2 Maccabees 12
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1When these covenants were made, Lyslas went to the king, and the Jews gave themselves to husbandry.
1Na het afsluiten van deze verdragen keerde Lúsias naar den koning terug, en legden de Joden zich weer toe op de landbouw.
2But they that were behind, namely, Timotheus and Apollonius the son of Genneus, also Hieronymus, and Demophon, and besides them Nicanor the governor of Cyprus, would not suffer them to live in peace, and to be quiet.
2Maar enkele legeraanvoerders in die streken, als Timóteus en Apollónius, de zoon van Gennaius, Hierónymus en Démofon en verder Nikánor, de stadhouder van Cyprus, gunden hun vrede noch rust.
3The men of Joppe also were guilty of this kind of wickedness: they desired the Jews who dwelt among them to go with their wives and children into the boats, which they had prepared, as though they had no enmity to them.
3Bovendien begingen de inwoners van Jóppe de volgende misdaad: Ze nodigden de Joden uit, die bij hen woonden, om met vrouwen en kinderen plaats te nemen in een aantal gereedliggende scheepjes. Daar zij niets kwaads in het schild schenen te voeren,
4Which when they had consented to, according to the common decree of the city, suspecting nothing, because of the peace: when they were gone forth into the deep, they drowned no fewer than two hundred of them.
4maar volgens een algemeen stadsbesluit handelden, namen de Joden, die de vrede niet wilden verstoren, het zonder enige argwaan aan. Men bracht hen echter in volle zee en liet hen verdrinken; het waren minstens tweehonderd mensen!
5But as soon as Judas heard of this cruelty done to his countrymen, he commanded the men that were with him: and after having called upon God the just judge,
5Toen Judas vernam, hoe wreed zijn volksgenoten waren mishandeld, deelde hij het zijn soldaten mede,
6He came against those murderers of his brethren, and set the haven on fire in the night, burnt the boats, and slew with the sword them that escaped from the fire.
6en rukte, na God, den rechtvaardigen Rechter, te hebben aangeroepen, tegen de moordenaars van zijn broeders op. Bij nacht stak hij de haven in brand, gaf de schepen aan de vlammen prijs, en vermoordde de vluchtelingen, die daarin een schuilplaats hadden gezocht.
7And when he had done these things in this manner, he departed as if he would return again, and root out all the Joppites.
7Daar de stad zelf goed was afgesloten, trok hij af, maar vatte het plan op, terug te komen en de gehele bevolking van Jóppe te vernietigen.
8But when he understood that the men of Jamnia also designed to do in like manner to the Jews that dwelt among them,
8En toen hij hoorde, dat ook de inwoners van Jámnia iets dergelijks tegen de Joden, die daar woonden, wilden ondernemen,
9He came upon the Jamnites also by night, and set the haven on fire with the ships, so that the light of the fire was seen at Jerusalem two hundred and forty furlongs off.
9overviel hij de burgers van Jámnia bij nacht, en stak de haven met de vloot in brand. Tot in Jerusalem, dus op tweehonderd veertig stadiën afstand, zag men de vuurgloed.
10And when they were now gone from thence nine furlongs, and were marching towards Timotheus, five thousand footmen and Ave hundred horsemen of the Arabians set upon them.
10Toen zij nu negen stadiën verder waren getrokken, om de veldtocht tegen Timóteus te beginnen, werd hij aangevallen door Arabieren, die ongeveer vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters sterk waren.
11And after a hard fight, in which by the help of God they got the victory, the rest of the Arabians being overcome, besought Judas for peace, promising to give him pastures, and to assist him in other things.
11Na een verbitterd gevecht behaalden Judas en zijn mannen met Gods hulp de overwinning. De verslagen nomaden smeekten Judas om vrede, en beloofden, dat zij hen van vee zouden voorzien en hun op alle mogelijke manieren behulpzaam zijn.
12And Judas thinking that they might be profitable indeed in many things, promised them peace, and after having joined hands, they departed to their tents.
12Daar Judas van mening was, dat zij hem in veel opzichten werkelijk van nut konden zijn, bood hij hun de vrede aan. Zij gaven hem de hand er op, en trokken naar hun tenten terug.
13He also laid siege to a certain strong city, encompassed with bridges and walls, and inhabited by multitudes of different nations, the name of which is Casphin.
13Daarna viel hij een stad aan, die Kaspin heette. Deze was met aarden wallen verschanst, van ringmuren voorzien, en bewoond door verschillende heidense stammen.
14But they that were within it, trusting in the strength of the walls, and the provision of victuals, behaved in a more negligent manner, and provoked Judas with railing and blaspheming, and uttering such words as were not to be spoken.
14Daar de inwoners op de sterkte der muren en op de voorraad levensmiddelen vertrouwden, daagden zij de mannen van Juda onbeschoft uit, hoonden hen en schreeuwden hun daarenboven godslasterlijke en onbehoorlijke woorden toe.
15But Machabeus calling upon the great Lord of the world, who without any rams or engines of war threw down the walls of Jericho in the time of Josue, fiercely assaulted the walls.
