1 Koningen 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Eens werd Abi-ja, de zoon van Jeroboam, ziek.
1Dans ce temps-là, Abija, fils de Jéroboam, devint malade.
2Daarom zei Jeroboam tot zijn vrouw: Ga u verkleden, zodat niemand kan merken, dat gij de vrouw van Jeroboam zijt, en ga dan naar Sjilo; want daar woont de profeet Achi-ja, die mij voorspeld heeft, dat ik koning over dit volk zou worden.
2Et Jéroboam dit à sa femme: Lève-toi, je te prie, et déguise-toi pour qu’on ne sache pas que tu es la femme de Jéroboam, et va à Silo. Voici, là est Achija, le prophète; c’est lui qui m’a dit que je serais roi de ce peuple.
3Neem tien broden mee, een paar koeken en een kruik honing, en ga naar hem toe. Hij zal u zeggen, wat er met den jongen gebeuren zal.
3Prends avec toi dix pains, des gâteaux et un vase de miel, et entre chez lui; il te dira ce qui arrivera à l’enfant.
4Jeroboams vrouw deed het; zij stond op, ging naar Sjilo en trad het huis van Achi-ja binnen. Achi-jáhoe nu kon niet meer zien; want zijn ogen stonden star van ouderdom.
4La femme de Jéroboam fit ainsi; elle se leva, alla à Silo, et entra dans la maison d’Achija. Achija ne pouvait plus voir, car il avait les yeux fixes par suite de la vieillesse.
5Maar Jahweh sprak tot hem: Daar is de vrouw van Jeroboam. Zij komt u een godsspraak vragen over haar zoon; want die is ziek. Zo en zo moet ge tot haar spreken. Toen zij nu, als een onbekende vermomd, binnenkwam,
5L’Éternel avait dit à Achija: La femme de Jéroboam va venir te consulter au sujet de son fils, parce qu’il est malade. Tu lui parleras de telle et de telle manière. Quand elle arrivera, elle se donnera pour une autre.
6en Achi-jáhoe het geluid harer voetstappen in de deur hoorde, zeide hij: Kom binnen, vrouw van Jeroboam; waarom doet gij u als een onbekende voor? Ik heb opdracht u een harde boodschap over te brengen.
6Lorsque Achija entendit le bruit de ses pas, au moment où elle franchissait la porte, il dit: Entre, femme de Jéroboam; pourquoi veux-tu te donner pour une autre? Je suis chargé de t’annoncer des choses dures.
7Ga en zeg aan Jeroboam:. Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Om u boven het gewone volk te verheffen en u tot koning aan te stellen over Israël, mijn volk,
7Va, dis à Jéroboam: Ainsi parle l’Éternel, le Dieu d’Israël: Je t’ai élevé du milieu du peuple, je t’ai établi chef de mon peuple d’Israël,
8heb Ik het koninkrijk aan het huis van David ontnomen en het aan u gegeven. Maar gij zijt niet geweest als mijn dienaar David, die mijn geboden onderhield, Mij van ganser harte diende, en enkel deed wat goed was in mijn ogen.
8j’ai arraché le royaume de la maison de David et je te l’ai donné. Et tu n’as pas été comme mon serviteur David, qui a observé mes commandements et qui a marché après moi de tout son cœur, ne faisant que ce qui est droit à mes yeux.
9Neen, ge hebt groter kwaad bedreven dan allen, die u vooraf zijn gegaan; om Mij te tergen hebt ge andere goden en gegoten beelden gemaakt, en Mij vol verachting verworpen.
9Tu as agi plus mal que tous ceux qui ont été avant toi, tu es allé te faire d’autres dieux, et des images de fonte pour m’irriter, et tu m’as rejeté derrière ton dos!
10Daarom zal Ik onheil over het huis van Jeroboam brengen. Al wat man is in Jeroboams huis, slaaf of vrij, zal Ik uit Israël verdelgen; want Ik wil het huis van Jeroboam wegvagen, zoals men vuilnis wegwerpt, totdat er niets meer van overblijft.
10Voilà pourquoi je vais faire venir le malheur sur la maison de Jéroboam; j’exterminerai quiconque appartient à Jéroboam, celui qui est esclave et celui qui est libre en Israël, et je balaierai la maison de Jéroboam comme on balaie les ordures, jusqu’à ce qu’elle ait disparu.
11Sterft iemand van Jeroboam in de stad, dan zullen de honden hem verslinden; en sterft iemand van hem op het land, dan zullen de vogels uit de lucht het doen; want Jahweh heeft het gezegd!
11Celui de la maison de Jéroboam qui mourra dans la ville sera mangé par les chiens, et celui qui mourra dans les champs sera mangé par les oiseaux du ciel. Car l’Éternel a parlé.
12Wat u betreft, sta op en ga naar huis. Op het ogenblik, dat uw voeten de stad betreden, zal de jongen sterven.
12Et toi, lève-toi, va dans ta maison. Dès que tes pieds entreront dans la ville, l’enfant mourra.
13Heel Israël zal hem bij zijn begrafenis bewenen; want hij is de enige van het geslacht van Jeroboam, die in een graf zal worden gelegd, omdat hij de enige is in Jeroboams huis, in wien iets goeds werd gevonden voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God.
13Tout Israël le pleurera, et on l’enterrera; car il est le seul de la maison de Jéroboam qui sera mis dans un sépulcre, parce qu’il est le seul de la maison de Jéroboam en qui se soit trouvé quelque chose de bon devant l’Éternel, le Dieu d’Israël.
