Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1But Machabeus, and they that were with him, by the protection of the Lord, recovered the temple and the city again.
1Daarop namen de Makkabeër en zijn aanhang met de hulp des Heren de tempel en de stad weer in bezit.
2But he threw down the altars, which the heathens had set up in the streets, as also the temples of the idols.
2Zij vernielden de altaren, die de heidenen op de markt hadden opgericht, en hun gewijde plaatsen eveneens.
3And having purified the temple, they made another altar: and taking fire out of the fiery stones, they offered sacrifices after two years, and set forth incense, and lamps, and the leaves of proposition.
3Daarna reinigden zij de tempel, en bouwden een nieuw brandofferaltaar. Uit stenen sloegen zij vonken, ontstaken het vuur, en droegen weer offers op, na een onderbreking van twee jaar. Ook zorgden zij voor het reukwerk en de lampen, en legden de toonbroden neer.
4And when they had done these things, they besought the Lord, lying prostrate on the ground, that they might no more fall into such evils; but if they should at any time sin, that they might be chastised by him more gently, and not be delivered up to barbarians and blasphemous men.
4Toen dit alles verricht was, wierpen zij zich op de grond, en smeekten den Heer, dat Hij hen niet meer tot zulk een ellende zou laten vervallen, maar hen, zo ze andermaal mochten zondigen, met mildheid zou straffen en hen nooit meer aan de godslasterlijke en barbaarse heidenen zou overleveren.
5Now upon the same day that the temple had been polluted by the strangers, on the very same day it was cleansed again, to wit, on the five and twentieth day of the month of Casleu.
5En het was heel merkwaardig, dat de tempelreiniging op dezelfde dag plaats had, waarop de tempel door de heidenen was onteerd: namelijk op de vijf en twintigste van de maand Kislew.
6And they kept eight days with joy, after the manner of the feast of the tabernacles, remembering that not long before they had kept the feast of the tabernacles when they were in the mountains, and in dens like wild beasts.
6Vol vreugde vierden zij acht dagen feest, zoals op het loofhuttenfeest. En zij dachten er aan, hoe zij dit laatste feest nog kort geleden hadden moeten vieren, toen zij als wilde dieren op de bergen en in spelonken hadden gehuisd.
7Therefore they now, carried boughs, and green branches, and palms for Him that had given them good success in cleansing his place.
7Daarom zwaaiden ze thans met klimop, groene takken en palmen, en hieven een danklied aan ter ere van Hem, die hun het geluk van de tempelreiniging had geschonken.
8And they ordained by a common statute, and decree, that all the nation of the Jews should keep those days every year.
8En zij bepaalden door een algemeen bevel en besluit, dat het gehele joodse volk deze dagen jaarlijks zou vieren.
9And this was the end of Antiochus that was called the Illustrious.
9Tweede deel. De onafhankelijkheidsoorlog onder Epifanes' opvolgers. Judas' strijd tegen de naburige volken. Dit was dus het einde van Antiochus Epifanes.
10But now we will relate the acts of Eupator the son of that wicked Antiochus, abridging the account of the evils that happened in the wars.
10In het nu volgende gaan we spreken over de gebeurtenissen onder Antiochus Eúpator, den zoon van den goddeloze, waarbij we de oorlogsrampen slechts kort zullen behandelen.
11For when he was come to the crown. he appointed over the affairs of his realm one Lysias, general of the army of Phenicia and Syria.
11Toen deze de regering overnam, benoemde hij een zekeren Lúsias, den vroegeren opperbevelhebber van Celesyrië en Fenicië, tot rijkskanselier.
12For Ptolemee that was called Macer, was determined to be strictly just to the Jews, and especially by reason of the wrong that had been done them, and to deal peaceably with them.
12Na al het onrecht, dat de Joden hadden geleden, werd nu Ptoleméus Mákron de eerste, die zijn best deed, hen rechtvaardig te behandelen en hun aangelegenheden op vreedzame wijze te regelen.
13But being accused for this to Eupator by his friends, and being oftentimes called traitor, because he had left Cyprus which Philometor had committed to him, and coming over to Antiochus the Illustrious, had revolted also from him, he put an end to his life by poison.