15Toen riepen Judas' soldaten den machtigen Heer der wereld aan, die Jericho in de dagen van Josuë zonder stormram en oorlogswerktuigen had omvergeworpen. Met leeuwenmoed bestormden zij de muren,
16And having taken the city by the will of the Lord, he made an unspeakable slaughter, so that a pool adjoining of two furlongs broad seemed to run with the blood of the slain.
16en namen de stad in, omdat God het wilde. Zij richtten zulk een onbeschrijfelijk bloedbad aan, dat het naburige meer, dat twee stadiën breed was, met bloed scheen gevuld.
17From thence they departed seven hundred and fifty furlongs, and came to Characa to the Jews that are called Tubianites.
17Vandaar trokken zij zevenhonderd vijftig stadiën verder, en kwamen in Charaka bij de zogenaamde Toebi-Joden.
18But as for Timotheus, they found him not in those places, for before he had dispatched any thing he went back, having left a very strong garrison in a certain hold:
18Maar Timóteus troffen ze in deze streken niet aan, daar hij onverrichterzake was weggetrokken, en slechts op een bepaald punt een sterke bezetting had achtergelaten.
19But Dositheus, and Sosipater, who were captains with Machabeus, slew them that were left by Timotheus in the hold, to the number of ten thousand men.
19Daar trokken twee veldheren van den Makkabeër, Dositéus en Sosipatros nu op af, en vermoordden allen, die Timóteus in de vesting had achtergelaten; het waren meer dan tienduizend mensen.
20And Machabeus having set in order about him six thousand men, and divided them by bands, went forth against Timetheus, who had with him a hundred and twenty thousand footmen, and two thousand five hundred horsemen.
20Nu verdeelde de Makkabeër zijn troepen in twee afdelingen, stelde één ervan onder hun bevel, en trok tegen Timóteus op, die honderd twintigduizend man voetvolk en vijftienhonderd ruiters bij zich had.
21Now when Timotheus had knowledge of the coming of Judas, he sent the women and children, and the other baggage before him into a fortress, called Carnion: for it was impregnable and hard to come at, by reason of the straitness of the places.
21Zodra Timóteus Judas' opmars vernam, zond hij vrouwen en kinderen en heel de verdere bagage vooruit naar een plaats die Karnion heette; dit punt was namelijk moeilijk in te nemen en vrijwel ontoegankelijk door de enge passen langs alle kanten.
22But when the first band of Judas came in sight, the enemies were struck with fear, by the presence of God, who seeth all things, and they were put to flight one from another, so that they were often thrown down by their own companions, and wounded with the strokes of their own swords.
22Maar toen de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, werden de vijanden door de verschijning van den Alziende zó beangst en bevreesd, dat zij ijlings op de vlucht sloegen. De een rende hier- de ander daarheen, zodat zij meermalen door hun eigen mannen werden gewond en met hun puntige zwaarden doorboord.
23But Judas was vehemently earnest in punishing the profane, of whom he slew thirty thousand men.
23Maar Judas stormde ze onstuimig achterna, en stak de booswichten overhoop; dertigduizend soldaten vonden de dood.
24And Timotheus himself fell into the hands of the band of Dositheus and Sosipater, and with many prayers he besought them to let him go with his life, because he had the parents and brethren of many of the Jews, who, by his death, might happen to be deceived.
24Timóteus zelf werd door de troepen van Dositéus en Sosipatros gevangen genomen, en moest om behoud van zijn leven smeken. Daarom deed hij het heel listig voorkomen, alsof hij van sommigen de ouders en van anderen de broers in zijn macht had, en dat het die anders slecht zou vergaan.
25And when he had given his faith that he would restore them according to the agreement, they let him go without hurt, for the saving of their brethren.
25Van de andere kant beloofde en verzekerde hij uitdrukkelijk, dat hij hen ongedeerd zou uitleveren. Om dus hun broeders te redden, lieten zij hem vrij.
26Then Judas went away to Carnion, where he slew five and twenty thousand persons.
26Nu trok Judas op tegen Karnion met het tempelgebied van Atarg tis, en doodde vijf en twintig duizend man.
27And after he had put to flight and destroyed these, he removed his army to Ephron, a strong city, wherein there dwelt a multitude of divers nations: and stout young men standing upon the walls made a vigorous resistance: and in this place there were many engines of war, and a provision of darts.
27Na ze te hebben ingenomen en verwoest, rukte hij tegen de vesting Efron op, waar allerlei uitheemse troepen waren gelegerd. Sterke jonge soldaten hadden zich voor de muren opgesteld en weerden zich dapper, terwijl men daarbinnen over een grote voorraad oorlogswerktuigen en katapulten beschikte.
28But when they had invocated the Almighty, who with his power breaketh the strength of the enemies, they took the city; and slew five and twenty thousand of them that were within.
28Maar de Joden riepen den Almachtige aan, die met geweld de kracht van den vijand breekt; ze namen de stad in en doodden ongeveer twintigduizend inwoners.
29From thence they departed to Scythopolis, which lieth six hundred furlongs from Jerusalem.
29Vandaar trokken ze verder, en rukten naar de stad Skytópolis op, die zeshonderd stadiën van Jerusalem ligt.
