Jeremia
Chapter 41
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bible Mutal (Kosra…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Zo kwam Jisjmaël, de zoon van Netanja, zoon van Elisjama, die van koninklijke bloede was en tot de koninklijke aanvoerders had behoord, in de zevende maand met tien mannen naar Gedaljáhoe, den zoon van Achikam, die zich te Mispa bevond. En terwijl ze daar in Mispa tezamen aan tafel zaten,
1Ke malem akitkosr in yac sac, Ishmael, wen natul Nethaniah ac nutin natul Elishama, su sie sin mwet in sou in leum ac sie mwet fulat lun tokosra, el som nu Mizpah. El us mukul singoul welul in tuh osun nu sel Governor Gedaliah. Ke elos nukewa tukeni mongo,
2sprongen Jisjmaël, de zoon van Netanja, en de tien mannen, die hem vergezelden, overeind, en staken Gedaljáhoe, den zoon van Achikam, zoon van Sjafan, aan het zwaard. Zo vermoordde Jisjmaël den landvoogd van den koning van Babel.
2na Ishmael ac mukul singoul ma welul, fwauk cutlass natulos ac unilya Gedaliah.
3Bovendien doodde hij al de Judeërs, die bij Gedaljáhoe te Mispa waren, en de Chaldeeuwse soldaten, die zich eveneens daar bevonden.
3Ishmael el oayapa onela mwet Israel nukewa su welul Gedaliah muta Mizpah, wi mwet mweun lun Babylonia ma oasr we in pacl sac.
4Daags na de moord op Gedaljáhoe, en toen niemand er nog iets van wist,
4Len se toko ah, meet liki kutena mwet etauk lah Gedaliah el anwuki,
5kwamen er tachtig mannen uit Sikem, Sjilo en Samaria aan, die zich de baard hadden afgeschoren, de kleren gescheurd en verwondingen toegebracht; ze droegen offergaven en wierook met zich mee, om ze naar de tempel van Jahweh te brengen.
5mwet oalngoul tuku Shechem, Shiloh, ac Samaria me. Elos tuh resaela altalos, seseya nuknuk lalos, ac sipik manolos. Elos utuk wheat ac mwe keng in tuh kisakin in Tempul.
6Jisjmaël, de zoon van Netanja, ging ze al wenend uit Mispa tegemoet, en toen hij bij hen was, zeide hij hun:
6Na Ishmael el illa liki Mizpah in sonolos, ac ke el fahsr el tung. Ke el sonolos el fahk, “Nunak munas, fahsru liyal Gedaliah.”
7Komt even bij Gedaljáhoe aan, den zoon van Achikam! Maar nauwelijks waren ze in de stad gekomen, of Jisjmaël, de zoon van Netanja, met de mannen die bij hem waren, slachtten ze af, en wierpen ze in de put.
7Ke pacl se na elos ilyak nu in siti uh, Ishmael ac mwet lal elos onelosi ac siselosyang nu in lufin kof se.
8Maar tien van die mannen riepen Jisjmaël toe: Dood ons niet; want wij hebben in het veld geheime voorraden van koren, gerst, olie en honing. Daarom liet hij ze ongemoeid, en vermoordde ze niet met de anderen.
8Tusruktu oasr mwet singoul sin u sac su fahk nu sel Ishmael, “Nunak munas, nimet unikuti! Oasr wheat, barley, oil in olive, ac honey kut okanla in ima ah.” Ke ma inge el tia onelosi.
9De put, waarin Jisjmaël al de lijken van de mannen liet werpen, die hij vermoord had, was de grote put, die koning Asa had laten graven bij zijn strijd tegen Basja, den koning van Israël; die vulde Jisjmaël, de zoon van Netanjáhoe, met de lijken.
9Lufin kof se ma Ishmael el sisang monin mwet ma el uniya nu loac ah, pa lufin kof lulap se ma Tokosra Asa el tuh pukanak ke pacl se Tokosra Baasha lun Israel el mweun lainul. Ishmael el nwakla lufin kof sac ke mano misa inge.
10Daarna voerde Jisjmaël heel de rest der bevolking van Mispa weg, met de dochters van den koning en al het volk dat zich in Mispa had gevestigd, en die Neboe-Zaradan, het hoofd van de lijfwacht, aan Gedaljáhoe, den zoon van Achikam, had toevertrouwd; hij trok op, om naar de Ammonieten over te lopen.
10Na el kapriya pac acn nutin tokosra ac mwet saya nukewa in acn Mizpah, su captain fulat Nebuzaradan el tuh fililya Gedaliah elan karingnalosyang. Ishmael el eisalos mwet sruoh ac mukuiyak nu in facl lun mwet Ammon.
11Toen Jochanan, de zoon van Karéach, en al de legeroversten die bij hem waren, hoorden wat al onheil Jisjmaël, de zoon van Netanja, had gesticht,
11Johanan ac mwet kol nukewa lun un mwet mweun ma welul elos lohng ke akmas ma Ishmael el oru.
12riepen ze al hun mannen bijeen, en rukten uit, om tegen Jisjmaël, den zoon van Netanja, te gaan vechten. Ze stieten op hem bij de grote vijver van Gibon.
12Ouinge elos us mwet mweun lalos ac ukwal nwe ke elos sonol apkuran nu ke lulu in kof na yohk se in acn Gibeon.
13Al het volk, dat bij Jisjmaël was, verheugde zich, toen ze Jochanan, den zoon van Karéach, zagen met al de legeroversten, die bij hem waren;
13Ke mwet nukewa ma sruoh sel Ishmael elos liyalak Johanan ac mwet kol lun un mwet mweun ma welul, elos enganak,
14en al het volk, dat Jisjmaël uit Mispa had weggevoerd, liep over en voegde zich weer bij Jochanan, den zoon van Karéach.
14ac forla ac kasrusr nu yorolos.
15Jisjmaël zelf, de zoon van Netanja, wist met acht mannen Jochanan te ontsnappen, en week naar de Ammonieten uit.
15Tusruktu Ishmael ac oalkosr sin mwet lal kaingla lukel Johanan, ac som nu in acn sin mwet Ammon.
16Nu verzamelde Jochanan, de zoon van Karéach, met al de legeroversten die bij hem waren, de hele rest der bevolking, die Jisjmaël, de zoon van Netanja, uit Mispa had weggevoerd, nadat hij Gedalja, den zoon van Achikam, had vermoord, maar die Jochanan uit Gibon had teruggebracht: mannen en weerbare lieden, vrouwen, kinderen en eunuchen.
16Na Johanan ac mwet kol lun un mwet mweun su welul, elos eis mwet mweun, mutan, tulik ac mwet eunuch su Ishmael el tuh usla liki acn Mizpah tukun el unilya Gedaliah.
17Ze trokken weg, en maakten eerst halt in Geroet-Kimham bij Betlehem, om voor de Chaldeën naar Egypte te vluchten.
17Na elos som nu Geruth Chimham, apkuran nu Bethlehem, ac akoo in mukuiyak som nu Egypt
18Want ze waren bang voor hen, omdat Jisjmaël, de zoon van Netanja, Gedaljáhoe, den zoon van Achikam, had vermoord, dien de koning van Babel tot landvoogd had aangesteld.
18ke sripen elos sangeng sin mwet Babylonia, mweyen Ishmael el tuh unilya Gedaliah, mwet se tokosra lun Babylonia el srisrngiya elan governor lun acn Judah.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.