1 Koningen 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Enige tijd later gebeurde het volgende: Een zekere Nabot uit Jizreël bezat een wijngaard naast het paleis van Achab, den koning van Samaria.
1ויהי אחר הדברים האלה כרם היה לנבות היזרעאלי אשר ביזרעאל אצל היכל אחאב מלך שמרון׃
2Daarom sprak Achab tot Nabot: Geef mij uw wijngaard, dan maak ik er een moestuin van; want hij ligt vlak bij mijn paleis. Ik geef er u een betere voor terug, of wanneer ge dit liever hebt, de waarde in geld.
2וידבר אחאב אל נבות לאמר תנה לי את כרמך ויהי לי לגן ירק כי הוא קרוב אצל ביתי ואתנה לך תחתיו כרם טוב ממנו אם טוב בעיניך אתנה לך כסף מחיר זה׃
3Maar Nabot gaf Achab ten antwoord: Jahweh beware mij er voor, u het erfdeel van mijn vaderen te geven.
3ויאמר נבות אל אחאב חלילה לי מיהוה מתתי את נחלת אבתי לך׃
4Hierop ging Achab verdrietig en toornig naar huis, omdat Nabot uit Jizreël hem had gezegd: Ik geef u het erfdeel van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde het hoofd af en wilde niet eten.
4ויבא אחאב אל ביתו סר וזעף על הדבר אשר דבר אליו נבות היזרעאלי ויאמר לא אתן לך את נחלת אבותי וישכב על מטתו ויסב את פניו ולא אכל לחם׃
5Toen kwam zijn vrouw Izébel bij hem en vroeg: Waarom zijt ge toch zo verdrietig, en eet ge niet?
5ותבא אליו איזבל אשתו ותדבר אליו מה זה רוחך סרה ואינך אכל לחם׃
6Hij antwoordde haar: Ik heb met Nabot uit Jizreël gesproken en hem gezegd: “Verkoop mij uw wijngaard, of wanneer ge dit liever hebt, dan geef ik er u een andere voor in de plaats.” En hij antwoordde: “Ik geef u mijn wijngaard niet.”
6וידבר אליה כי אדבר אל נבות היזרעאלי ואמר לו תנה לי את כרמך בכסף או אם חפץ אתה אתנה לך כרם תחתיו ויאמר לא אתן לך את כרמי׃
7Maar zijn vrouw Izébel zeide tot hem: Gij zijt me ook een koning van Israël! Sta op en eet, en zit er maar niet over in; ik bezorg u de wijngaard van Nabot wel.
7ותאמר אליו איזבל אשתו אתה עתה תעשה מלוכה על ישראל קום אכל לחם ויטב לבך אני אתן לך את כרם נבות היזרעאלי׃
8Daarop schreef zij een brief uit Achabs naam, sloot die met zijn zegel, en zond hem aan de oudsten en de leiders, die bij Nabot in de stad woonden.
8ותכתב ספרים בשם אחאב ותחתם בחתמו ותשלח הספרים אל הזקנים ואל החרים אשר בעירו הישבים את נבות׃
9Ze schreef in de brief als volgt: Kondigt een vasten af en laat Nabot vooraan zitten, als het volk bijeen is.
9ותכתב בספרים לאמר קראו צום והושיבו את נבות בראש העם׃
10Dan moet ge een paar deugnieten tegen hem laten optreden, die hem er van betichten, dat hij God en den koning heeft gelasterd. Leidt hem daarna weg, en stenigt hem dood.
10והושיבו שנים אנשים בני בליעל נגדו ויעדהו לאמר ברכת אלהים ומלך והוציאהו וסקלהו וימת׃
11Zijn medeburgers, de oudsten en de leiders, deden wat Izébel hun had bevolen in de brief, die ze hun geschreven had.
11ויעשו אנשי עירו הזקנים והחרים אשר הישבים בעירו כאשר שלחה אליהם איזבל כאשר כתוב בספרים אשר שלחה אליהם׃
12Zij kondigden een vasten af, en toen het volk bijeen was, plaatsten ze Nabot vooraan.
12קראו צום והשיבו את נבות בראש העם׃
13Nu kwamen er een paar deugnieten, die tegen hem optraden, en ten overstaan van het volk getuigden: Nabot heeft God en den koning gelasterd! En men bracht hem buiten de stad, waar hij dood werd gestenigd.
13ויבאו שני האנשים בני בליעל וישבו נגדו ויעדהו אנשי הבליעל את נבות נגד העם לאמר ברך נבות אלהים ומלך ויצאהו מחוץ לעיר ויסקלהו באבנים וימת׃
14Toen berichtten zij aan Izébel: Men heeft Nabot gestenigd; hij is dood.