30But the Jews that were among the Scythopolitans testifying that they were used kindly by them, and that even in the times of their adversity they had treated them with humanity:
30Maar de Joden, die daar woonden, verklaarden, dat de bewoners van Skytópolis altijd vriendelijk voor hen waren geweest en hen in de moeilijke tijden goed hadden behandeld.
31They gave them thanks exhorting them to be still friendly to their nation, and so they came to Jerusalem, the feast of the weeks being at hand.
31Zij dankten hen daarvoor en verzochten hen, ook in het vervolg die vriendschap met hun volk te bestendigen. Daarna keerden zij naar Jerusalem terug, omdat het feest der weken in aantocht was.
32And after Pentecost they marched against Gorgias the governor of Idumea.
32Na het zogenaamde Pinksterfeest rukten ze tegen Górgias, den stadhouder van Iduméa, uit.
33And he came out with three thousand footmen, and four hundred horsemen.
33Deze trok hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters.
34And when they had joined battle, it happened that a few of the Jews were slain.
34Zodra zij slaags raakten, kwamen er enige Joden te vallen.
35But Dositheus, a horseman, one of Bacenor’s band, a valiant man, took hold of Gorgias: and when he would have taken him alive, a certain horseman of the Thracians came upon him, and cut off his shoulder: and so Gorgias escaped to Maresa.
35Maar nu wist Dositéus, een van Bakénors soldaten, die een buitengewoon goed ruiter was, Górgias bij zijn mantel te grijpen. Reeds sleepte hij hem met geweld mee, daar hij dien vervloekte levend wilde gevangen nemen, toen een tracische ruiter naar hem toe rende, en hem de arm afsloeg. Zo kon Górgias naar Maresja ontsnappen.
36But when they that were with Esdrin had fought long, and were weary, Judas called upon the Lord to be their helper, and leader of the battle:
36Intussen waren de soldaten van Ésdris door het lange vechten uitgeput. Daarom smeekte Judas den Heer, hun aanvoerder en medestrijder te zijn,
37Then beginning in his own language, and singing hymns with a loud voice, he put Gorgias’ soldiers to flight.
37hief in zijn moedertaal een strijdlied aan, stormde onverwacht op de troepen van Górgias los, en joeg hen op de vlucht.
38So Judas having gathered together his army, came into the city Odollam: and when the seventh day came, they purified themselves according to the custom, and kept the sabbath in the place.
38Daarna verzamelde Judas zijn leger, en voerde het naar de stad Adoellam. En daar de zevende dag in aantocht was, heiligden zij zich, zoals door het gebruik was voorgeschreven, en brachten daar de sabbat door.
39And the day following Judas cam with his company, to take away the bodies of them that were slain, and to bury them with their kinsmen, in the sepulchres of their fathers.
39Daar het echter hoog tijd was, trokken Judas' mannen de volgende dag er op uit, om de lijken van de gesneuvelden te gaan halen, en bij hun bloedverwanten in de graven hunner vaderen bij te zetten.
40And they found under the coats of the slain some of the donaries of the idols of Jamnia, which the law forbiddeth to the Jews: so that all plainly saw, that for this cause they were slain.
40Maar nu ontdekte men onder de kleren van alle gesneuvelden amuletten van de afgoden uit Jámnia; iets wat aan de Joden door de wet was verboden. Toen werd het allen duidelijk, waarom zij waren gevallen.
41Then they all blessed the just judgment of the Lord, who had discovered the things that were hidden.
41Allen prezen den Heer, den rechtvaardigen Rechter, die het verborgene aan het licht weet te brengen.
42And so betaking themselves to prayers, they besought him, that the sin which had been committed might be forgotten. But the most valiant Judas exhorted the people to keep themselves from sin, forasmuch as they saw before their eyes what had happened, because of the sins of those that were slain.
42Daarna gingen ze bidden, en smeekten, dat deze overtreding geheel en al mocht worden vergeven. En de edele Judas vermaande het volk, zich toch van zonde vrij te houden, daar ze bij de gesneuvelden met eigen ogen de gevolgen der zonde hadden kunnen aanschouwen.
43And making a gathering, he sent twelve thousand drachms of silver to Jerusalem for sacrifice to be offered for the sins of the dead, thinking well and religiously concerning the resurrection,
43Vervolgens liet hij onder de soldaten een collecte houden, die tweeduizend drachmen opbracht. Hij zond het geld naar Jerusalem, om een offer voor de zonde te laten opdragen. Dit was een zeer goede en edele daad, daar hij aan de verrijzenis dacht.
44(For if he had not hoped that they that were slain should rise again, it would have seemed superfluous and vain to pray for the dead,)
44Want als hij niet had verwacht, dat de gesneuvelden zouden verrijzen, dan zou het nutteloos en dwaas zijn geweest, voor de doden te bidden.
45And because he considered that they who had fallen asleep with godliness, had great grace laid up for them.
45Bovendien overwoog hij, dat hun, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost.
46It is therefore a holy and wholesome thought to pray for the dead, that they may be loosed from sins.
no verse 46 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.