Exodus 28
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Zonder u vervolgens uw broeder Aäron en zijn zonen uit de Israëlieten af, om Mij als priester te dienen: Aäron, met Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar, de zonen van Aäron.
1“Solalma Aaron, tamulel lom, ac wen natul — Nadab, Abihu, Eleazar ac Ithamar. Srelosla liki mwet Israel uh tuh elos in kulansupweyu ke orekma lun mwet tol.
2Gij moet voor uw broeder Aäron heilige gewaden maken, om zijn glorie te doen stralen.
2Orala nuknuk in mwet tol lal Aaron, tamulel lom, ma in sang akkalemye mutal ac wolana lun orekma lun mwet tol.
3Beveel dus aan alle kunstenaars, die Ik met fijne smaak heb begiftigd, dat zij de gewaden voor Aäron vervaardigen, opdat hij gewijd kan worden, om Mij als priester te dienen.
3Pangoneni mwet pah in orekma nukewa su nga sang etauk nu se, ac fahk nu selos in orala nuknuk lal Aaron, tuh elan sriyukla nu sik nu ke kunokon lun sie mwet tol.
4De volgende gewaden moeten zij vervaardigen: een borsttas, een borstkleed, een schoudermantel, een geborduurde tuniek, een tulband en een gordel. Voor de heilige gewaden, die ze voor uw broeder Aäron en zijn zonen moeten maken, om Mij als priester te dienen,
4Fahk nu selos in orala sie mwe loeyuk iniwa, sie nuknuk lun mwet tol pangpang ephod, sie nuknuk loeloes, sie nuknuk loac yunla ke mwe akul, sie nuknuk in lohl insuf, ac sie mwe lohl infulwa. Elos in orala nuknuk in mwet tol inge lal Aaron, tamulel lom, ac wen natul, tuh elos in kulansupweyu ke kunokon lun mwet tol.
5moeten zij goud, violet, purper, karmozijn, en getwijnd lijnwaad gebruiken.
5Mwet usrnguk in orekma inge fah orekmakin unen sheep ngosla folfol, sroninmutuk ac srusra, turet gold, ac linen srik eoa.
6Ze moeten uit goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad een kunstig bewerkt borstkleed vervaardigen.
6“Elos in orala nuknuk ephod sac ke unen sheep ma tuhn folfol, sroninmutuk ac srusra, turet gold, ac linen srik eoa, naweyuk ke mwe akul.
7Het moet twee schouderbanden hebben, die onderling verbonden zijn, en aan de beide uiteinden ervan moeten worden vastgemaakt.
7Sang luo mwe sruh nu finpisa in sruokani siska luo an.
8De band, die het borstkleed omsluit, moet uit één stuk zijn en van hetzelfde maaksel: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
8Sie mwe lohl infulwa ma naweyukla arulana wo orekla pacna ke mwe yun inge in tufah itukyang nu ke ephod sac in orala lumah sefanna.
9Dan moet ge twee onyxstenen nemen, en daarin de namen van Israëls zonen snijden:
9Eis luo eot onyx ac kihlisya inen wen singoul luo natul Jacob fac,
10zes namen op de ene steen, en zes op de andere, naar de volgorde van hun geboorte.
10fal nu ke takin matwalos — ine onkosr fin sie eot an, ac onkosr fin sie.
11Als graveerwerk, dat men in zegelstenen snijdt, moet ge de namen van Israëls zonen in de beide stenen griffen en ze dan in gouden zettingen vatten.
11Sang sie mwet pisrla ke kihlisyen mwe naweyuk in oru kihl ke inen wen natul Jacob fin eot luo an, ac sang nu ke frem ma orekla ke gold.
12De beide stenen moet ge op de schouderbanden van het borstkleed hechten als gedachtenisstenen voor Israëls zonen, zodat Aäron op zijn beide schouders hun namen voor het aanschijn van Jahweh zal dragen, om hunner indachtig te zijn.
12Filiya ke mwe sruh finpisa ke nuknuk ephod sac in mwe esmakinyen sruf singoul luo lun Israel. In ouiya se inge Aaron el ac fah us inelos finpisal, tuh nga, LEUM GOD , fah esam mwet luk pacl nukewa.
13De zettingen moet ge van goud maken.
13Orala luo pac frem gold
14Nog moet ge twee kettinkjes maken van zuiver goud als koorden gevlochten, en die aan de zettingen vasthechten.
14ac lukwa sein ke gold nasnas, pirakla oana luman fu, ac kapsreni nu ke frem luo ah.
15Verder moet ge een borsttas voor het orakel laten maken, kunstig bewerkt van dezelfde stof als het borstkleed: van goud, violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad.
15“Orala sie mwe loeyuk iniwa lun Mwet Tol Fulat, elan ku in orekmakin in akilen ma lungse lun God. In orekla pacna ke kain mwe naweyuk ma sang oru nuknuk ephod lun mwet tol, ac in luman mwe akul sac pacna.
