Marcus 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Nog sprak Hij tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: Daar zijn er onder de hier aanwezigen, die de dood niet zullen smaken, voordat ze het koninkrijk Gods hebben zien komen in kracht.
1YA ilegña nu sija: Magajet jusangane jamyo, na guaja palo sija ni mangaegue güine na ti ujaguaeya finatae, asta que jalie y raenon Yuus na mato yan ninasiña.
2Zes dagen later nam Jesus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee, en bracht ze heel afzonderlijk op een hoge berg. En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.
2Anae esta malofan y sais na jaane, si Jesus jacone si Pedro, yan si Santiago, yan si Juan, janafañajnge sijaja gui un taquilo na ogso; ya jaago güe gui menanñija.
3Zijn klederen werden blinkend en wit, zoals geen bleker op aarde ze wit kan maken.
3Ya y magaguña manmañila, gosapaca calang niebe, taya ni un fafagas gui tano siña munaapaca taegüine.
4Elias en Moses verschenen hun, en spraken met Jesus.
4Ya manalie na mato guiya güiya si Elias yan Moises, na manguecuentos yan si Jesus.
5Toen nam Petrus het woord, en zei tot Jesus: Rabbi, het is ons goed, hier te zijn; laat ons drie tenten opslaan, één voor U, één voor Moses, en één voor Elias.
5Ayo nae manope si Pedro, ilegña as Jesus: Maestro mauleg utafañagajit güine, ya tafanmamatinas tres tabetnáculo; para jago y uno, para si Moises y otro, yan para si Elias y otro.
6Hij wist niet goed wat hij zeide; want ze waren met schrik bevangen.
6Si ti jatungo jafa usangan, sa estaba mangosmaañao.
7Nu kwam er een wolk, die hen overschaduwde, en uit de wolk klonk een stem: Deze is mijn geliefde Zoon, luistert naar Hem!
7Ya mato un mapagajes y manjineme sija, ya un inagang gui mapagajes, ilegña: Este y güinaeyaco na Lajijo, jingog güe.
8Op hetzelfde ogenblik keken ze rond, maar zagen niemand meer bij zich dan Jesus alleen.
8Ya derepente jaatan gui oriyañija, ti manmanlie ni jaye, na si Jesusja yan sija.
9En terwijl ze afdaalden van de berg, verbood Hij hun, aan iemand te vertellen wat ze hadden gezien, voordat de Mensenzoon van de doden was opgestaan.
9Ya anae manunog sija guine y egso, jaencatga sija na chañija sumangangane ni jaye ni liniiñija, asta que y Lajin taotao esta cajulo guine entalo y manmatae.
10Ze hielden zich aan dat woord. Toch vroegen ze onder elkander, wat het beduidde: op te staan van de doden.
10Ya sija jaadaje ayo na sinangan guiya sijaja, manafaesen gui entaloñija: Jafa ayo y cajulo guine entalo y manmatae cumequeilegña.
11Ze ondervroegen Hem dus: Waarom zeggen de farizeën en schriftgeleerden dan, dat eerst Elias komen moet?
11Ya mafaesen güe, ilegñija: Y escriba sija ilegñija, si Elias nesesita ufato finenana.
12Hij gaf hun ten antwoord: Zeker, Elias komt ook eerst, om alles te herstellen. Maar hoe staat er over den Mensenzoon geschreven? Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden.
12Güiya manope ilegña nu sija: Si Elias magajet nesesita ufato finenana, ya jafatinas talo todo y güinaja: Jafa esta matugue gui Lajin taotao na upadese megae ya manataya guaelayeña?
13En Ik zeg u: Elias is reeds gekomen; maar ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, gelijk van hem geschreven staat.
13Lao jusangane jamyo na si Elias esta mato ya esta mafatinas guiya güiya todo y malagoñija, taegüine esta matugue nu güiya.
14Toen zij nu bij de andere leerlingen kwamen, zagen zij hen omringd van een talrijke schare, en van schriftgeleerden, die met hen twistten.
14Ya anae mato gui disipuluña sija, jalie un dangculon linajyan taotao gui oriyañija, yan y escriba sija ni manafaesen yan sija.
15Zodra het volk Hem zag, liep het verbaasd naar Hem toe, om Hem te begroeten.
15Ya enseguidas todo y linajyan taotao, anae malie güe, ninafangosmanman, ya manmalago guato guiya güiya ya masaluda güe.
16Hij vroeg hun: Waarom twist gij met hen?
16Ya jafaesen sija, ilegña! Jafana manafaesen jamyo yan sija?
17Een uit de menigte antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die van een stommen geest is bezeten.
