Juges
Chapter 18
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Juges 18

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1En ce temps-là, il n’y avait point de roi en Israël; et la tribu des Danites se cherchait une possession pour s’établir, car jusqu’à ce jour il ne lui était point échu d’héritage au milieu des tribus d’Israël.
1In die dagen, toen er geen koning was in Israël, zag de stam Dan naar een erfdeel uit, om er zich te vestigen; want tot nog toe was hem geen erfbezit onder Israëls stammen ten deel gevallen.
2Les fils de Dan prirent sur eux tous, parmi leurs familles, cinq hommes vaillants, qu’ils envoyèrent de Tsorea et d’Eschthaol, pour explorer le pays et pour l’examiner. Ils leur dirent: Allez, examinez le pays. Ils arrivèrent dans la montagne d’Éphraïm jusqu’à la maison de Mica, et ils y passèrent la nuit.
2Daarom zonden de Danieten vijf van hun stamgenoten uit, de dapperste mannen van Sora en Esjtaol, om het land te doorkruisen en te verkennen met de opdracht: Gaat het land verkennen! Zo trokken ze het bergland van Efraïm in tot het huis van Mika, om er te overnachten.
3Comme ils étaient près de la maison de Mica, ils reconnurent la voix du jeune Lévite, s’approchèrent et lui dirent: Qui t’a amené ici? Que fais-tu dans ce lieu? Et qu’as-tu ici?
3Bij het huis van Mika nu hoorden ze de stem van den jeugdigen leviet. Ze gingen er heen, en vroegen hem: Wie heeft u hierheen gebracht, en wat doet ge hier; wat hebt ge hier te maken?
4Il leur répondit: Mica fait pour moi telle et telle chose, il me donne un salaire, et je lui sers de prêtre.
4Hij antwoordde hun: Mika heeft een en ander voor me gedaan; hij heeft me gehuurd, en ik ben zijn priester.
5Ils lui dirent: Consulte Dieu, afin que nous sachions si notre voyage aura du succès.
5Toen zeiden ze hem: Dan moet ge God eens raadplegen, opdat we weten, of de reis, die we ondernemen, voorspoedig zal zijn.
6Et le prêtre leur répondit: Allez en paix; le voyage que vous faites est sous le regard de l’Éternel.
6De priester zei hun: Gaat in vrede; want de reis, die ge onderneemt, is Jahweh welgevallig.
7Les cinq hommes partirent, et ils arrivèrent à Laïs. Ils virent le peuple qui y était vivant en sécurité à la manière des Sidoniens, tranquille et sans inquiétude; il n’y avait dans le pays personne qui leur fît le moindre outrage en dominant sur eux; ils étaient éloignés des Sidoniens, et ils n’avaient pas de liaison avec d’autres hommes.
7De vijf mannen gingen dus verder, en kwamen te Láisj. Ze zagen, dat de mensen, die er woonden, onbekommerd leefden naar de zeden der Sidoniërs, rustig en onbezorgd. Er was aan niets gebrek in dat land, en het had rijke bronnen van bestaan. Ook waren ze ver verwijderd van de Sidoniërs, en onderhielden geen betrekkingen met Aram.
8Ils revinrent auprès de leurs frères à Tsorea et Eschthaol, et leurs frères leur dirent: Quelle nouvelle apportez-vous?
8Toen ze dan ook bij hun broeders te Sora en Esjtaol terug kwamen, en dezen hun vroegen, hoe het gegaan was,
9Allons! Répondirent-ils, montons contre eux; car nous avons vu le pays, et voici, il est très bon. Quoi! Vous restez sans rien dire! Ne soyez point paresseux à vous mettre en marche pour aller prendre possession de ce pays.
9antwoordden zij: Vooruit, we moeten tegen hen optrekken. We hebben dat land gezien; het is voortreffelijk. Blijft nu niet werkeloos talmen, met dat land in bezit te gaan nemen!
