1 Samuel 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Intussen waren de Filistijnen de strijd tegen Israël begonnen. De Israëlieten sloegen voor de Filistijnen op de vlucht en vielen dodelijk getroffen op het gebergte van Gilbóa.
1Now the Philistines fought against Israel, and the men of Israel fled before them, and many fell slain on Mount Gilboa.
2De Filistijnen zaten Saul en zijn zonen op de hielen. En toen zij Jonatan, Abinadab en Malkisjóea, de zonen van Saul, hadden gedood,
2The Philistines followed hard after Saul and his sons, and they killed Saul’s sons Jonathan, Abinadab, and Malchishua.
3richtte zich heel de strijd tegen Saul. Enige boogschutters kregen hem onder schot, en verwondden hem in het onderlijf.
3When the battle intensified against Saul, the archers overtook him and wounded him critically.
4Nu sprak Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek me ermee; anders komen die onbesnedenen hun spel met me drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, omdat hij teveel ontzag voor hem had. Daarom nam Saul het zwaard, en stortte zich erin.
4Then Saul said to his armor-bearer, “Draw your sword and run it through me, or these uncircumcised men will come and run me through and torture me!” But his armor-bearer was terrified and refused to do it. So Saul took his own sword and fell on it.
5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard, en stierf aan zijn zijde.
5When his armor-bearer saw that Saul was dead, he too fell on his own sword and died with him.
6Zo stierf Saul met zijn drie zonen en zijn wapendrager op een en dezelfde dag.
6So Saul, his three sons, his armor-bearer, and all his men died together that same day.
7Toen de Israëlieten, die in de steden van het dal en van het Overjordaanse woonden, bemerkten, dat de Israëlieten waren gevlucht en Saul met zijn zonen gestorven, verlieten zij de steden en namen de vlucht; waarop de Filistijnen kwamen en ze bezetten.
7When the Israelites along the valley and those on the other side of the Jordan saw that the army of Israel had fled and that Saul and his sons had died, they abandoned their cities and ran away. So the Philistines came and occupied their cities.
8Toen de Filistijnen de volgende dag de gesneuvelden kwamen uitplunderen, vonden ze Saul met zijn drie zonen op het gebergte van Gilbóa liggen.
8The next day, when the Philistines came to strip the dead, they found Saul and his three sons fallen on Mount Gilboa.
9Ze sloegen hem het hoofd af, trokken hem zijn wapenrusting uit, en zonden boden rond in het Filistijnenland, om het blijde nieuws in hun afgodstempels en onder het volk te verspreiden.
9They cut off Saul’s head, stripped off his armor, and sent messengers throughout the land of the Philistines to proclaim the news in the temples of their idols and among their people.
10Ze plaatsten zijn wapenrusting in de tempel van Asjtarte, en sloegen zijn lijk aan de muur van Bet-Sjean.
10They put his armor in the temple of the Ashtoreths and hung his body on the wall of Beth-shan.
11Toen de bewoners van Jabesj in Gilad hoorden, wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden,
11When the people of Jabesh-gilead heard what the Philistines had done to Saul,
12rukten alle weerbare mannen uit. Ze trokken de gehele nacht door, haalden Sauls lijk en dat van zijn drie zonen van de muur van Bet-Sjean, brachten ze naar Jabesj over en verbrandden ze daar.
12all their men of valor set out, journeyed all night, and retrieved the bodies of Saul and his sons from the wall of Beth-shan. When they arrived at Jabesh, they burned the bodies there.
13Ze verzamelden het gebeente, en begroeven het onder de terebint in Jabesj; daarna vastten ze zeven dagen.
13Then they took their bones and buried them under the tamarisk tree in Jabesh, and they fasted seven days.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.