1 Timothy 6
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Whosoever are servants under the yoke, let them count their masters worthy of all honour; lest the name of the Lord and his doctrine be blasphemed.
1Allen, die het slavenjuk torsen, moeten hun meesters hoogachten, opdat de naam van God en de leer niet worden gelasterd.
2But they that have believing masters, let them not despise them, because they are brethren; but serve them the rather, because they are faithful and beloved, who are partakers of the benefit. These things teach and exhort.
2Zij die gelovigen tot meesters hebben, mogen ze niet minachten, omdat ze broeders zijn; maar ze moeten hen des te beter dienen, juist omdat ze gelovigen zijn en welbeminden, die zich toeleggen op weldoen. Zó moet ge leren en vermanen.
3If any man teach otherwise, and consent not to the sound words of our Lord Jesus Christ, and to that doctrine which is according to godliness,
3Wie vreemde dingen leert, en zich niet houdt aan de gezonde prediking van onzen Heer Jesus Christus en aan de vrome leer,
4He is proud, knowing nothing, but sick about questions and strifes of words; from which arise envies, contentions, blasphemies, evil suspicions,
4is door hoogmoed beneveld. Hij begrijpt niets, maar hij is ziek van twistvragen en woordenstrijd, waaruit nijd ontstaat, twist, gelaster, boze argwaan
5Conflicts of men corrupted in mind, and who are destitute of the truth, supposing gain to be godliness.
5en voortdurend gewrijf van mensen, die geestelijk bedorven zijn en van de waarheid beroofd, en die menen, dat de godsvrucht hetzelfde is als een bron van verdiensten.
6But godliness with contentment is great gain.
6Zeker, de godsvrucht is een krachtige bron van verdiensten, zo ze gepaard gaat met tevredenheid.
7For we brought nothing into this world: and certainly we can carry nothing out.
7We hebben niets in de wereld meegebracht, omdat we er toch ook niets kunnen uitdragen.
8But having food, and wherewith to be covered, with these we are content.
8Hebben we dus voedsel en kleding, dan moeten we daarmee ook tevreden zijn.
9For they that will become rich, fall into temptation, and into the snare of the devil, and into many unprofitable and hurtful desires, which drown men into destruction and perdition.
9Zij, die echter rijk willen worden, vallen in bekoring en strik, en in vele dwaze en schandelijke begeerten, welke de mensen neerstorten in ondergang en verderf.
10For the desire of money is the root of all evils; which some coveting have erred from the faith, and have entangled themselves in many sorrows.
10Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door hieraan toe te geven, zijn sommigen afgedwaald van het geloof, en hebben zich veel stekende pijnen bereid.
11But thou, O man of God, fly these things: and pursue justice, godliness, faith, charity, patience, mildness.
11Man Gods, gij moet u daarvoor wachten! Streef liever naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, geduld en zachtmoedigheid.
12Fight the good fight of faith: lay hold on eternal life, whereunto thou art called, and hast confessed a good confession before many witnesses.
12Strijd de goede strijd van het geloof; ding naar het eeuwige leven, waartoe ge geroepen zijt, en voor vele getuigen de heerlijke belijdenis hebt afgelegd.
13I charge thee before God, who quickeneth all things, and before Christ Jesus, who gave testimony under Pontius Pilate, a good confession,
13Ik beveel u bij God, die alles ten leven verwekt, en bij Christus Jesus, die onder Póntius Pilatus de heerlijke belijdenis heeft afgelegd,
14That thou keep the commandment without spot, blameless, unto the coming of our Lord Jesus Christ,
14dat ge dit gebod zult volbrengen, vlekkeloos en onberispelijk tot aan de komst van Jesus Christus onzen Heer.
15Which in his times he shall shew who is the Blessed and only Mighty, the King of kings, and Lord of lords;
15Hem zal te zijner tijd de zalige en enige Heerser openbaren, de Koning der koningen en Heer der heren,
16Who only hath immortality, and inhabiteth light inaccessible, whom no man hath seen, nor can see: to whom be honour and empire everlasting. Amen.
16Hij die alleen de onsterfelijkheid bezit, die het ontoegankelijk licht bewoont, dien geen mens heeft gezien of kàn zien, wien de eer is en eeuwige macht. Amen!
17Charge the rich of this world not to be highminded, nor to trust in the uncertainty of riches, but in the living God, (who giveth us abundantly all things to enjoy,)
17Vermaan de rijken dezer wereld, dat ze niet trots mogen zijn; dat ze hun hoop niet stellen op wisselvallige rijkdom, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet, om er van te genieten;
18To do good, to be rich in good works, to give easily, to communicate to others,
18dat ze deugdzaam moeten zijn en rijk in goede werken, vrijgevig ook en mededeelzaam.
19To lay up in store for themselves a good foundation against the time to come, that they may lay hold on the true life.
19Dan stapelen ze zich voor de toekomst een goede grondslag op, waarop ze het eeuwig leven bereiken.
20O Timothy, keep that which is committed to thy trust, avoiding the profane novelties of words, and oppositions of knowledge falsely so called.
20Timóteus, bewaar het toevertrouwde pand. Wend u af van de profane beuzelpraat, van de twistvragen der zogenaamde Kennis,
21Which some promising, have erred concerning the faith. Grace be with thee. Amen.
21waartoe sommigen zich hebben bekend, en het spoor in het geloof zijn bijster geworden. De genade zij met u allen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.