ΗΣΑΙΑΣ 45
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Οὕτῳ λέγει Κύριος ὁ Θεὸς τῷ χριστῷ μου Κύρῳ, οὗ ἐκράτησα τῆς δεξιᾶς, ἐπακοῦσαι ἔμπροσθεν αὐτοῦ ἔθνη, καὶ ἰσχὺν βασιλέων διαῤῥήξω, ἀνοίξω ἔμπροσθεν αὐτοῦ θύρας, καὶ πόλεις οὐ συγκλεισθήσονται.
1Zo spreekt Jahweh tot zijn gezalfde, Tot Cyrus, die Hij bij de rechterhand heeft gevat: Om volken voor hem neer te werpen, En vorsten de gordel van de lenden te trekken; Om deuren voor hem los te rukken, Geen poorten blijven gesloten.
2Ἐγὼ ἔμπροσθέν σου πορεύσομαι, καὶ ὄρη ὁμαλιῶ, θύρας χαλκᾶς συντρίψω, καὶ μοχλοὺς σιδηροῦς συνκλάσω.
2Ik zelf ga voor u uit, En zal de hoogten voor u slechten; Bronzen poorten trap Ik in, Ijzeren grendels sla Ik stuk;
3Καὶ δώσω σοι θησαυροὺς σκοτεινοὺς, ἀποκρύφους, ἀοράτους ἀνοίξω σοι, ἵνα γνῷς ὅτι ἐγὼ Κύριος ὁ Θεός σου ὁ καλῶν τὸ ὄνομά σουὁ, Θεὸς Ἰσραήλ.
3Verborgen schatten zal Ik u geven, En goed verstopte fortuinen. Opdat ge moogt weten, dat Ik, Jahweh, het ben, Ik, Israëls God, die u riep bij uw naam!
4Ἕνεκεν τοῦ παιδός μου Ἰακὼβ, καὶ Ἰσραὴλ τοῦ ἐκλεκτοῦ μου, ἐγὼ καλέσω σε τῷ ὀνόματί σου, καὶ προσδέξομαί σε· σὺ δὲ οὐκ ἔγνως με,
4Terwille van Jakob, mijn dienaar, Van Israël, mijn uitverkorene, Heb Ik u bij uw naam geroepen, U een titel geschonken, zonder dat ge Mij kent.
5ὅτι ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς, καὶ οὐκ ἔστιν ἔτι πλὴν ἐμοῦ Θεός· ἐνίσχυσά σε, καὶ οὐκ ᾔδεις με,
5Ik ben Jahweh, er is geen ander; Buiten Mij bestaat er geen god. Ik heb u omgord, zonder dat ge Mij kent:
6ἵνα γνῶσιν οἱ ἀπʼ ἀνατολῶν ἡλίου καὶ οἱ ἀπὸ δυσμῶν, ὅτι οὐκ ἔστι Θεὸς πλὴν ἐμοῦ· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς, καὶ οὐκ ἔστιν ἔτι.
6Opdat men zou weten Van het oosten tot het westen, Dat er geen ander bestaat buiten Mij! Ik ben Jahweh, er is geen ander!
7Ἐγὼ ἡ κατασκευάσας φῶς, καὶ ποιήσας σκότος, ὁ ποιῶν εἰρήνην, καὶ κτίζων κακά· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς, ὁ ποιῶν πάντα ταῦτα.
7Ik vormde het licht, En heb het duister geschapen; Het heil verwekt, En het onheil gesticht: Ik, Jahweh, heb dit alles gedaan!
8Εὐφρανθήτω ὁ οὐρανὸς ἄνωθεν, καὶ αἱ νεφέλαι ῥανάτωσαν δικαιοσύνην· ἀνατειλάτω ἡ γῆ, καὶ βλαστησάτω ἔλεος, καὶ δικαιοσύνην ἀνατειλάτω ἅμα· ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ κτίσας σε.
8Hemelen, dauwt uit de hoge, Wolken, laat de gerechtigheid stromen; Aarde open uw schoot, Om vrucht van verlossing te dragen, En gerechtigheid te laten ontspruiten: Ik, Jahweh, heb het gewrocht!
9Ποῖον βέλτιον κατεσκεύασα ὡς πηλὸν κεραμέως; μὴ ὁ ἀροτριῶν ἀροτριάσει τὴν γῆν ὅλην τὴν ἡμέραν; μὴ ἐρεῖ ὁ πηλὸς τῷ κεραμεῖ, τί ποιεῖς ὅτι οὐκ ἐργάζῃ, οὐδὲ ἔχεις χεῖρας; μὴ ἀποκριθήσεται τὸ πλάσμα πρὸς τὸν πλάσαντα αὐτό;
9Wee, die met hun Schepper twisten: De scherven met den pottenbakker! Zegt het leem soms tot hem, die het kneedt: Wat maakt ge? Uw handen staan er niet naar.