10Quand vous y entrerez, vous arriverez vers un peuple en sécurité. Le pays est vaste, et Dieu l’a livré entre vos mains; c’est un lieu où rien ne manque de tout ce qui est sur la terre.
10Want ge komt bij een volk, dat zich in veiligheid waant, en het land biedt ruimte genoeg. Waarachtig, Jahweh heeft het u in handen gegeven; het is een plaats, waar aan niets ter wereld gebrek is.
11Six cents hommes de la famille de Dan partirent de Tsorea et d’Eschthaol, munis de leurs armes de guerre.
11Zo trokken dan zes honderd gewapende mannen van de stam Dan uit Sora en Esjtaol.
12Ils montèrent, et campèrent à Kirjath-Jearim en Juda; c’est pourquoi ce lieu, qui est derrière Kirjath-Jearim, a été appelé jusqu’à ce jour Machané-Dan.
12Ze trokken op, en legerden zich bij Kirjat-Jearim in Juda. Daarom noemt men die plaats tegenwoordig nog Machane van Dan; ze ligt ten westen van Kirjat-Jearim.
13Ils passèrent de là dans la montagne d’Éphraïm, et ils arrivèrent jusqu’à la maison de Mica.
13Vandaar gingen ze het bergland van Efraïm door, en kwamen bij het huis van Mika.
14Alors les cinq hommes qui étaient allés pour explorer le pays de Laïs prirent la parole et dirent à leurs frères: Savez-vous qu’il y a dans ces maisons-là un éphod, des théraphim, une image taillée et une image en fonte? Voyez maintenant ce que vous avez à faire.
14Toen richtten de vijf mannen, die er op uit waren getrokken, om het land Láisj te verkennen, zich tot hun broeders, en zeiden: Weet ge wel, dat daar in dat dorp een efod met terafim is en een godenbeeld? Nu moet ge zelf maar weten, wat u te doen staat.
15Ils s’approchèrent de là, entrèrent dans la maison du jeune Lévite, dans la maison de Mica, et lui demandèrent comment il se portait.
15Ze trokken er dus op af, kwamen bij het huis van den jongen leviet (het huis van Mika), en begroetten hem.
16Les six cents hommes d’entre les fils de Dan, munis de leurs armes de guerre, se tenaient à l’entrée de la porte.
16Terwijl nu de zes honderd gewapende Danieten zich bij de ingang opstelden,
17Et les cinq hommes qui étaient allés pour explorer le pays montèrent et entrèrent dans la maison; ils prirent l’image taillée, l’éphod, les théraphim, et l’image en fonte, pendant que le prêtre était à l’entrée de la porte avec les six cents hommes munis de leurs armes de guerre.
17gingen de vijf mannen, die het land waren gaan verkennen, er binnen, om het beeld, de efod en de terafim weg te nemen. De priester stond bij de deur, evenals de zes honderd gewapende mannen.
18Lorsqu’ils furent entrés dans la maison de Mica, et qu’ils eurent pris l’image taillée, l’éphod, les théraphim, et l’image en fonte, le prêtre leur dit: Que faites-vous?
18Toen nu die anderen Mika’s huis waren binnengegaan, en het beeld en de efod met de terafim wilden wegnemen, vroeg hun de priester: Wat doet ge daar?
19Ils lui répondirent: Tais-toi, mets ta main sur ta bouche, et viens avec nous; tu nous serviras de père et de prêtre. Vaut-il mieux que tu serves de prêtre à la maison d’un seul homme, ou que tu serves de prêtre à une tribu et à une famille en Israël?
19Ze antwoordden: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons mee; wees een vader en priester voor ons. Of zijt ge soms liever priester voor het huis van één man, dan priester voor een stam en een geslacht in Israël?
20Le prêtre éprouva de la joie dans son cœur; il prit l’éphod, les théraphim, et l’image taillée, et se joignit à la troupe.
20De priester stemde toe, nam efod, terafim en beeld met zich mee, en voegde zich bij het volk.
