King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O Lord Almighty, God of Israel, the soul in anguish the troubled spirit, crieth unto thee.
1Welnu dan, almachtige Heer, Israëls God: een bedrukte ziel en een bekommerd gemoed roept tot U!
2Hear, O Lord, and have mercy; for thou art merciful: and have pity upon us, because we have sinned before thee.
2Luister toch, Heer, en ontferm U onzer, want wij hebben gezondigd tegen U!
3For thou endurest for ever, and we perish utterly.
3Gij troont voor eeuwig; en wij zouden voor immer te gronde gaan?
4O Lord Almighty, thou God of Israel, hear now the prayers of the dead Israelites, and of their children, which have sinned before thee, and not hearkened unto the voice of thee their God: for the which cause these plagues cleave unto us.
4Almachtige Heer, Israëls God; verhoor toch het smeken van Israël, dat de dood zo nabij is; van de zonen van hen, die tegen U hebben gezondigd, die niet naar de stem van U, hun God, wilden horen, en over zich de rampen hebben gebracht.
5Remember not the iniquities of our forefathers: but think upon thy power and thy name now at this time.
5Neen, gedenk niet de zonden onzer vaderen; denk thans aan uw macht en uw Naam!
6For thou art the Lord our God, and thee, O Lord, will we praise.
6Gij zijt de Heer, onze God; wij willen U loven, o Heer!
7And for this cause thou hast put thy fear in our hearts, to the intent that we should call upon thy name, and praise thee in our captivity: for we have called to mind all the iniquity of our forefathers, that sinned before thee.
7Want daarom hebt Gij de vrees voor U in ons hart gelegd, dat wij uw Naam zouden aanroepen. Nu loven wij U in het land onzer ballingschap; want wij hebben ons hart ontlast van al de boosheid onzer vaderen, die tegen U hebben gezondigd.
8Behold, we are yet this day in our captivity, where thou hast scattered us, for a reproach and a curse, and to be subject to payments, according to all the iniquities of our fathers, which departed from the Lord our God.
8En toch moeten wij thans nog in onze ballingschap blijven, op de plaats waar Gij ons hebt verstrooid als een hoon en een vloek, als een boete voor de zonden onzer vaderen, die den Heer, hun God, hebben verlaten!
9Hear, Israel, the commandments of life: give ear to understand wisdom.
9Israël, hoor de geboden des levens, Luister aandachtig, om verstandig te worden!
10How happeneth it Israel, that thou art in thine enemies’ land, that thou art waxen old in a strange country, that thou art defiled with the dead,
10Hoe komt het Israël, Dat gij in het land der vijanden toeft, En op vreemde bodem verkwijnt; Dat gij onrein zijt geworden als lijken,
11That thou art counted with them that go down into the grave?
11Op één lijn gesteld met die in het graf zijn gedaald?
12Thou hast forsaken the fountain of wisdom.
12Gij hebt de Bron der wijsheid verlaten!
13For if thou hadst walked in the way of God, thou shouldest have dwelled in peace for ever.
13Wanneer ge de weg van God hadt bewandeld, Dan hadt ge in eeuwige vrede gewoond.
14Learn where is wisdom, where is strength, where is understanding; that thou mayest know also where is length of days, and life, where is the light of the eyes, and peace.
14Leer derhalve, waar de wijsheid is, Waar kracht, waar beleid zijn te vinden: Dan weet ge meteen, waar lengte van dagen en leven, Waar stralende ogen en vrede zijn!
15Who hath found out her place? or who hath come into her treasures?
15Maar wie heeft ooit haar plaats gevonden, Wie drong tot haar schatkamers door?
16Where are the princes of the heathen become, and such as ruled the beasts upon the earth;
16Waar zijn de heersers der volken, Die zelfs de dieren der aarde temden,
17They that had their pastime with the fowls of the air, and they that hoarded up silver and gold, wherein men trust, and made no end of their getting?
