Deuteronomium 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen wij de richting van Basjan insloegen en verder trokken, rukte Og, de koning van Basjan, met al zijn volk naar Edréi op, om ons te bestrijden.
1Nous nous tournâmes, et nous montâmes par le chemin de Basan. Og, roi de Basan, sortit à notre rencontre, avec tout son peuple, pour nous combattre à Édréï.
2Maar Jahweh sprak tot mij: Vrees hem niet; want Ik heb hem met al zijn volk en zijn land in uw handen geleverd. Ge moet met hem doen, zoals gij gedaan hebt met Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon woonde.
2L’Éternel me dit: Ne le crains point; car je le livre entre tes mains, lui et tout son peuple, et son pays; tu le traiteras comme tu as traité Sihon, roi des Amoréens, qui habitait à Hesbon.
3En Jahweh, onze God, leverde Og, den koning van Basjan, met al zijn volk in onze handen, en wij versloegen hem, zodat er niemand ontkwam.
3Et l’Éternel, notre Dieu, livra encore entre nos mains Og, roi de Basan, avec tout son peuple; nous le battîmes, sans laisser échapper aucun de ses gens.
4Wij namen toen al zijn steden in; er was geen vesting, die wij niet veroverden. Het waren zestig steden over heel de streek van Argob, dat het rijk van Og van Basjan vormde;
4Nous prîmes alors toutes ses villes, et il n’y en eut pas une qui ne tombât en notre pouvoir: soixante villes, toute la contrée d’Argob, le royaume d’Og en Basan.
5alle versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve nog de zeer talrijke open plaatsen.
5Toutes ces villes étaient fortifiées, avec de hautes murailles, des portes et des barres; il y avait aussi des villes sans murailles en très grand nombre.
6Wij sloegen ze met de ban, zoals wij met Sichon, den koning van Chesjbon, hadden gedaan, en troffen er alle steden met mannen, vrouwen en kinderen mee.
6Nous les dévouâmes par interdit, comme nous l’avions fait à Sihon, roi de Hesbon; nous dévouâmes toutes les villes par interdit, hommes, femmes et petits enfants.
7Al het vee met de buit van de steden behielden we voor onszelf.
7Mais nous pillâmes pour nous tout le bétail et le butin des villes.
8Zo veroverden wij toen op de beide koningen der Amorieten, die in het Overjordaanse waren, het land van de beek Arnon af tot aan het Hermongebergte,
8C’est ainsi que, dans ce temps-là, nous conquîmes sur les deux rois des Amoréens le pays de l’autre côté du Jourdain, depuis le torrent de l’Arnon jusqu’à la montagne de l’Hermon
9(de Sidoniërs noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten noemen hem Senir),
9(les Sidoniens donnent à l’Hermon le nom de Sirion, et les Amoréens celui de Senir,)
10met al de steden van de vlakte, van heel Gilad en Basjan tot aan Salka en Edréi toe, die tot het koninkrijk van Og van Basjan behoorden.
10toutes les villes de la plaine, tout Galaad et tout Basan jusqu’à Salca et Édréï, villes du royaume d’Og en Basan.
11Og, de koning van Basjan, was de laatst overgeblevene der Refaïeten; zijn sarcofaag van bazalt bevindt zich te Rabbat-Ammon, en is negen el lang en vier el breed, naar de gewone el.
11(Og, roi de Basan, était resté seul de la race des Rephaïm. Voici, son lit, un lit de fer, n’est-il pas à Rabbath, ville des enfants d’Ammon? Sa longueur est de neuf coudées, et sa largeur de quatre coudées, en coudées d’homme.)
12Nadat wij toen dat land in bezit hadden genomen, gaf ik het van Aroër af, dat aan de beek Arnon ligt, en de helft van het Gilad-gebergte met zijn steden aan de Rubenieten en Gadieten.
12Nous prîmes alors possession de ce pays. Je donnai aux Rubénites et aux Gadites le territoire à partir d’Aroër sur le torrent de l’Arnon et la moitié de la montagne de Galaad avec ses villes.
13De rest van Gilad met heel Basjan, het koninkrijk van Og, dus de hele streek Argob, gaf ik aan de halve stam van Manasse; (dit hele Basjan werd het land der Refaïeten genoemd).
13Je donnai à la moitié de la tribu de Manassé le reste de Galaad et tout le royaume d’Og en Basan: toute la contrée d’Argob, avec tout Basan, c’est ce qu’on appelait le pays des Rephaïm.
14Jaïr, de zoon van Manasse, ontving heel de streek Argob tot aan het land der Gesjoerieten en Maäkatieten, en noemde haar naar zijn naam, kampementen van Jaïr, zoals ze nu nog heten;
14Jaïr, fils de Manassé, prit toute la contrée d’Argob jusqu’à la frontière des Gueschuriens et des Maacathiens, et il donna son nom aux bourgs de Basan, appelés encore aujourd’hui bourgs de Jaïr.
15aan Makir gaf ik het ene gedeelte van Gilad.
15Je donnai Galaad à Makir.
