Apokalyps 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Schrijf aan den engel der kerk te Sardes. Dit zegt Hij, die de zeven geesten Gods en de zeven sterren heeft: Ik ken uw werken; ge hebt de naam, dat ge leeft, maar ge zijt dood.
1INTIN won tounlan en momodijou en Jardej: let majan en me Nen en Kot iju o uju iju mi re a: I aja om wiawia kan, o me mar en maur mi re om, a jo, koe melar.
2Word wakker, en geef steun aan de rest, die op ‘t punt van sterven staat. Want Ik heb uw werken niet volmaakt bevonden voor het aanschijn van mijn God.
2Pirida, katene me lua, me nok mela, pwe I jota diaradar, me om wiawia kan unjokela ren ai Kot.
3Herinner u dus, hoe ge ontvangen hebt en geluisterd; onderhoud het, en kom tot inkeer. Zo ge dus niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en ge zult niet weten, op wat uur Ik u zal overvallen.
3I me koe en tamanda, duen koe tunoler, o roner, o kanekid, o kalula. Ma koe jota pan pirida, I pan pwarado due lipirap amen, o koe pan jaja auer, me I pan pwara don uk.
4Toch hebt ge in Sardes er enkelen, die hun klederen niet hebben besmet; met Mij zullen ze wandelen in het wit gekleed, omdat ze daartoe waardig zijn.
4A mar malaulau mi re om nan Jardej, me jota kapwelepwel lar ar likau kan, re pan alialu re i nan likau puetepuet, pwe re kon on.
5Wie overwint, zal dus in witte klederen worden gehuld; zijn naam zal Ik niet uitwissen uit het boek des levens, maar zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.
5Me dadaurata, pan kapwad kida likau puetepuet, o I jota pan irije jan nan puk en maur mar a. O I pan kadede mar a mon Jam ni o mon na tounlan kan.
6Wie oren heeft, die hore wat de Geest zegt tot de kerken.
6Me jalon a mia en ron, me Nen o majani on momodijou kan!
7Schrijf aan den engel der kerk te Filadélfia. Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Hij die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand zal sluiten; Die sluit, en niemand zal openen:
7Intin won tounlan en momodijou en Piladelpia: let majan en me jaraui, me melel, me men kapir en Dawid mi re a, me kin ritinida, o jota amen, me kak ritinidi, o me kin ritinidi, o jota amen, me kak ritinida.
8Ik ken uw werken! Zie, Ik heb bij u een deur opengezet, die niemand kan sluiten. Want wel hebt ge slechts geringe kracht, maar mijn woord hebt ge bewaard, en mijn Naam niet verloochend.
8I aja om wiawia kan. Kilan, I ki on uk er wanim ritidar eu o jota amen, me kak ritinidi, pwe om kel me tikitik, o koe kin Kanekid ai majan, o koe jota kamam kidar mar ai.
9Zie, Ik breng lieden van de synagoge van Satan, die zeggen, dat ze Joden zijn: —toch zijn ze het niet, maar ze liegen; —zie, Ik zal ze tot u doen komen, ze doen neervallen aan uw voeten, en ze doen weten, dat Ik u liefhad.
9Kilan, I kanain kin uk akai, me udan pwin en Jatan, kijan irail, me akajuj, a jo, re likam. Kilan, I pan kainon ir do, en poni ni na om, o ren aja, me I kin pok on uk.
10Omdat gij mijn bevel tot volharding bewaard hebt, zal Ik ook u in het uur der beproeving bewaren, dat over de hele wereld zal slaan, en hen zal beproeven, die de aarde bewonen.
10Aki om kanekid ai majan en kanonama, I pil pan kanekid uk ni auer en kajonejon, me pan udon toun jappa karoj, en kajonejon irail, me kaujon jappa.
11Ik kom spoedig! Houd vast wat ge hebt, opdat niemand u berooft van de kroon.
11I pan pwarado madan. Kolekol, me koe anekier, pwe jota amen en kulia jan mar om.
12Wie overwint, zal Ik maken tot een zuil in het huis van mijn God, en nooit zal hij er uitgaan; en Ik zal daarop schrijven de Naam van mijn God, —en de Naam van de Stad van mijn God, van het Nieuw-Jerusalem, dat neerdaalt van mijn God uit de hemel, —en bovendien mijn nieuwe Naam.
12Me dadaurata, I pan wiaki i ur eu nan tanpaj en ai Kot, o a jolar pan pedoi jan kokolata. I pan intin po a mar en ai Kot, o ad en kanim en ai Kot, Ierujalem kap, me peidido jan ai Kot nanlan o mar ai kap.
13Wie oren heeft, die hore wat de Geest zegt tot de kerken.
13Me jalon a mia, en ron, me Nen o majani on momodijou kan!
14Schrijf aan den en el der kerk te Laodicea. Dit zegt “Amen”, de trouwe en waarachtige Getuige, de Aanvang van de schepping Gods:
14Intin won tounlan en momodijou en Laodijea: let majan en me maraneki Amen, me jaunkadede lelapok melel, me tapin dodok en Kot.
15Ik ken uw werken, en weet, dat ge koud zijt noch warm. Och, waart ge maar koud of warm!
15I aja om wiawia kan, koe jota karakar o pil jota lamelamur. i men, koe en lamelamur de karakar!
16Omdat ge lauw zijt, warm noch koud, daarom zal Ik u uitspuwen uit mijn mond.
16Ari, koe me lou, a kaidin karakar de lamelamur, I ap pan muj kin uk wei jan nan au ai.
17Ge zegt: Ik ben rijk, ik heb overvloed en heb behoefte aan niets; daarom beseft ge ook niet, dat ge ellendig zijt en erbarmelijk, arm, blind en naakt.
17Pwe koe inda: Nai kapwapwa, i anekier kapwa kan, o i jota kin anane meakot, ap jaja, me koe jakanekan, o jo konekon, o jamama, o majkun, o kilijo.
18Ik raad u aan, om goud van Mij te kopen door vuur gelouterd, opdat ge rijk moogt worden; en witte klederen, om ze aan te trekken, opdat de schande uwer naaktheid niet aan de dag zal komen; en zalf, om uw ogen te zalven, opdat ge moogt zien.
18I panaui uk, koe en neti jan ia kold linan, aki kijiniai, pwe koe en kapwapwala, o likau puetepuet, pwe koe en likauie uk, o kanamenok pan om kilijo der janjal, o wini en maj o, men elieliki maj om, en kilan waja.
19Ik bestraf en tuchtig al, die Ik liefheb. Doe dus uw best en bekeer u.
19I kin kapun on o kaloke karoj, me I pokepoke. Koe nantion kaula!
20Zie, Ik sta aan de deur en klop; wanneer iemand luistert naar mijn stem en de deur zal ontsluiten, dan zal Ik bij hem binnenkomen, de maaltijd met hem houden, en hij met Mij.
20Kilan, I kin u pan wanim o letelet. Meamen pan ron nil ai, ap ritinida wanim o, I pan pedelon re a, ap ian i mot on raj jaraui, o a ian ia.
21Wie overwint, zal Ik naast Mij op mijn troon doen zitten, zoals Ik zelf heb overwonnen, en met mijn Vader op zijn troon ben gezeten.
21Me dadaurata, I pan ki on i, en ian, ia mondi pon mol ai, dueta nai pil dadaurata, ap ian Jam ai mondi pon mol a.
22Wie oren heeft, hore wat de Geest zegt tot de kerken.
22Me jalon a mia, i en ron, me Nen o majani on momodijou kan!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.