2Korin 7
Baibal Olcim (Matupi Chin)Translation
Baibal Olcim (Matupi Chin)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Thintlo rhoek aw olkhueh he om tangloeng ta, pumsa neh mueihla kaha tihnai boeih lamloh mah neh mah cilpoe uh sih. Pathen rhihnah dongah cimcaihnah te soep sak uh sih.
1Geliefden, laat ons, in het bezit van zulke beloften, ons reinigen van iedere smet naar lichaam en geest, en in de vreze Gods onze heiliging voltooien.
2Kaimih ham ana hoep uh. Kaimih loh ka thae sak uh moenih, ka poeih uh moenih, ka omtoem uh moenih.
2Doet wijd voor ons open! We hebben niemand verongelijkt, niemand te gronde gericht, niemand uitgebuit.
3Laipupnah ham khaw ka thui moenih. Kaimih thinko kah te ni ka thui. Te daengah ni aka duek hmaih neh aka hing hmaih la na om uh eh.
3Ik zeg dit niet, om u te veroordelen; want ik heb reeds gezegd, dat gij een plaats hebt in ons hart, in dood en in leven.
4Nangmih taengah muep ka sayalh. Nangmih yueng la hoemdamnah muep ka khueh. Thaphohnah te ka hah. Kaimih kah phacip phabaem boeih ah omngaihnah neh ka baesawt.
4Ik heb groot vertrouwen op u, veel over u te roemen; ik ben vervuld van troost, overstelpt van blijdschap bij al onze wederwaardigheden.
5Makedonia la ka pawk uh tih kaimih pumsa loh a hilhoemnah khueh pawh. Tedae rhoepsaep dongkah poeng lamkah rhalthohnah neh a khuikah rhihnah loh m'phaep uh.
5Zeker, bij onze aankomst in Macedónië had ons vlees rust noch duur, maar werden we van alle kanten benauw d: van buiten strijd, van binnen angst.
6Tedae tlayae rhoek aka hloep Pathen loh Titu kah ha lonah neh mamih n'hloep coeng.
6Maar God, de Trooster der bedrukten, troostte ons door Titus’ komst;
7A lonah bueng nen pawt tih thaphohnah nen te khaw nangmih n'hloep thil coeng. Nangmih te mueihuenah, nguekcoinah, kai soah nangmih kah kohlopnah te kaimih taengla ha puen dongah muep ka omngaih bal.
7en niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost, die hijzelf bij u had gevonden. Want hij verhaalde ons van uw verlangen, uw deernis, uw ijver voor mij. Daardoor werd ik nog veel blijder gestemd.
8Capat neh nangmih kang kothet sak mai cakhaw ka yut pawh. Ka yut mai cakhaw tekah capat loh khonoek pakhat bueng ni nangmih te ng'kothet sak eh tila ka hmuh.
8Al heb ik u ook bedroefd door mijn brief, toch spijt me dit niet. En al mocht ik er al spijt van hebben gehad, nu ik zie, dat die brief u inderdaad een tijdlang heeft bedroefd,
9Na kothet uh dongah pawt tih yutnah ham na kothet uh dongah ka omngaih coeng. Pathen kongaih la na kothet uh dongah kaimih rhangneh na sungdaeh mahpawh.
9nu verheug ik mij er over; —niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot uw inkeer. Want gij zijt bedroefd geweest, zoals God dit verlangt; dus hebben we onder geen enkel opzicht u daarmee schade berokkend.
10Pathen kongaih la kothaenah loh khangnah ham yutnah te khangmai laa saii. Tedae Diklai kah kothaenah loh dueknah a thoeng sak.
10Inderdaad de droefheid, zoals God ze verlangt, brengt bekering ter zaligheid voort, die men zich nimmer berouwt; maar de droefheid der wereld heeft de dood ten gevolge.
11Amah te long ni Pathen kongaih la khothet sak ham nangmih ah thahluenah, olthungnah, yakdamnah, rhihnah, mueihuenah, kohlopnah, kutthungnah metlam a thoeng sak te. A cungkuem dongah namah neh namah te oep uh lamtah bitat dongah a cuem la om uh.
11Ziet nu eens, hoe juist deze Gode welgevallige droefheid bij u de oorzaak werd van grote zorgzaamheid, ja van verontschuldiging zelfs, van verontwaardiging, vrees, verlangen, ijver, bestraffing. Door dit alles hebt gij het bewijs geleverd, dat gij persoonlijk rein van schuld zijt in de bekende aangelegenheid.
12Te dongah nangmih taengah kan daek van atah thaesai rhoek kongah moenih. Thaesai rhoek kongah moenih. Tedae kaimih ham na thahluenah dongah nangmih te Pathen hmaiah phoe sak ham dongah ni.
12Wanneer ik u dus daarover geschreven heb, dan was het niet om hem, die het onrecht deed, ook niet om hem die het leed, maar om u voor Gods aanschijn eens duidelijk uw grote bereidwilligheid jegens ons te doen tonen.
13Te dongah ka ngaimong uh. Tedae kaimih kah thaphohnah voelah Titu kah omngaihnah dongah muep ka omngaih uh ngai. Nangmih boeih rhangneh a mueihla tah caih coeng.
13Daarom zijn we van troost vervuld. Behalve onze eigen troost, hebben we nog veel groter vreugde gesmaakt door de blijdschap van Titus over de verkwikking, die zijn geest van u allen ondervond.
14Anih te nangmih soah bet ka pomsang akhaw yah ka poh moenih. Tedae nangmih taengah oltak la boeih ka thui uh. Te dongah kaimih kah hoemdamnah loh Titu te a thuem la a tueng sak.
14Want, zo ik bij hem op een of ander punt over u heb geroemd, dan sta ik nu niet tot schande. Integendeel ook ons roemen over u bij Titus is waarheid gebleken, zoals we u in alles de waarheid hebben gezegd.
15A kotak tah nangmih ham muep om. Anih te rhihnah, thuennah neh na doe uh dongah nangmih pum kah olngainah khaw a thoelh.
15En zijn genegenheid jegens u is nog groter geworden, nu hij zich uw aller gehoorzaamheid herinnert, en hoe gij hem met vrezen en beven ontvingt.
16Rhoepsaep dongah nangmih rhangneh ka sayalh te ka omngaih.
16Ik ben verheugd, dat ik dus onder alle opzichten gerust over u kan zijn.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.