16Ze moet vierkant zijn en dubbel gevouwen, een span lang en een span breed.
16Lumwani pacl se in maspangla — inch eu lusa ac inch eu sralap.
17Ge moet haar met vier rijen edelstenen bezetten: op de eerste rij een robijn, een topaas en een smaragd;
17Filiya tah akosr ke eot saok fac: ke tah soko oemeet sang sie eot ruby, sie eot topaz, ac sie eot garnet.
18op de tweede rij een karbonkel, een saffier en een sardonix;
18Tah soko aklukwa ah, sie eot emerald, sie eot sapphire, ac sie eot diamond.
19op de derde rij een hyacint, een agaat en een ametist;
19Ke tah soko aktolkwe, sie eot turquoise, sie eot agate, ac sie eot amethyst.
20en op de vierde rij een chrysoliet, een onyx en een jaspis. Zij moeten in gouden zettingen gevat zijn.
20Ac tah soko akakosr ah, sie eot beryl, sie eot onyx, ac sie eot jasper. Eot inge nukewa in filiyuki ke frem gold.
21Deze stenen moeten beantwoorden aan de namen van Israëls zonen; ze moeten dus evenals hun namen twaalf in getal zijn, en op iedere steen moet de naam van één der twaalf stammen worden gegrift, op dezelfde manier als men een zegel snijdt.
21Eot singoul luo inge in kihlyak inen kais sie wen natul Jacob fac, in fahkak sruf singoul luo lun Israel.
22Aan de borsttas moet ge kettinkjes maken van zuiver goud, als koorden gevlochten;
22Orala sein ke gold nasnas, pirakela in oana luman fu israpla, tuh in oan ke mwe loeyuk iniwa sac.
23aan de beide boveneinden van de borsttas moet ge twee gouden ringen maken;
23Orala luo ring gold ac sang nu ke sruwasrik luo lucng ke mwe loeyuk iniwa sac,
24bevestig dan de twee gouden snoeren aan de beide ringen, die aan de boveneinden van de borsttas zitten,
24ac srupusrang sein gold lukwa ah nu ke ring luo ah.
25en maak de beide einden van die twee snoeren aan de beide zettingen vast, die ge aan de voorkant der schouderbanden van het borstkleed hebt gehecht.
25Kapriya mutun sein lukwa ah nu ke frem luo uh, ac in lumah se inge kom fah kapsreni nu ke layen meet ke mwe sruh finpisa ma oan ke nuknuk ephod sac.
26Vervolgens moet ge nog twee gouden ringen maken, en die aan de beide benedeneinden van de borsttas bevestigen, en wel aan de binnenrand, die tegen het borstkleed ligt;
26Na orala luo ring gold an ac sang nu ke sruwasrik luo ten ke mwe loeyuk iniwa sac, in oan layen loac sisken nuknuk ephod uh.
27bovendien nog twee gouden ringen, die ge onder aan de voorkant van het borstkleed moet hechten, boven de band van het borstkleed, vlak bij de sluiting;
27Orala pac luo ring gold ac sang nu ke layen ten ke acn meet ke mwe sruh luo nu ke finpisa ke nuknuk ephod sac, in oan apkuran ac lucng kutu liki acn se mwe lohl infulwa sac kupasryang nu ke ephod uh.
28dan moet ge de ringen van de borsttas met een purperen snoer aan de ringen van het borstkleed vastbinden, zodat de borsttas boven de band van het borstkleed blijft hangen en niet op het borstkleed kan verschuiven.
28Kapriya ring ke mwe loeyuk iniwa, nu ke ring ke ephod uh ke soko ah folfol, tuh mwe loeyuk iniwa sac fah oan lucng liki mwe lohl infulwa uh, tuh in tia putatla liki ephod uh.
29Zo zal Aäron, wanneer hij het heiligdom binnentreedt, de namen van Israëls zonen op zijn hart aan de orakeltas dragen, om hunner voortdurend indachtig te zijn voor het aanschijn van Jahweh.
29“Ke pacl Aaron el ac utyak nu in Acn Mutal, el fah nokomang mwe loeyuk iniwa se inge su kihlyak ke inen sruf lun Israel, tuh nga, LEUM GOD , fah esam mwet luk pacl nukewa.
30En in de orakeltas moet ge de Oerim en de Toemmim leggen, zodat zij op het hart van Aäron rusten, wanneer hij voor het aanschijn van Jahweh treedt; en zo zal Aäron altijd het orakel van Israëls zonen op zijn hart dragen voor het aanschijn van Jahweh.
30Filiya Urim ac Thummim ke mwe loeyuk iniwa sac, tuh in oan iniwal Aaron ke pacl el utyak nu ye mutuk. Pacl nukewa el enenu in nukum mwe loeyuk iniwa se inge, tuh elan ku in kalem ke ma lungse luk nu sin mwet Israel.
