derde dag van de maand Adar, in het zesde jaar der regering van koning Darius, was de tempel gereed.
15Καὶ ἐτέλεσαν τὸν οἶκον τοῦτον ἕως ἡμέρας τρίτης μηνὸς Ἀδὰρ, ὅ ἐστιν ἔτος ἕκτον τῆς βασιλείας Δαρείου τοῦ βασιλέως.
16Nu vierden de kinderen Israëls, de priesters, de levieten en de andere ballingen met vreugde de inwijding van deze tempel.
16Καὶ ἐποίησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ, οἱ ἱερεῖς καὶ οἱ Λευῖται, καὶ οἱ κατάλοιποι υἱῶν ἀποικεσίας ἐγκαίνια τοῦ οἴκου τοῦ Θεοῦ ἐν εὐφροσύνῃ.
17Zij offerden bij de inwijding van deze tempel honderd stieren, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren; bovendien als zondeoffer voor heel Israël nog twaalf bokken naar het getal van Israëls stammen.
17Καὶ προσήνεγκαν εἰς τὰ ἐγκαίνια τοῦ οἴκου τοῦ Θεοῦ μόσχους ἑκατὸν, κριοὺς διακοσίους, ἀμνοὺς τετρακοσίους, χιμάῤῥους αἰγῶν ὑπὲρ ἁμαρτίας ὑπὲρ παντὸς Ἰσραὴλ δώδεκα εἰς ἀριθμὸν φυλῶν Ἰσραήλ.
18En voor de dienst van den God, die in Jerusalem woont, stelden zij de priesters aan in verschillende klassen, en de levieten in groepen, zoals dit in het boek van Moses staat voorgeschreven.
18Καὶ ἔστησαν τοὺς ἱερεῖς ἐν διαιρέσεσιν αὐτῶν, καὶ τοὺς Λευίτας ἐν μερισμοῖς αὐτῶν, ἐπὶ δουλείας Θεοῦ ἐν Ἱερουσαλὴμ, κατὰ τὴν γραφὴν βίβλου Μωυσῆ.
19En op de veertiende dag van de eerste maand vierden de ballingen het paasfeest.
19Καὶ ἐποίησαν οἱ υἱοὶ τῆς ἀποικεσίας τὸ πάσχα τῇ τεσσαρεσκαιδεκάτῃ τοῦ μηνὸς τοῦ πρώτου.
20Want de priesters hadden zich gereinigd en ook de levieten waren rein tot den laatsten man; ze konden dus het pascha slachten voor al de ballingen, voor hun medepriesters en voor zichzelf.
20Ὅτι ἐκαθαρίσθησαν οἱ ἱερεῖς καὶ Λευῖται, ἕως εἷς πάντες καθαροί· καὶ ἔσφαξαν τὸ πάσχα τοῖς πᾶσιν υἱοῖς τῆς ἀποικεσίας καὶ τοῖς ἀδελφοῖς αὐτῶν τοῖς ἱερεῦσι καὶ ἑαυτοῖς.
21Zo aten de kinderen Israëls, die uit de ballingschap waren teruggekeerd, het pascha met allen, die zich van de onreinheid der landsbevolking hadden afgescheiden, en zich bij hen hadden aangesloten, om Jahweh, den God van Israël, te dienen.
21Καὶ ἔφαγον υἱοὶ Ἰσραὴλ τὸ πάσχα, οἱ ἀπὸ τῆς ἀποικεσίας, καὶ πᾶς ὁ χωριζόμενος τῆς ἀκαθαρσίας ἐθνῶν τῆς γῆς πρὸς αὐτοῦς, τοῦ ἐκζητῆσαι Κύριον Θεὸν Ἰσραήλ.
22Zij vierden in blijdschap gedurende zeven dagen het feest der ongedesemde broden; want Jahweh had hun vreugde bereid, door het hart van Assjoers koning gunstig voor hen te stemmen, om hen te helpen bij de arbeid aan de tempel van Israëls God.
22Καὶ ἐποίησαν τὴν ἑορτὴν τῶν ἀζύμων ἑπτὰ ἡμέρας ἐν εὐφροσύνῃ, ὅτι εὔφρανεν αὐτοὺς Κύριος, καὶ ἐπέστρεψε καρδίαν βασιλέως Ἀσσοὺρ ἐπʼ αὐτοὺς κραταιῶσαι τὰς χεῖρας αὐτῶν ἐν ἔργοις οἴκου τοῦ Θεοῦ Ἰσραήλ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.