Amos
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Zo spreekt Jahweh! Om drie schanddaden van Moab, Of om vier herroep Ik het niet: Omdat zij het gebeente van den koning van Edom Tot kalk hebben verbrand!
1Ainsi parle l’Éternel: A cause de trois crimes de Moab, Même de quatre, je ne révoque pas mon arrêt, Parce qu’il a brûlé, calciné les os du roi d’Édom.
2Ik slinger een vuur in Moab, Dat de burchten van Keri-jot verteert; Moab zal in het krijgsgewoel sterven, Onder gehuil en het geschal der trompetten;
2J’enverrai le feu dans Moab, Et il dévorera les palais de Kerijoth; Et Moab périra au milieu du tumulte, Au milieu des cris de guerre et du bruit de la trompette.
3Ik zal zijn heerser uit zijn midden verdelgen, Tegelijk met hem al zijn vorsten vermoorden: Spreekt Jahweh!
3J’exterminerai de son sein le juge, Et je tuerai tous ses chefs avec lui, dit l’Éternel.
4Zo spreekt Jahweh! Om drie schanddaden van Juda, Of om vier herroep Ik het niet: Omdat zij de wet van Jahweh hebben veracht, En zijn geboden niet onderhouden; Zich lieten verleiden door hun leugens, Die hun vaderen al hadden gevolgd!
4Ainsi parle l’Éternel: A cause de trois crimes de Juda, Même de quatre, je ne révoque pas mon arrêt, Parce qu’ils ont méprisé la loi de l’Éternel Et qu’ils n’ont pas gardé ses ordonnances, Parce qu’ils ont été égarés par les idoles mensongères Après lesquelles leurs pères ont marché.
5Ik slinger een vuur in Juda, Dat Jerusalems burchten verteert!
5J’enverrai le feu dans Juda, Et il dévorera les palais de Jérusalem.
6Zo spreekt Jahweh! Om drie schanddaden van Israël, Of om vier herroep Ik het niet: Omdat zij den vrome om een geldschuld verkopen, Den arme om een paar schoenen;
6Ainsi parle l’Éternel: A cause de trois crimes d’Israël, Même de quatre, je ne révoque pas mon arrêt, Parce qu’ils ont vendu le juste pour de l’argent, Et le pauvre pour une paire de souliers.
7In het stof op de grond Het hoofd der zwakken vertrappen, De behoeftigen terzijde dringen; Omdat zoon en vader naar de deerne lopen, Om mijn heilige Naam te ontwijden;
7Ils aspirent à voir la poussière de la terre sur la tête des misérables, Et ils violent le droit des malheureux. Le fils et le père vont vers la même fille, Afin de profaner mon saint nom.
8Op verpande kleren liggen bij ieder altaar, In beslag genomen wijnen drinken in het huis van hun God!
8Ils s’étendent près de chaque autel sur des vêtements pris en gage, Et ils boivent dans la maison de leurs dieux le vin de ceux qu’ils condamnent.
9En toch heb Ik den Amoriet voor u vernield, Die hoog was als ceders en sterk als de eiken, Van boven zijn vruchten vernield, zijn wortels beneden.
9Et pourtant j’ai détruit devant eux les Amoréens, Dont la hauteur égalait celle des cèdres, Et la force celle des chênes; J’ai détruit leurs fruits en haut, Et leurs racines en bas.
10Ik heb u uit het land van Egypte gebracht, Door de woestijn u geleid veertig jaar lang, Om het land der Amorieten in bezit te nemen.
10Et pourtant je vous ai fait monter du pays d’Égypte, Et je vous ai conduits quarante ans dans le désert, Pour vous mettre en possession du pays des Amoréens.
11Ik heb uit uw zonen profeten verwekt, Nazireërs uit uw jonge mannen;
11J’ai suscité parmi vos fils des prophètes, Et parmi vos jeunes hommes des naziréens. N’en est-il pas ainsi, enfants d’Israël? Dit l’Éternel…
12Maar de Nazireërs hebt gij wijn laten drinken, De profeten verboden te profeteren! Of is het niet waar, kinderen van Israël: Is de godsspraak van Jahweh!
12Et vous avez fait boire du vin aux naziréens! Et aux prophètes vous avez donné cet ordre: Ne prophétisez pas!
13Zie, Ik zal het onder uw voeten doen kraken, Zoals een wagen kraakt, Hoog met schoven beladen!
13Voici, je vous écraserai, Comme foule la terre un chariot chargé de gerbes.
14Dan zal de vlugge niet kunnen vluchten, De sterke zijn kracht niet ontplooien, De krijgsman zijn leven niet redden,
14Celui qui est agile ne pourra fuir, Celui qui a de la force ne pourra s’en servir, Et l’homme vaillant ne sauvera pas sa vie;
15De boogschutter geen stand houden; De rappe zal niet ontkomen, De ruiter brengt er het leven niet af;
15Celui qui manie l’arc ne résistera pas, Celui qui a les pieds légers n’échappera pas, Et le cavalier ne sauvera pas sa vie;
16De dapperste onder de helden Zal naakt moeten vluchten op die dag: Is de godsspraak van Jahweh!
16Le plus courageux des guerriers S’enfuira nu dans ce jour-là, dit l’Éternel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.