21Ils se remirent en route et partirent, en plaçant devant eux les enfants, le bétail et les bagages.
21Dit keerde nu terug en trok weg, kinderen, kudden en bagage voorop.
22Comme ils étaient déjà loin de la maison de Mica, les gens qui habitaient les maisons voisines de celle de Mica se rassemblèrent et poursuivirent les fils de Dan.
22Reeds waren ze op enige afstand van Mika’s huis gekomen, toen de mannen, die in de buurt van Mika’s huis woonden, te hoop liepen, en de Danieten achtervolgden.
23Ils appelèrent les fils de Dan, qui se retournèrent et dirent à Mica: Qu’as-tu, et que signifie ce rassemblement?
23Dezen keerden zich om, en zeiden tot Mika: Wat scheelt er aan, dat ge zo’n lawaai maakt?
24Il répondit: Mes dieux que j’avais faits, vous les avez enlevés avec le prêtre et vous êtes partis: que me reste-t-il? Comment donc pouvez-vous me dire: Qu’as-tu?
24Hij antwoordde: Mijn god, dien ik gemaakt heb, hebt ge tegelijk met mijn priester geroofd, en ge trekt er mee heen. Wat blijft mij nog over? Hoe kunt ge me dan vragen: Wat scheelt er aan?
25Les fils de Dan lui dirent: Ne fais pas entendre ta voix près de nous; sinon des hommes irrités se jetteront sur vous, et tu causeras ta perte et celle de ta maison.
25Maar de Danieten zeiden: Zet nu maar niet zo’n grote mond tegen ons op, anders zouden verbitterde mannen wel eens op u kunnen los gaan, en zoudt ge met uw huisgenoten het leven kunnen verbeuren.
26Et les fils de Dan continuèrent leur route. Mica, voyant qu’ils étaient plus forts que lui, s’en retourna et revint dans sa maison.
26Daarop trokken de Danieten verder; en Mika, die wel zag, dat ze sterker waren dan hij, keerde maar naar huis terug.
27Ils enlevèrent ainsi ce qu’avait fait Mica et emmenèrent le prêtre qui était à son service, et ils tombèrent sur Laïs, sur un peuple tranquille et en sécurité; ils le passèrent au fil de l’épée, et ils brûlèrent la ville.
27Zij namen dus het maaksel van Mika en zijn priester met zich mee, en overvielen Láisj met die rustige en onbezorgde bevolking. Ze joegen ze over de kling, en staken de stad in brand.
28Personne ne la délivra, car elle était éloignée de Sidon, et ses habitants n’avaient pas de liaison avec d’autres hommes: elle était dans la vallée qui s’étend vers Beth-Rehob. Les fils de Dan rebâtirent la ville, et y habitèrent;
28Niemand kwam het te hulp: want het lag ver van Sidon, en onderhield geen betrekkingen met Aram; het lag in de vallei Bet-Rechob. Ze bouwden de stad weer op, en gingen er wonen.
29ils l’appelèrent Dan, d’après le nom de Dan, leur père, qui était né à Israël; mais la ville s’appelait auparavant Laïs.
29Ze noemden de stad Dan, naar hun vader Dan, die een zoon van Israël was; maar vroeger heette die stad Láisj.
30Ils dressèrent pour eux l’image taillée; et Jonathan, fils de Guerschom, fils de Manassé, lui et ses fils, furent prêtres pour la tribu des Danites, jusqu’à l’époque de la captivité du pays.
30Daar richtten de Danieten voor zich het beeld op. En Jonatan, de zoon van Gersjom, den zoon van Moses, bleef met zijn zonen priester van de stam Dan tot de dag, dat het land werd ontvolkt.
31Ils établirent pour eux l’image taillée qu’avait faite Mica, pendant tout le temps que la maison de Dieu fut à Silo.
31Zo richtten ze voor zich het beeld op, dat Mika gemaakt had, en het bleef er even lang, als het huis van God te Sjilo was.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.