10Ὁ λέγων τῷ πατρὶ, τί γεννήσεις; καὶ τῇ μητρί, τί ὠδίνεις;
10Wee, die tot zijn vader durft zeggen: waarom verwekt ge; Of tot een vrouw: waarom hebt ge barensweeën?
11Ὅτι οὕτω λέγει Κύριος ὁ Θεὸς ὁ ἅγιος Ἰσραὴλ, ὁ ποιήσας τὰ ἐπερχόμενα, ἐρωτήσατέ με περὶ τῶν υἱῶν μου, καὶ περὶ τῶν ἔργων τῶν χειρῶν μου ἐντείλασθέ μοι.
11Zo spreekt Jahweh, Israëls Heilige en Schepper: Durft ge Mij rekenschap vragen van wat gaat gebeuren, Mij bevelen geven over het werk mijner handen?
12Ἐγὼ ἐποίησα γῆν, καὶ ἄνθρωπον ἐπʼ αὐτῆς, ἐγὼ τῇ χειρί μου ἐστερέωσα τὸν οὐρανὸν, ἐγὼ πᾶσι τοῖς ἄστροις ἐνετειλάμην.
12Ik heb de aarde gemaakt, en den mens er geschapen, Met eigen hand de hemel gespannen, heel zijn heir er besteld!
13Ἐγὼ ἤγειρα αὐτὸν μετὰ δικαιοσύνης βασιλέα, καὶ πᾶσαι αἱ ὁδοὶ αὐτοῦ εὐθεῖαι· οὗτος οἰκοδομήσει τὴν πόλιν μου, καὶ τὴν αἰχμαλωσίαν τοῦ λαοῦ μου ἐπιστρέψει, οὐ μετὰ λύτρων, οὐδὲ μετὰ δώρων, εἶπε Κύριος σαβαώθ.
13Ik zelf heb hem in mijn goedheid verwekt, En al zijn paden geëffend; Hij is het, die mijn stad zal herbouwen, En mijn ballingen zal laten gaan Zonder losprijs, zonder geschenken: Spreekt Jahweh der heirscharen!
14Οὕτω λέγει Κύριος σαβαὼθ, ἐκοπίασεν Αἴγυπτος, καὶ ἐμπορία Αἰθιόπων, καὶ οἱ Σαβαεὶμ ἄνδρες ὑψηλοὶ ἐπὶ σὲ διαβήσονται, καὶ σοὶ ἔσονται δοῦλοι, καὶ ὀπίσω σου ἀκολουθήσουσι δεδεμένοι χειροπέδαις, καὶ διαβήσονται πρὸς σὲ, καὶ προσκυνήσουσί σοι, καὶ ἐν σοὶ προσεύξονται· ὅτι ἐν σοὶ ὁ Θεός ἐστι, καὶ οὐκ ἔστι Θεὸς πλήν σου.
14Zo spreekt Jahweh: Egypte’s slaven en de kooplui van Koesj Met de mannen van Seba, hoog van gestalte, Zullen overgaan in ùw hand, U toebehoren, en achter u aangaan, En in ketens u dienen. Ze zullen voor u ter aarde vallen, En tot u smeken: Alleen bij u is een God, Nergens zijn er andere goden;
15Σὺ γὰρ εἶ Θεὸς, καὶ οὐκ ᾔδειμεν, ὁ Θεὸς τοῦ Ἰσραὴλ σωρήρ.
15Alleen bij u is een God, die beschermt, De God van Israël is een Verlosser!
16Αἰσχυνθήσονται καὶ ἐντραπήσονται πάντες οἱ ἀντικείμενοι αὐτῷ, καὶ πορεύσονται ἐν αἰσχύνῃ· ἐγκαινίζεσθε πρὸς μὲ νῆσοι.
16Ze worden allen beschaamd en met schande bedekt, Verlegen druipen ze af, die makers van beelden.
17Ἰσραὴλ σώζεται ὑπὸ Κυρίου σωτηρίαν αἰώνιον· οὐκ αἰσχυνθήσονται, οὐδὲ μὴ ἐντραπῶσιν ἕως τοῦ αἰῶνος ἔτι.
17Israël, gij wordt door Jahweh verlost Met een redding voor eeuwig; Gij zult niet worden beschaamd en te schande gemaakt, In alle eeuwigheid niet!
