Genèse
Chapter 9
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Genèse 9

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dieu bénit Noé et ses fils, et leur dit: Soyez féconds, multipliez, et remplissez la terre.
1Toen zegende God Noë met zijn zonen, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, en bevolkt de aarde.
2Vous serez un sujet de crainte et d’effroi pour tout animal de la terre, pour tout oiseau du ciel, pour tout ce qui se meut sur la terre, et pour tous les poissons de la mer: ils sont livrés entre vos mains.
2Vrees en schrik voor u zal heersen bij alle dieren op de aarde en bij alle vogels in de lucht; al wat over de aarde kruipt en alle vissen in de zee zijn onderworpen aan uw macht.
3Tout ce qui se meut et qui a vie vous servira de nourriture: je vous donne tout cela comme l’herbe verte.
3Alles, wat beweegt en leeft zal u tot voedsel strekken; met het groene gewas geef Ik dit alles aan u.
4Seulement, vous ne mangerez point de chair avec son âme, avec son sang.
4Alleen het vlees, waarin de ziel nog woont, die het bloed is, moogt ge niet eten.
5Sachez-le aussi, je redemanderai le sang de vos âmes, je le redemanderai à tout animal; et je redemanderai l’âme de l’homme à l’homme, à l’homme qui est son frère.
5Maar uw eigen levensbloed zal Ik wreken; van alle dieren zal Ik het terugeisen, zowel als van de mensen; van iedereen zal Ik het leven van den evenmens terugvorderen.
6Si quelqu’un verse le sang de l’homme, par l’homme son sang sera versé; car Dieu a fait l’homme à son image.
6Wie het bloed van een mens vergiet, Diens bloed zal door mensen worden vergoten; Want als zijn beeld heeft God den mens gemaakt.
7Et vous, soyez féconds et multipliez, répandez-vous sur la terre et multipliez sur elle.
7Gij dan weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; wordt talrijk op de aarde, en bevolkt haar.
8Dieu parla encore à Noé et à ses fils avec lui, en disant:
8Daarop sprak God tot Noë en zijn zonen:
9Voici, j’établis mon alliance avec vous et avec votre postérité après vous;
9Zie, Ik zelf, Ik sluit mijn verbond met u, en met uw kroost na u,
10avec tous les êtres vivants qui sont avec vous, tant les oiseaux que le bétail et tous les animaux de la terre, soit avec tous ceux qui sont sortis de l’arche, soit avec tous les animaux de la terre.
10en met alle levende wezens, die bij u zijn: met de vogels, de viervoetige dieren en alle dieren der aarde, met al wat uit de ark is gekomen, met al wat op de aarde leeft.
11J’établis mon alliance avec vous: aucune chair ne sera plus exterminée par les eaux du déluge, et il n’y aura plus de déluge pour détruire la terre.
11Ik sluit met u mijn verbond, dat nooit meer een schepsel door de wateren van de zondvloed zal worden verdelgd, en dat er nooit meer een zondvloed zal komen om de aarde te verwoesten.
12Et Dieu dit: C’est ici le signe de l’alliance que j’établis entre moi et vous, et tous les êtres vivants qui sont avec vous, pour les générations à toujours:
12En God sprak: Dit is het teken van het verbond, Dat Ik sluit voor alle geslachten, die komen: Tussen Mij en tussen u, En alle levende wezens, die bij u zijn.
13j’ai placé mon arc dans la nue, et il servira de signe d’alliance entre moi et la terre.
13Mijn boog zet Ik in de wolken Als een teken van het verbond tussen Mij en de aarde!
14Quand j’aurai rassemblé des nuages au-dessus de la terre, l’arc paraîtra dans la nue;
14Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak, En de boog verschijnt in de wolken,
15et je me souviendrai de mon alliance entre moi et vous, et tous les êtres vivants, de toute chair, et les eaux ne deviendront plus un déluge pour détruire toute chair.
15Dan zal Ik mijn verbond gedenken Tussen Mij en u en alle levende wezens. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een zondvloed, Om alle vlees te verdelgen.
16L’arc sera dans la nue; et je le regarderai, pour me souvenir de l’alliance perpétuelle entre Dieu et tous les êtres vivants, de toute chair qui est sur la terre.
16Als de boog in de wolken staat, Zal Ik hem zien, om het eeuwig verbond te gedenken Tussen God en alle levende wezens, Alle schepselen, die op aarde zijn.
17Et Dieu dit à Noé: Tel est le signe de l’alliance que j’établis entre moi et toute chair qui est sur la terre.
17En God sprak tot Noë: Dit is het teken van het verbond, dat Ik gesloten heb tussen Mij en alle schepselen, die op aarde zijn.
18Les fils de Noé, qui sortirent de l’arche, étaient Sem, Cham et Japhet. Cham fut le père de Canaan.
18De zonen van Noë, die de ark verlieten, waren Sem, Cham en Jáfet; Cham was de vader van Kanaän.
19Ce sont là les trois fils de Noé, et c’est leur postérité qui peupla toute la terre.
19Dit waren de drie zonen van Noë, en door hen werd de hele aarde bevolkt.
20Noé commença à cultiver la terre, et planta de la vigne.
20Noë begon het land te bebouwen, en plantte een wijngaard.
21Il but du vin, s’enivra, et se découvrit au milieu de sa tente.
21Hij dronk van de wijn, werd er door bedwelmd, en lag naakt in zijn tent.
22Cham, père de Canaan, vit la nudité de son père, et il le rapporta dehors à ses deux frères.
22Toen Cham, de vader van Kanaän, de schaamte van zijn vader zag, ging hij het buiten aan zijn twee broers vertellen.
23Alors Sem et Japhet prirent le manteau, le mirent sur leurs épaules, marchèrent à reculons, et couvrirent la nudité de leur père; comme leur visage était détourné, ils ne virent point la nudité de leur père.
23Maar Sem en Jáfet haalden een mantel, legden die allebei op hun schouders, liepen achterwaarts binnen, en met afgewend gelaat bedekten ze de schaamte van hun vader, zodat ze de schaamte van hun vader niet zagen.
24Lorsque Noé se réveilla de son vin, il apprit ce que lui avait fait son fils cadet.
24Toen Noë uit zijn roes was ontwaakt, en vernam, wat zijn jongste zoon hem had gedaan,
25Et il dit: Maudit soit Canaan! Qu’il soit l’esclave des esclaves de ses frères!
25sprak hij: Vervloekt zij Kanaän, Een slaaf der slaven zal hij zijn voor zijn broeders.
26Il dit encore: Béni soit l’Éternel, Dieu de Sem, et que Canaan soit leur esclave!
26Hij sprak: Gezegend zij Jahweh, de God van Sem, Kanaän zij hem tot slaaf.
27Que Dieu étende les possessions de Japhet, qu’il habite dans les tentes de Sem, et que Canaan soit leur esclave!
27Moge God voor Jáfet ruimte maken, Dat hij wone in de tenten van Sem; Kanaän zij hem tot slaaf.
28Noé vécut, après le déluge, trois cent cinquante ans.
28Noë leefde na de zondvloed nog driehonderd vijftig jaar.
29Tous les jours de Noé furent de neuf cent cinquante ans; puis il mourut.
29Heel de levensduur van Noë was negenhonderd vijftig jaar. En hij stierf.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.