14וישלחו אל איזבל לאמר סקל נבות וימת׃
15Zodra Izébel vernam, dat Nabot gestenigd en dood was, sprak ze tot Achab: Sta op, en neem de wijngaard van Nabot uit Jizreël in bezit, die hij u niet voor geld wilde afstaan; want Nabot leeft niet meer, maar is dood.
15ויהי כשמע איזבל כי סקל נבות וימת ותאמר איזבל אל אחאב קום רש את כרם נבות היזרעאלי אשר מאן לתת לך בכסף כי אין נבות חי כי מת׃
16Toen Achab hoorde, dat Nabot dood was, ging hij heen, en nam de wijngaard van Nabot uit Jizreël in bezit.
16ויהי כשמע אחאב כי מת נבות ויקם אחאב לרדת אל כרם נבות היזרעאלי לרשתו׃
17Maar nu werd het woord van Jahweh tot Elias uit Tisjbe gericht:
17ויהי דבר יהוה אל אליהו התשבי לאמר׃
18Sta op en ga naar Achab, den koning van Israël, die te Samaria woont; hij is in de wijngaard van Nabot, die hij in bezit is gaan nemen.
18קום רד לקראת אחאב מלך ישראל אשר בשמרון הנה בכרם נבות אשר ירד שם לרשתו׃
19Zeg tot hem: Zo spreekt Jahweh! Komt ge na de moord de erfenis in bezit nemen? Zo spreekt Jahweh! Op de plaats, waar de honden het bloed van Nabot hebben gelikt, zullen ze ook het uwe oplikken.
19ודברת אליו לאמר כה אמר יהוה הרצחת וגם ירשת ודברת אליו לאמר כה אמר יהוה במקום אשר לקקו הכלבים את דם נבות ילקו הכלבים את דמך גם אתה׃
20Maar Achab snauwde Elias toe: Weet mijn vijand mij weer te vinden? Hij antwoordde: Ja; maar enkel omdat ge u vermeten hebt, kwaad te doen in de ogen van Jahweh.
20ויאמר אחאב אל אליהו המצאתני איבי ויאמר מצאתי יען התמכרך לעשות הרע בעיני יהוה׃
21En nu, zo spreekt Jahweh! Ik zal onheil over u brengen en u wegvagen; al wat man is in Achabs huis, slaaf of vrije, zal Ik uit Israël verdelgen.
21הנני מבי אליך רעה ובערתי אחריך והכרתי לאחאב משתין בקיר ועצור ועזוב בישראל׃
22Met uw huis zal Ik handelen als met het huis van Jeroboam, den zoon van Nabat, en als met het huis van Basja, den zoon van Achi-ja, omdat ge Mij hebt getergd en Israël tot zonde hebt verleid.
22ונתתי את ביתך כבית ירבעם בן נבט וכבית בעשא בן אחיה אל הכעס אשר הכעסת ותחטא את ישראל׃
23En tot Izébel spreekt Jahweh: De honden zullen Izébel verslinden op de open plaats voor Jizreël!
23וגם לאיזבל דבר יהוה לאמר הכלבים יאכלו את איזבל בחל יזרעאל׃
24Sterft er iemand van Achab in de stad, dan zullen de honden hem verslinden; en sterft iemand van hem op het land, dan zullen de vogels uit de lucht het doen!
24המת לאחאב בעיר יאכלו הכלבים והמת בשדה יאכלו עוף השמים׃
25Want nooit heeft iemand zich als Achab vermeten, om kwaad te doen in de ogen van Jahweh, hiertoe verleid door Izébel, zijn vrouw;
25רק לא היה כאחאב אשר התמכר לעשות הרע בעיני יהוה אשר הסתה אתו איזבל אשתו׃
26schandelijk heeft hij zich gedragen door waangoden te dienen, juist zoals de Amorieten deden, die Jahweh voor Israël heeft verjaagd.
26ויתעב מאד ללכת אחרי הגללים ככל אשר עשו האמרי אשר הוריש יהוה מפני בני ישראל׃
27Toen Achab deze bedreiging vernam, scheurde hij zijn klederen, trok een boetekleed aan en vastte; hij legde zich zelfs in het boetekleed te ruste, en liep peinzend rond.
27ויהי כשמע אחאב את הדברים האלה ויקרע בגדיו וישם שק על בשרו ויצום וישכב בשק ויהלך אט׃
28Nu werd het woord van Jahweh tot Elias uit Tisjbe gericht:
28ויהי דבר יהוה אל אליהו התשבי לאמר׃
29Hebt gij gezien, hoe Achab zich voor Mij heeft vernederd? Omdat hij zich voor Mij heeft vernederd, zal Ik hem het onheil niet tijdens zijn leven overzenden, maar onder zijn zoon zal Ik het over zijn huis doen neerkomen.
29הראית כי נכנע אחאב מלפני יען כי נכנע מפני לא אבי הרעה בימיו בימי בנו אביא הרעה על ביתו׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.