18Οὕτως λέγει Κύριος ὁ ποιήσας τὸν οὐρανὸν, οὗτος ὁ Θεὸς ὁ καταδείξας τὴν γῆν, καὶ ποιήσας αὐτὴν, αὐτὸς διώρισεν αὐτὴν, οὐκ εἰς κενὸν ἐποίησεν αὐτὴν, ἀλλὰ κατοικεῖσθαι ἔπλασεν αὐτὴν, ἐγώ εἰμι Κύριος, καὶ οὐκ ἔστιν ἔτι.
18Want zo spreekt Jahweh, Die de hemelen schiep, De God, die de aarde boetseerde, Haar maakte en grondde; Die haar niet schiep als een baaierd, Maar vormde, om te worden bewoond.
19Οὐκ ἐν κρυφῇ λελάληκα, οὐδὲ ἐν τόπῳ γῆς σκοτεινῷ· οὐκ εἶπα τῷ σπέρματι Ἰακὼβ, μάταιον ζητήσατε· ἐγώ εἰμι ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ λαλῶν δικαιοσύνην, καὶ ἀναγγέλλων ἀλήθειαν.
19Ik ben Jahweh; geen ander! Ik heb niet in het verborgen gesproken, Of in een duistere hoek van de aarde; Tot Jakobs kroost niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs! Neen, Ik ben Jahweh, die rechtuit spreekt, En die de waarheid voorspelt.
20Συνάχθητε, καὶ ἥκετε, βουλεύσασθε ἅμα οἱ σωζόμενοι ἀπὸ τῶν ἐθνῶν· οὐκ ἔγνωσαν οἱ αἴροντες τὸ ξύλον γλύμμα αὐτῶν, καὶ οἱ προσευχόμενοι πρὸς θεοὺς, οἳ οὐ σώζουσιν.
20Verzamelt u, komt, treedt allen bijeen Die van de volken zijn overgebleven; Die in onverstand houten afgoden draagt, En bidt tot een god, die niet redt.
21Εἰ ἀναγγελοῦσιν, ἐγγισάτωσαν, ἵνα γνῶσιν ἅμα, τίς ἀκουστὰ ἐποίησε ταῦτα ἀπʼ ἀρχῆς· τότε ἀνηγγέλη ὑμῖν· ἐγὼ ὁ Θεὸς, καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος πλὴν ἐμοῦ· δίκαιος καὶ σωτὴρ, οὐκ ἔστι πάρεξ ἐμοῦ.
21Spreekt op, brengt uw bewijzen naar voren, En beraadt u onder elkander. Wie heeft dit van oudsher verkondigd, En het lang te voren voorspeld? Ben Ik het niet, Jahweh, Buiten wien geen andere god bestaat? Neen, een rechtvaardige en reddende God Is er buiten Mij niet!
22Ἐπιστράφητε ἐπʼ ἐμὲ, καὶ σωθήσεσθε, οἱ ἀπʼ ἐσχάτου τῆς γῆς· ἐγώ εἰμι ὁ Θεὸς, καὶ οὐκ ἔστιν ἄλλος.
22Wendt u tot Mij, dan wordt gij gered, alle grenzen der aarde; Want Ik ben God, er is geen ander!
23Κατʼ ἐμαυτοῦ ὀμνύω, εἰ μὴ ἐξελεύσεται ἐκ τοῦ στόματός μου δικαιοσύνη, οἱ λόγοι μου οὐκ ἀποστραφήσονται· Ὅτι ἐμοὶ κάμψει πᾶν γόνυ, καὶ ὀμεῖται πᾶσα γλῶσσα τὸν Θεὸν,
23Ik zweer bij Mijzelf, uit mijn mond komt de waarheid, Het woord, dat nooit wordt herroepen. Voor Mij moet iedere knie zich buigen, Iedere tong bij Mij zweren.
24λέγων, δικαιοσύνη καὶ δόξα πρὸς αὐτὸν ἥξει, καὶ αἰσχυνθήσονται πάντες οἱ διορίζοντες αὐτούς.
24Van Mij zal men zeggen: Bij Jahweh alleen is zege en kracht! Tot Hem komen terug, met schaamte bedekt, Allen, die Hem weerstonden;
25Ἀπὸ Κυρίου δικαιωθήσονται, καὶ ἐν τῷ Θεῷ ἐνδοξασθήσεται πᾶν τὸ σπέρμα τῶν υἱῶν Ἰσραήλ.
25Maar in Jahweh zal verwinnen en juichen Heel Israëls geslacht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.