17Ya manope uno gui linajyan taotao, ilegña: Maestro juconie jao mague na lajijo, na guaja un espiritun udo;
18Wanneer hij hem aangrijpt, dan werpt hij hem neer; dan schuimbekt hij, knarst met de tanden, en verstijft. Ik heb uw leerlingen verzocht, hem uit te drijven: maar ze konden het niet.
18Ya manoja nae quinene güe, japedadasos; ya bóboan, ya janachechegcheg y nifenña, ya ninayafae; ya jusangane y disipulumo sija, na ujayute juyong, lao ti manasiña.
19Hij antwoordde hun: O ongelovig geslacht, hoelang nog zal Ik bij u zijn, hoelang nog zal Ik u dulden? Brengt hem hier bij Mij!
19Manope güe, ilegña nu sija: O generasion ni ti manjonggue! asta ngaean nae utafanjijitaja? asta ngaean nae jususungonja jamyo? maelayofan mague.
20Ze brachten hem. Zodra de geest Hem zag, deed hij den knaap de stuipen krijgen; hij viel op de grond, en wentelde zich schuimbekkend rond.
20Ya maconie guato guiya güiya; ya anae jalie, enseguidas y espiritu manlálaolao güe; ya güiya podong gui jilo oda gumagalileg ya bóboan.
21Hij vroeg aan zijn vader: Hoe lang heeft hij dit al, dat hem dit overkomt? Deze zeide: Van kindsbeen af;
21Ya jafaesen y tataña; cuanto tiempo esta desde qui mato este guiya güiya? Güiya ilegña: Desde qui diquique:
22dikwijls werpt hij hem in het vuur of in het water om hem te doden. Ach, indien het U mogelijk is, help ons dan, uit medelijden met ons.
22Ya megae na biaje nae yinite gui jalom guafe, yan y jalom janom para upinino; lao yaguin siña jao ayudajam, gaemaase nu jame.
23Jesus sprak tot hem: Hoe; indien het U mogelijk is? Alles is mogelijk voor hem die gelooft.
23Si Jesus, ilegña nu güiya: Yaguin siña jao, todo siña para y manjonggue.
24Aanstonds riep de vader van den knaap onder tranen uit: Ik geloof; kom mijn ongeloof te hulp.
24Enseguidas y tatan y patgon, jaagang yan y lagoña, ya elegña: Jujonggue; ayuda y taejinenggueco.
25En daar Jesus zag, dat het volk tezamen liep, gebood Hij den onreinen geest, en zeide hem: Stomme en dove geest, Ik gebied u, ga van hem uit, en keer niet meer bij hem terug.
25Ya anae si Jesus jalie na manmalalago y linajyan taotao, jalalatde y áplacha na espiritu, ilegña: Espiritun udo yan tanga, guajo jao tumago, juyong guiya güiya, ya chamo jumajalom talo guiya güiya.
26Schreeuwend en onder hevige stuiptrekkingen ging hij van hem uit; de knaap zag er uit als een lijk, zodat velen zeiden, dat hij gestorven was.
26Ayo nae y espiritu umagang, ya manlalaolao güe megae, ya jumuyong; ya güiya sumaga calang matae, enaomina megae ilegñija, na esta matae.
27Maar Jesus vatte hem bij de hand, en richtte hem op; en hij stond overeind.
27Lao si Jesus jamantiene canaeña, ya jinatsa güe; ya cajulo.
28Toen Hij thuis was gekomen, vroegen zijn leerlingen Hem, terwijl zij alleen waren: Waarom konden wij hem niet uitdrijven?
28Ya anae jumalom güe gui jalom guma, y disipuluña sija mafaesen güe en secreto, ilegñija: Jafajam na ti innasiña yumute juyong?
29Hij zei hun: Dit soort kan alleen met gebed worden uitgedreven.
29Ya ilegña nu sija: Este na rasan anite sija, taya siña munajanao, na y tinayuyut.
30Zij vertrokken vandaar, en reisden Galilea door. Maar Hij wilde niet, dat iemand het wist;
30Ya manmapos güije, manmalofan inanaco Galilea; ya ti malago na guaja utiningo güe.
31want Hij onderrichtte zijn leerlingen. Hij sprak tot hen: De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen; ze zullen Hem doden, maar na zijn dood zal Hij de derde dag verrijzen.
31Sa jafanagüe y disipuluña sija ya ilegña nu sija: Y Lajin taotao umaentrega gui canae taotao sija, ya umapuno; lao yaguin este matae, ucajulo talo despues di tres na jaane.
32Ze begrepen dit niet: toch durfden ze Hem niet ondervragen.
32Lao sija ti jatungo este na sinangan, ya manmaañao na ujafaesen güe.
33Zij kwamen te Kafárnaum terug. En thuis gekomen, vroeg Hij hun: Waarover hebt gij onderweg gesproken?