13Maar daarom werd hij door de hovelingen bij Eúpator aangeklaagd; bovendien noemde iedereen hem een verrader, omdat hij het eiland Cyprus, waarmee Filómetor hem had belast, in de steek had gelaten en naar Antiochus Epifanes was overgelopen. Niet meer in staat zijn ambt eervol te dragen, maakte hij een eind aan zijn leven, door zich te vergiftigen.
14But Gorgias, who was governor of the holds, taking with him the strangers, often fought against the Jews.
14Intussen was Górgias bevelhebber in die streken geworden. Hij nam huursoldaten in dienst, en hield de oorlog met de Joden voortdurend gaande.
15And the Jews that occupied the most commodious hold, received those that were driven out of Jerusalem, and attempted to make war.
15Tegelijkertijd vielen de Idumeërs, die zeer gunstig gelegen vestingen hadden, de Joden lastig. Zij namen de vluchtelingen uit Jerusalem op, en deden alles, om de oorlog voort te zetten.
16Then they that were with Machabeus, beseeching the Lord by prayers to be their helper, made a strong attack upon the strong holds of the Idumeans:
16Daarom stormden de aanhangers van den Makkabeër, na in een gemeenschappelijk gebed God te hebben gesmeekt, dat Hij hun strijdgenoot zou zijn, op de vestingen der Idumeërs af.
17And assaulting them with great force, won the holds, killed them that came in the way, and slew altogether no fewer than twenty thousand.
17Moedig vielen zij hen aan, en namen hun stellingen in; alle soldaten, die zich op de muren bevonden, sloegen zij terug en vermoordden allen, die hun in handen vielen; zo brachten zij minstens twintigduizend man om het leven.
18And whereas some were fled into very strong towers, having all manner of provision to sustain a siege,
18Een goede negenduizend man wist echter naar de beide sterke torens te vluchten, die van alles waren voorzien, wat men in geval van belegering nodig had.
19Machabeus left Simon and Joseph, and Zacheus, and them that were with them in sufficient number to besiege them, and departed to those expeditions which urged more.
19De Makkabeër liet daarom Sjimon, Josef en Zachéus met een voldoend aantal soldaten achter, om deze punten te belegeren; zelf trok hij naar plaatsen, waar men hem dringender nodig had.
20Now they that were with Simon, being led with covetousness, were persuaded For the sake of money by some that were in the towers: and taking seventy thousand didrachmas, let some of them escape.
20Maar de soldaten van Sjimon lieten zich voor geld door de bezetting der torens omkopen; zij kregen zeventigduizend drachmen, en lieten daarvoor een gedeelte van hen ontsnappen.
21But when it was told Machabeus what was done, he assembled the rulers of the people, and accused those men that they had sold their brethren for money, having let their adversaries escape.
21Zodra de Makkabeër hiervan bericht ontving, riep hij een krijgsraad bijeen, beschuldigde de verraders, dat zij hun broeders voor geld hadden verkocht en hun hadden tegengewerkt, door de vijanden te laten ontsnappen,
22So he put these traitors to death, and forthwith took the two towers.
22en liet ze terecht stellen. Daarop bestormde hij onmiddellijk de beide torens,
23And having good success in arms and in all things he took in hand, he slew more than twenty thousand in the two holds.
23en daar hij overal door wapengeluk werd begunstigd, doodde hij in beide vestingen meer dan twintigduizend man.
24But Timotheus who before had been overcome by the Jews, having called together a multitude of foreign troops, and assembled horsemen out of Asia, came as though he would take Judea by force of arms.
24Judas' strijd tegen Antiochus Eupator. a. De overwinning op den syrischen veldheer Timoteus. Timóteus die vroeger door de Joden was verslagen, verzamelde nu een groot leger buitenlandse soldaten met een aanzienlijk aantal ruiters uit Azië, en rukte aan, om Judea met wapengeweld te veroveren.
25But Machabeus and they that were with him, when he drew near, prayed to the Lord, sprinkling earth upon their heads and girding their loins with haircloth,
25Bij zijn nadering namen de Makkabeër en zijn mannen in het gebed hun toevlucht tot God. Zij strooiden as op hun hoofd, en omgordden hun lendenen met boetezakken.