16Aan de Rubenieten en de Gadieten gaf ik het andere gedeelte van Gilad tot de beek Arnon, halverwege die beek, welke de grens vormde, en tot aan de beek Jabbok, de grens der Ammonieten;
16Aux Rubénites et aux Gadites je donnai une partie de Galaad jusqu’au torrent de l’Arnon, dont le milieu sert de limite, et jusqu’au torrent de Jabbok, frontière des enfants d’Ammon;
17bovendien de Araba, met de Jordaan als grens, van Gennezaret af tot aan de Araba-Zee, de Zoutzee, onder de hellingen van de Pisga in het oosten.
17je leur donnai encore la plaine, limitée par le Jourdain, depuis Kinnéreth jusqu’à la mer de la plaine, la mer Salée, au pied du Pisga vers l’orient.
18Maar ik gaf u toen het volgende bevel: Jahweh uw God, heeft u wel dit land in bezit gegeven, maar gij moet met alle weerbare mannen, welbewapend aan de spits van uw israëlietische broeders oversteken;
18En ce temps-là, je vous donnai cet ordre. L’Éternel, votre Dieu, vous livre ce pays, pour que vous le possédiez. Vous tous, soldats, vous marcherez en armes devant les enfants d’Israël.
19alleen uw vrouwen, uw kinderen en uw vee—en ik weet, dat gij veel vee bezit—mogen achterblijven in de steden, die ik u heb gegeven.
19Vos femmes seulement, vos petits enfants et vos troupeaux, je sais que vous avez de nombreux troupeaux, resteront dans les villes que je vous ai données,
20Eerst als Jahweh aan uw broeders rust heeft verschaft, zoals aan u, en ook zij het land bezitten, dat Jahweh, uw God, hun aan de overzijde van de Jordaan zal schenken, mag ieder van u terugkeren naar zijn bezit, dat ik hem heb gegeven.
20jusqu’à ce que l’Éternel ait accordé du repos à vos frères comme à vous, et qu’ils possèdent, eux aussi, le pays que l’Éternel, votre Dieu, leur donne de l’autre côté du Jourdain. Et vous retournerez chacun dans l’héritage que je vous ai donné.
21Ik heb toen Josuë bevolen: Met eigen ogen hebt ge alles aanschouwd, wat Jahweh, uw God, met deze twee koningen heeft gedaan. Zo zal Jahweh ook met alle koninkrijken doen, waartegen gij optrekt.
21En ce temps-là, je donnai des ordres à Josué, et je dis: Tes yeux ont vu tout ce que l’Éternel, votre Dieu, a fait à ces deux rois: ainsi fera l’Éternel à tous les royaumes contre lesquels tu vas marcher.
22Vrees hen dus niet; want Jahweh, uw God, zal zelf voor u strijden.
22Ne les craignez point; car l’Éternel, votre Dieu, combattra lui-même pour vous.
23Ik bad toen Jahweh nog om ontferming, en sprak:
23En ce temps-là, j’implorai la miséricorde de l’Éternel, en disant:
24Jahweh, mijn Heer, Gij zijt begonnen uw dienaar uw grootheid en uw krachtige hand te laten aanschouwen; want welke God in de hemel of op de aarde wrocht zulke werken en machtige daden als Gij?
24Seigneur Éternel, tu as commencé à montrer à ton serviteur ta grandeur et ta main puissante; car quel dieu y a-t-il, au ciel et sur la terre, qui puisse imiter tes œuvres et tes hauts faits?
25Ach, laat mij naar de overkant trekken, en het heerlijke land aanschouwen, aan de andere zijde van de Jordaan, dat schone gebergte met de Libanon.
25Laisse-moi passer, je te prie, laisse-moi voir ce bon pays de l’autre côté du Jourdain, ces belles montagnes et le Liban.
26Maar Jahweh bleef vergramd tegen mij om uwentwil, en wilde niet naar mij horen. En Jahweh sprak tot mij: Genoeg, ge moogt er Mij niet meer over spreken.
26Mais l’Éternel s’irrita contre moi, à cause de vous, et il ne m’écouta point. L’Éternel me dit: C’est assez, ne me parle plus de cette affaire.
27Bestijg de top van de Pisga, sla uw ogen op naar het westen en noorden, het zuiden en oosten; ge moogt het aanschouwen, maar gij zult de Jordaan niet oversteken.
27Monte au sommet du Pisga, porte tes regards à l’occident, au nord, au midi et à l’orient, et contemple de tes yeux; car tu ne passeras pas ce Jourdain.
28Draag het bevel over aan Josuë, bemoedig en sterk hem, want hij zal aan de spits van dit volk naar de overkant trekken en hen in bezit stellen van het land dat gij ziet
28Donne des ordres à Josué, fortifie-le et affermis-le; car c’est lui qui marchera devant ce peuple et qui le mettra en possession du pays que tu verras.
29Zo bleven we in de vallei tegenover Bet-Peor.
29Nous demeurâmes dans la vallée, vis-à-vis de Beth-Peor.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.