Ruth 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Intussen had Bóoz zich naar de stadspoort begeven en was daar gaan zitten. En zie, daar kwam de losser voorbij, over wien hij gesproken had. Bóoz riep: Zeg, man, kom hier eens even zitten. En hij kwam naderbij en zette zich neer.
1Now Boaz went up to the gate and sat down there. Behold, the near kinsman of whom Boaz spoke came by. Boaz said to him, “Come over here, friend, and sit down!” He came over, and sat down.
2Daarna haalde Booz tien mannen uit de oudsten der stad, en zeide: Neemt ook gij hier even plaats. En ook zij zetten zich neer.
2Boaz took ten men of the elders of the city, and said, “Sit down here,” and they sat down.
3Nu sprak hij tot den losser: Noömi, die uit de velden van Moab is teruggekeerd, moet het stuk land van onzen bloedverwant Elimélek verkopen.
3He said to the near kinsman, “Naomi, who has come back out of the country of Moab, is selling the parcel of land, which was our brother Elimelech’s.
4Ik heb gemeend, u hiervan op de hoogte te moeten brengen en u te zeggen: Neem het over in tegenwoordigheid van hen, die hier zitten, en ten overstaan van de oudsten van mijn volk. Wilt ge de losser zijn, goed; maar wilt ge geen losser zijn, zeg het mij, dan weet ik het. Want er is geen andere losser dan gij, en ik na u. Hij antwoordde: Ik zal de losser zijn.
4I thought I should tell you, saying, ‘Buy it before those who sit here, and before the elders of my people.’ If you will redeem it, redeem it; but if you will not redeem it, then tell me, that I may know. For there is no one to redeem it besides you; and I am after you.” He said, “I will redeem it.”
5Maar Bóoz vervolgde: Wanneer gij van Noömi dit stuk land overneemt, moet ge ook Rut, de moabietische, de vrouw van den overledene nemen, om zijn naam op zijn erfdeel in stand te houden.
5Then Boaz said, “On the day you buy the field from the hand of Naomi, you must buy it also from Ruth the Moabitess, the wife of the dead, to raise up the name of the dead on his inheritance.”
6Toen zei de losser: Dan kan ik voor mij geen losser zijn; anders zou ik mijn eigen erfdeel maar schaden. Maak gij van mijn losrecht gebruik; ik kan hier geen losser zijn.
6The near kinsman said, “I can’t redeem it for myself, lest I endanger my own inheritance. Take my right of redemption for yourself; for I can’t redeem it.”
7Nu was men oudtijds in Israël bij iedere lossing en ruil gewoon, om ter bekrachtiging van wat dan ook zijn schoen uit te trekken, en hem den ander over te reiken; in Israël was dit de manier, om iets zijn beslag te geven.
7Now this was the custom in former time in Israel concerning redeeming and concerning exchanging, to confirm all things: a man took off his sandal, and gave it to his neighbor; and this was the way of formalizing transactions in Israel.
8Toen dan ook de losser tot Bóoz zeide: Neem mijn losrecht maar over, trok hij zijn schoen uit, en gaf hem die.
8So the near kinsman said to Boaz, “Buy it for yourself,” then he took off his sandal.
9Daarop sprak Bóoz tot de oudsten en heel het volk: Gij zijt thans getuigen, dat ik van Noömi overneem al wat Elimélek, Kiljon en Machlon heeft toebehoord.
9Boaz said to the elders and to all the people, “You are witnesses today, that I have bought all that was Elimelech’s, and all that was Chilion’s and Mahlon’s, from the hand of Naomi.
10En ook Rut, de moabietische, de vrouw van Machlon, neem ik als vrouw, opdat de naam van den overledene op zijn erfdeel kan blijven voortbestaan, en niet verloren ga bij zijn bloedverwanten en stadgenoten. Gij zijt er thans de getuigen van.
10Moreover, Ruth the Moabitess, the wife of Mahlon, I have purchased to be my wife, to raise up the name of the dead on his inheritance, that the name of the dead may not be cut off from among his brothers and from the gate of his place. You are witnesses today.”
11En al het volk bij de poort en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen! Jahweh make de vrouw, die uw huis binnengaat, als Rachel en Lea, die tezamen het huis van Israël hebben gebouwd. Word machtig in Efrata, en in Betlehem beroemd.
11All the people who were in the gate, and the elders, said, “We are witnesses. May the LORD make the woman who has come into your house like Rachel and like Leah, which both built the house of Israel; and treat you worthily in Ephrathah, and be famous in Bethlehem.
12Als het huis van Fáres, die Tamar aan Juda gebaard heeft, worde uw huis door het kroost, dat Jahweh u schenken zal bij deze jonge vrouw.
12Let your house be like the house of Perez, whom Tamar bore to Judah, of the offspring which the LORD will give you by this young woman.”
13Zo nam Bóoz Rut tot zijn vrouw. En toen hij zich met haar had verenigd, verleende Jahweh haar zwangerschap, en ze baarde een zoon.
13So Boaz took Ruth and she became his wife; and he went in to her, and the LORD enabled her to conceive, and she bore a son.
14Toen zeiden de vrouwen tot Noömi: Gezegend zij Jahweh, die u thans een losser schenkt. Zijn naam zal genoemd worden in Israël!
14The women said to Naomi, “Blessed be the LORD, who has not left you today without a near kinsman. Let his name be famous in Israel.
15Hij zal u weer jong maken en uw ouderdom steunen; want uw schoondochter, die u liefheeft, en die u beter is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.
15He shall be to you a restorer of life and sustain you in your old age; for your daughter-in-law, who loves you, who is better to you than seven sons, has given birth to him.”
16Toen nam Noömi het kind, legde het aan haar boezem en verzorgde het.
16Naomi took the child, laid him in her bosom, and became nurse to him.
17En de buren gaven het een naam en zeiden: Noömi heeft een zoon gekregen. En ze noemden hem Obed. Hij werd de vader van Jesse, den vader van David.
17The women, her neighbors, gave him a name, saying, “A son is born to Naomi”. They named him Obed. He is the father of Jesse, the father of David.
18Dit is de geslachtslijst van Fáres. Fáres was de vader van Esron,
18Now this is the history of the generations of Perez: Perez became the father of Hezron,
19Esron van Aram, Aram van Amminadab.
19and Hezron became the father of Ram, and Ram became the father of Amminadab,
20Amminadab van Naässon, Naässon van Salmon,
20and Amminadab became the father of Nahshon, and Nahshon became the father of Salmon,
21Salmon van Bóoz, Bóoz van Obed,
21and Salmon became the father of Boaz, and Boaz became the father of Obed,
22Obed van Jesse, Jesse de vader van David.
22and Obed became the father of Jesse, and Jesse became the father of David.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.