14En de man, die het huis van Israël zal uitroeien, zal door Jahweh tot koning over Israël worden verheven.
14L’Éternel établira sur Israël un roi qui exterminera la maison de Jéroboam ce jour-là. Et n’est-ce pas déjà ce qui arrive?
15Dit geldt het heden, maar er is nog meer! Want Jahweh zal ook Israël slaan, zoals men een riet in het water zwiept. Hij zal de kinderen van Israël uitroeien uit het heerlijke land, dat Hij aan hun vaderen gaf, en ze verstrooien aan de andere zijde van de Rivier, omdat zij heilige palen hebben gemaakt, om Hem te tergen.
15L’Éternel frappera Israël, et il en sera de lui comme du roseau qui est agité dans les eaux; il arrachera Israël de ce bon pays qu’il avait donné à leurs pères, et il les dispersera de l’autre côté du fleuve, parce qu’ils se sont fait des idoles, irritant l’Éternel.
16Dan zal Hij Israël prijsgeven om de zonden, die Jeroboam zelf heeft bedreven, en die hij Israël deed bedrijven.
16Il livrera Israël à cause des péchés que Jéroboam a commis et qu’il a fait commettre à Israël.
17Toen stond de vrouw van Jeroboam op, en vertrok. Maar toen zij, in Tirsa aangekomen, de drempel van het huis betrad, stierf de knaap.
17La femme de Jéroboam se leva, et partit. Elle arriva à Thirtsa; et, comme elle atteignait le seuil de la maison, l’enfant mourut.
18Heel Israël treurde bij zijn begrafenis, zoals Jahweh door zijn dienaar, den profeet Achi-jáhoe, voorspeld had.
18On l’enterra, et tout Israël le pleura, selon la parole que l’Éternel avait dite par son serviteur Achija, le prophète.
19De verdere geschiedenis van Jeroboam, met zijn oorlogen en zijn regering, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
19Le reste des actions de Jéroboam, comment il fit la guerre et comment il régna, cela est écrit dans le livre des Chroniques des rois d’Israël.
20Jeroboam regeerde twee en twintig jaar; toen ging hij bij zijn vaderen te ruste. Zijn zoon Nadab volgde hem op.
20Jéroboam régna vingt-deux ans, puis il se coucha avec ses pères. Et Nadab, son fils, régna à sa place.
21Roboam, de zoon van Salomon, werd koning over Juda. Hij was een en veertig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde zeventien jaar te Jerusalem, de stad, die Jahweh uit al de stammen van Israël had uitverkoren, om er zijn Naam te doen wonen. Zijn moeder heette Naäma, en was een ammonietische.
21Roboam, fils de Salomon, régna sur Juda. Il avait quarante et un ans lorsqu’il devint roi, et il régna dix-sept ans à Jérusalem, la ville que l’Éternel avait choisie sur toutes les tribus d’Israël pour y mettre son nom. Sa mère s’appelait Naama, l’Ammonite.
22Juda deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh; meer dan hun vaderen prikkelden zij zijn ijverzucht door de zonden, die zij bedreven;
22Juda fit ce qui est mal aux yeux de l’Éternel; et, par les péchés qu’ils commirent, ils excitèrent sa jalousie plus que ne l’avaient jamais fait leurs pères.
23want op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom richtten zij offerhoogten, heilige zuilen en heilige palen op.
23Ils se bâtirent, eux aussi, des hauts lieux avec des statues et des idoles sur toute colline élevée et sous tout arbre vert.
24Zelfs waren er verminkten in het land. Zo volgden zij al de gruwelen na van de volkeren, die Jahweh voor de kinderen van Israël verdreven had.
24Il y eut même des prostitués dans le pays. Ils imitèrent toutes les abominations des nations que l’Éternel avait chassées devant les enfants d’Israël.
25In het vijfde jaar der regering van Roboam trok Sjisjak, de koning van Egypte, tegen Jerusalem op.
25La cinquième année du règne de Roboam, Schischak, roi d’Égypte, monta contre Jérusalem.
26Hij roofde de kostbaarheden van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis. Alles nam hij mee, ook al de gouden schilden, die Salomon had laten vervaardigen.
26Il prit les trésors de la maison de l’Éternel et les trésors de la maison du roi, il prit tout. Il prit tous les boucliers d’or que Salomon avait faits.
27In de plaats daarvan liet koning Roboam bronzen schilden maken, welke hij toevertrouwde aan de oversten der soldaten, die de wacht hielden aan de ingang van het koninklijk paleis.
27Le roi Roboam fit à leur place des boucliers d’airain, et il les remit aux soins des chefs des coureurs, qui gardaient l’entrée de la maison du roi.
28De soldaten droegen ze, telkens als de koning naar de tempel van Jahweh ging; daarna brachten zij ze terug naar het soldatenverblijf.
28Toutes les fois que le roi allait à la maison de l’Éternel, les coureurs les portaient; puis ils les rapportaient dans la chambre des coureurs.
29De verdere geschiedenis van Roboam, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
29Le reste des actions de Roboam, et tout ce qu’il a fait, cela n’est-il pas écrit dans le livre des Chroniques des rois de Juda?
30Er was voortdurend oorlog tussen Roboam en Jeroboam.
30Il y eut toujours guerre entre Roboam et Jéroboam.
31Roboam ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de Davidstad begraven. Zijn zoon Abias volgde hem op.
31Roboam se coucha avec ses pères, et il fut enterré avec ses pères dans la ville de David. Sa mère s’appelait Naama, l’Ammonite. Et Abijam, son fils, régna à sa place.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.