31Over het borstkleed moet ge een schoudermantel maken geheel van violet.
31“Nuknuk loeloes se ma oan ye ephod, in orekla nufonna ke unen sheep ngosla folfol.
32In het midden moet een opening zijn, om het hoofd er door te steken; die opening moet, als de hals van een wapenrok, rondom met een kunstig geweven zoom zijn afgezet, zodat ze niet kan inscheuren.
32In oasr kwawa se kac nu ke insifa, ac kwawa se inge in pwiyukla ke sie pac nuknuk tuh in tia mihsalik.
33Aan de onderrand van de schoudermantel moet ge rondom violette, purperen en karmozijnen granaatappeltjes aanbrengen en aan alle kanten daartussen gouden belletjes;
33Nu ke pikinnia kom fah sang unen sheep tuhn folfol, sroninmutuk, ac srusra ma orekla oana luman fokinsak pomegranate, wi tapweng srisrik gold in oan inmasrlo, rauneak nufon pikinnien nuknuk sac —
34om beurt telkens een gouden belletje en een granaatappeltje rond de onderrand van de schoudermantel.
34tapweng gold se, pomegranate se, tapweng gold se, pomegranate se, atupali rauneak pikinnien nuknuk loeloes sac.
35Aäron moet hem dragen als hij zijn bediening uitoefent, zodat men hem kan horen, wanneer hij voor het aanschijn van Jahweh het heiligdom binnentreedt of verlaat; anders zal hij sterven.
35Aaron elan nukum nuknuk loeloes se inge ke pacl el oru kulansap lun mwet tol. Pacl el utyak ku illa liki ye mutuk in Acn Mutal, pusren tapweng inge ac lohngyuk, na el ac fah tia anwuki.
36Verder moet ge een plaat maken van zuiver goud, en daarin als in een zegel graveren: Aan Jahweh gewijd.
36“Orala sie mwe yun ke gold nasnas, ac kihlisya kas inge fac: ‘Kisakinyukyang Nu Sin LEUM GOD .’
37Ge moet ze met een purperen snoer aan de tulband vastmaken; en wel aan de voorkant.
37Sang soko ah folfol kapriya nu ke acn meet ke nuknuk in lohl insuf.
38Zo zal ze tegen het voorhoofd van Aäron liggen, en zal Aäron de fouten op zich nemen, die de kinderen Israëls begaan bij de heilige offers en bij alle heilige gaven, welke zij brengen. Steeds moet zij tegen zijn voorhoofd liggen om hen welgevallig te maken aan Jahweh.
38Aaron elan sunya motonsrol, tuh mwet Israel fin tafongla ke elos orek kisa nu sik, mwatalos ac fah oan facl Aaron, ac nga, LEUM GOD , fah eis mwe kisa lalos nukewa.
39Vervolgens moet ge een geborduurde tuniek, een tulband van lijnwaad en een kunstig bewerkte gordel maken.
39“Otwela sie nuknuk loac lal Aaron ac sie mwe lohl insuf ke linen srik eoa, oayapa sie mwe lohl infulwa yuniyukla ke mwe akul.
40Ook voor de zonen van Aäron moet ge tunieken, gordels en hoofddoeken vervaardigen, om hun glorie te doen stralen;
40“Orala nuknuk loac, mwe lohl infulwa, ac mwe lohl insuf lun wen natul Aaron, in fahkak fulat ac wolana lalos.
41daarmee zult ge uw broeder Aäron en zijn zonen bekleden. Dan zult ge hen zalven, tot priesters aanstellen en wijden, zodat ze voor Mij hun priesterlijke bediening kunnen uitoefenen.
41Nokmulang Aaron, tamulel lom, ac wen natul ke nuknuk inge. Na akmusraelosla ac akmutalyalos ke kom mosrwelosla ke oil in olive, tuh elos fah ku in kulansupweyu ke orekma lun mwet tol.
42Ook moet ge voor hen linnen heupkleren maken, die van hun lenden tot hun dijen reiken om hun schaamte te bedekken.
42Orek loeyuk linen lalos, ke infulwalosi nu finyepalos, tuh elos fah tia koflufol.
43Aäron en zijn zonen moeten ze dragen, wanneer zij de openbaringstent binnengaan of tot het altaar naderen, om in het heiligdom dienst te verrichten; anders zouden zij schuld op zich laden en sterven. Dit is een altijdgeldend voorschrift voor hem en zijn nakomelingschap.
43Aaron ac wen natul fah nukum ma inge pacl nukewa ke elos ac ilyak nu ye mutuk nu in Lohm Nuknuk Mutal, ku ke pacl elos kalukyang nu ke loang uh in oru kulansap lun mwet tol in Acn Mutal, tuh elos in tia anwuki ke sripen liyeyuk koflufol lalos. Oakwuk se inge ma nu sel Aaron ac fwilin tulik natul nwe tok.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.