26And lying prostrate at the foot of the altar, besought him to be merciful to them, and to be an enemy to their enemies, and an adversary to their adversaries, as the law saith.
26Zij wierpen zich neer aan de voet van het altaar en smeekten, dat Hij Zich over hen zou ontfermen, en Zich vijand van hun vijanden en tegenstander van hun tegenstanders zou tonen, zoals het in de wet was beloofd.
27And so after prayer taking their arms, they went forth further from the city, and when they were come very near the enemies they rested.
27Toen zij hun gebed hadden beëindigd, grepen zij naar de wapens, trokken ver van de stad weg, en maakten eerst halt, toen zij in de nabijheid van den vijand waren gekomen.
28But as soon as the sun was risen both sides joined battle: the one part having with their valour the Lord for a surety o victory and success: but the other side making their rage their leader in battle.
28Heel vroeg in de morgen viel men van beide zijden aan. Maar de ene partij had naast haar dapperheid in haar Godsvertrouwen de waarborg voor succes en overwinning, de andere werd uitsluitend door haar strijdlust geleid.
29But when they were in the heat of the engagement there appeared to the enemies from heaven five men upon horses, comely with golden bridles, conducting the Jews:
29Toen dan ook de strijd op 't heetst was gelopen, zagen de vijanden vijf schitterende ruiters uit de hemel komen, gezeten op paarden met gouden teugels. Zij stelden zich aan de spits van de Joden,
30Two of whom took Machabeus between them, and covered him on every side with their arms, and kept him safe: but cast darts and fireballs against the enemy, so that they fell down, being both confounded with blindness, and filled with trouble.
30en twee van hen namen den Makkabeër in hun midden, dekten hem met hun wapenrusting en zorgden er voor, dat hij niet gewond werd; maar op de vijanden schoten zij pijlen en bliksemschichten af, zodat deze verblind werden en in grote verwarring geraakten.
31And there were slain twenty thousand five hundred, and six hundred horsemen.
31Twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zesduizend ruiters werden over de kling gejaagd.
32But Timotheus fled into Gazara a strong hold, where Chereas was governor.
32Timóteus zelf vluchtte naar de sterke vesting Gézer, die onder bevel van Chaireas stond.
33Then Machabeus, and they that were with him, cheerfully laid siege to the fortress four days.
33Vol moed belegerden de soldaten van den Makkabeër de vesting vier dagen lang,
34But they that were within, trusting to the strength of the place, blasphemed exceedingly, and cast forth abominable words.
34terwijl de bezetting, die op de sterkte van de post vertrouwde, godslasteringen uitbraakte en goddeloze taal.
35But when the fifth day appeared, twenty young men of them that were with Machabeus, inflamed in their minds because of the blasphemy, approached manfully to the wall, and pushing forward with fierce courage got up upon it.
35Maar bij het aanbreken van de vijfde dag bestormden twintig jongemannen uit het leger van den Makkabeër, gloeiend van toorn om de godslasteringen, onverschrokken de muur, en sloegen met leeuwenmoed iedereen neer, die zich durfde verzetten.
36Moreover others also getting up after them, went to set Are to the towers and the gates, and to burn the blasphemers alive.
36Nu rukte men ook op andere punten van de omsingelde stad tegen de belegerden op, stak houtstapels aan, joeg het vuur in de torens, en liet de godslasteraars levend verbranden. Weer anderen hakten de poorten open, lieten de rest der soldaten naar binnen, en bezetten de stad.
37And having for two days together pillaged and sacked the fortress, they killed Timotheus, who was found hid in a certain place: they slew also his brother Chereas, and Apollophanes.
37Timóteus, die zich in een put had verstopt, maakten zij met zijn broer Chaireas en Apollofánes van kant. Daarna verheerlijkten zij met lofzangen en dankliederen den Heer, die zo grote dingen voor Israël gewrocht had, en hun de overwinning had geschonken.
38And when this was done, they blessed the Lord with hymns and thanksgiving, who had done great things in Israel, and given them the victory.
no verse 38 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.