17En speelden met de vogels uit de lucht? Waar zijn ze, die goud en zilver hebben geschraapt, Waarop de mensen vertrouwen; Wier bezittingen eindeloos zijn,
18For they that wrought in silver, and were so careful, and whose works are unsearchable,
18Maar die toch voor wat geld Blijven zwoegen en slaven? Hun werken vindt men niet meer,
19They are vanished and gone down to the grave, and others are come up in their steads.
19Zelf zijn ze verdwenen, neergedaald in het graf; Anderen zijn in hun plaats gekomen,
20Young men have seen light, and dwelt upon the earth: but the way of knowledge have they not known,
20Een nieuw geslacht heeft het licht aanschouwd, de aarde bewoond! Maar ook zij kenden de weg naar de wijsheid niet,
21Nor understood the paths thereof, nor laid hold of it: their children were far off from that way.
21Noch waren met haar paden vertrouwd; Ook hun zonen begrepen haar niet, En hielden zich ver van haar wegen.
22It hath not been heard of in Chanaan, neither hath it been seen in Theman.
22Nooit werd zij in Kanaän vernomen, Nooit in Teman aanschouwd.
23The Agarenes that seek wisdom upon earth, the merchants of Meran and of Theman, the authors of fables, and searchers out of understanding; none of these have known the way of wisdom, or remember her paths.
23Ook de zonen van Hagar, Die aardse schranderheid zoeken, De kooplui van Medan en Tema, Die spreuken dichten, en zo knap willen zijn, Kenden de weg naar de wijsheid niet, Noch waren vertrouwd met haar paden.
24O Israel, how great is the house of God! and how large is the place of his possession!
24Israël, hoe groot is Gods woning, hoe uitgestrekt zijn bezit,
25Great, and hath none end; high, and unmeasurable.
25Hoe groot en eindeloos, hoe hoog en onmetelijk!
26There were the giants famous from the beginning, that were of so great stature, and so expert in war.
26Daar werden de reuzen geboren, de beroemde mannen van vroeger, Hoog van gestalte, bekwaam in de strijd;
27Those did not the Lord choose, neither gave he the way of knowledge unto them:
27Maar hen heeft God niet uitverkoren, De weg der wijsheid niet geleerd:
28But they were destroyed, because they had no wisdom, and perished through their own foolishness.
28Ze gingen te gronde, omdat hun de wijsheid ontbrak, Door hun dwaasheid kwamen zij om!
29Who hath gone up into heaven, and taken her, and brought her down from the clouds?
29Wie steeg op naar de hemel, en haalde ze daar; Wie bracht ze uit de wolken omlaag;
30Who hath gone over the sea, and found her, and will bring her for pure gold?
30Wie ploegde de zee, en ontdekte haar, En verwierf haar voor het kostbaarste goud?
31No man knoweth her way, nor thinketh of her path.
31Neen, geen mens kent haar wegen, Niemand is vertrouwd met haar pad:
32But he that knoweth all things knoweth her, and hath found her out with his understanding: he that prepared the earth for evermore hath filled it with fourfooted beasts:
32Hij alleen kent ze, die alles weet; Hij heeft ze met zijn blik doorvorst. Hij, die de aarde grondde voor eeuwig, En ze met dieren heeft bevolkt;
33He that sendeth forth light, and it goeth, calleth it again, and it obeyeth him with fear.
33Die het licht uitzendt, en het gaat, Het terugroept, en het gehoorzaamt al bevend!
34The stars shined in their watches, and rejoiced: when he calleth them, they say, Here we be; and so with cheerfulness they shewed light unto him that made them.
34De sterren flonkeren op haar posten, En stralen van vreugd; Hij roept haar, ze zeggen: Hier zijn we! Ze lichten vol vreugde voor Hem, die ze schiep.
35This is our God, and there shall none other be accounted of in comparison of him
35Dat is onze God: Geen ander is aan Hem gelijk!
36He hath found out all the way of knowledge, and hath given it unto Jacob his servant, and to Israel his beloved.
36Hij heeft al de wegen der wijsheid gevonden, Haar geopenbaard aan Jakob, zijn dienaar, en Israël zijn vriend.
37Afterward did he shew himself upon earth, and conversed with men.
37Toen is zij op de aarde verschenen, En heeft met de mensen verkeerd:

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.