33Ya mato guiya Capernaum; ya anae mato gui guima, jafaesen sija: Jafa jamyo na manafaesen entalomiyoja gui chalan?
34Ze zwegen; want ze hadden onderweg met elkander getwist, wie de grootste zou zijn.
34Lao sija manmamatquiquiloja; sa guine manafaesen gui chalan uno y otro, jaye guiya sija udangculo.
35Hij zette Zich neer, riep de twaalf, en sprak tot hen: Zo iemand de eerste wil zijn, dan moet hij de laatste van allen zijn, en de dienaar van allen.
35Ayo nae manmatachong, ya jaagang y dose ya ilegña nu sija: Y malago fuminenana, uuttimon gui tododos, yan utentagon tododos.
36Nu nam Hij een kind, plaatste het in hun midden, omhelsde het, en zei hun:
36Ya jacone un patgon, ya japolo gui entaloñija; ya jajogüe gui canaeña, ya ilegña nu sija:
37Wie een van zulke kinderen opneemt in mijn Naam, hij neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Mij niet op, maar Hem die Mij gezonden heeft.
37Y rumesibe pot y naanjo uno ni manaegüine na famaguon, jaresibe yo, ya y rumesibe yo, ti guajo jaresibe, na y tumago yo.
38Johannes zeide tot Hem: Meester, we hebben iemand, die ons niet volgt, duivels zien uitdrijven in uw Naam; we hebben het hem verboden, omdat hij zich niet bij ons aansluit.
38Si Juan, ilegña nu güiya: Maestro, inlie uno na manyute juyong anite sija pot y naanmo, ya inchema, sa ti jadadalalagjit.
39Maar Jesus sprak: Verbiedt het hem niet; want er is niemand, die een wonder verricht in mijn Naam, en onmiddellijk daarop Mij kan honen.
39Ya si Jesus ilegña: Chamiyo chumochoma; sa ni uno ni fumatinas milagro pot y naanjo, siña gusisija jasangan taelaye guiya guajo.
40Wie niet tegen ons is, hij is voor ons.
40Sa ayo y ti contra jita, manjijitaja.
41En wie u een beker water te drinken geeft, juist omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: Hij zal zijn loon niet missen.
41Sa jayeja y numae jamyo un copan janom, sa iyon Cristo jamyo, magajet jusangane jamyo, na sen ti ufalingo y apasña.
42Wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij zo in de zee werd geworpen.
42Ya jayeja y ninaquepodong uno guine sija gui mandiquique ni jumonggue yo; mauleg para güiya, umagode gui agagaña un acho atutong, ya umayute gui jalom tase.
43Zo uw hand u ergert, houw ze af. Het is beter, verminkt het Leven binnen te gaan, dan met twee handen naar de hel te gaan, naar het onuitblusbaar vuur,
43Lao yaguin y canaemo ninaquepodong jao, utut; maulegña na unjalom gui linâlâ mangco, qui uguaja dos canaemo, ya unjanao para sasalaguan, y guafe ni ti siña mapuno.
no verse 44 in this text
44(Anae y iloñija ti ufanmatae; ya y guafe taejinecog nae umapuno.)
45En zo uw voet u ergert, houw hem af. Het is beter, kreupel het Leven binnen te gaan, dan met beide voeten in de hel te worden geworpen, in het onuitblusbaar vuur,
45Ya yaguin y adengmo ninaquepodong jao, utut: maulegña na unjalom gui linâlâ cojo, qui uguaja dos adengmo ya unyenite para sasalaguan;
46waar hun worm niet sterft, en het vuur niet gedoofd wordt.
46(Anae y iloñija ti ufanmatae, ya y guafe taejinecog nae umapuno.)
47En zo uw oog u ergert, ruk het uit. Het is beter met één enkel oog het koninkrijk Gods binnen te gaan, dan met twee ogen in de hel te worden geworpen,
47Ya yaguin y atadogmo ninaquepodong jao, lagnos; maulegña na unjalom gui raenon Yuus, yan un atadogja, qui uguaja dos atadogmo ya unyenite para sasalaguan.
48waar hun worm niet sterft, en het vuur niet gedoofd wordt.
48(Anae y iloñija ti ufanmatae, ya y guafe taejinecog na umapuno.)
49Allen moeten inderdaad met vuur worden gezouten.
49Sa todos ufanmaasne yan guafe; (ya todo y inefrese ufanmaasne yan asiga).
50Het zout is goed: als echter het zout smakeloos wordt, waar zult gij het dan mee zouten? Behoudt het zout in u, en leeft in vrede onder elkander.
50Mauleg y asiga; lao yaguin y asiga malingo y maasenña, jaftaemano numamaasen? Guaja asiganmiyo guiya jamyoja; yan guaja pas gui entalomiyo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.