Hosea 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Israël was een welige rank Met overvloedige vruchten; Hoe meer vruchten hij droeg, hoe meer altaren hij bouwde, Hoe rijker zijn land, hoe rijker zijn zuilen!
1גפן בוקק ישראל פרי ישוה לו כרב לפריו הרבה למזבחות כטוב לארצו היטיבו מצבות׃
2Vals was hun hart, Maar nu zullen ze boeten: Hij breekt hun altaren de nek, En verbrijzelt hun zuilen.
2חלק לבם עתה יאשמו הוא יערף מזבחותם ישדד מצבותם׃
3Waarachtig, nu zeggen zij al: Wij hebben geen koning; Als wij Jahweh niet vrezen, Wat kan voor ons de koning dan doen!
3כי עתה יאמרו אין מלך לנו כי לא יראנו את יהוה והמלך מה יעשה לנו׃
4Mooie woorden spreken, Valse eden zweren, verbonden sluiten: Intussen schiet het recht uit als een gifplant In de voren der akkers!
4דברו דברים אלות שוא כרת ברית ופרח כראש משפט על תלמי שדי׃
5Over het kalf van Bet-Awen Zijn Samaria’s bewoners in zorgen; Ja, over hem rouwt het volk Met de bent van zijn priesters. Zij jammeren over zijn schatten Want die zijn hem ontnomen;
5לעגלות בית און יגורו שכן שמרון כי אבל עליו עמו וכמריו עליו יגילו על כבודו כי גלה ממנו׃
6Ook hemzelf zal men naar Assjoer slepen, Als een geschenk voor: “Grote Koning!” Efraïm zal beschaamd komen staan, Israël blozen over zijn beeld,
6גם אותו לאשור יובל מנחה למלך ירב בשנה אפרים יקח ויבוש ישראל מעצתו׃
7Samaria zal worden verwoest, Zijn koning zal zijn als een halm op het water.
7נדמה שמרון מלכה כקצף על פני מים׃
8Israëls afgodische, zondige hoogten worden vernield, Doornen en distels woekeren op hun altaren; Dan zullen ze tot de bergen zeggen: Bedekt ons, Tot de heuvelen: Valt op ons neer!
8ונשמדו במות און חטאת ישראל קוץ ודרדר יעלה על מזבחותם ואמרו להרים כסונו ולגבעות נפלו עלינו׃
9Zwaarder dan in de dagen van Giba, Israël, hebt ge gezondigd; Toen bleven ze gespaard, En de strijd bereikte Giba niet. Maar op de kinderen der boosheid
9מימי הגבעה חטאת ישראל שם עמדו לא תשיגם בגבעה מלחמה על בני עלוה׃
10Kom Ik af, om te straffen; Nu spannen volkeren eendrachtig tegen hen samen, Om hun dubbele zonde!
10באותי ואסרם ואספו עליהם עמים באסרם לשתי עינתם׃
11Efraïm is een afgericht rund, dat enkel wil dorsen: Maar Ik leg een juk op zijn prachtige nek, Ik span Efraïm in, en Israël zal ploegen, Jakob zal de eg moeten trekken.
11ואפרים עגלה מלמדה אהבתי לדוש ואני עברתי על טוב צוארה ארכיב אפרים יחרוש יהודה ישדד לו יעקב׃
12Strooit uw zaad in gerechtigheid uit, Oogst naar gelang van uw vroomheid, Ontgint u de akker der kennis, door Jahweh te zoeken, Tot Hij zal komen, en heil over u regent.
12זרעו לכם לצדקה קצרו לפי חסד נירו לכם ניר ועת לדרוש את יהוה עד יבוא וירה צדק לכם׃
13Maar ge hebt boosheid geploegd, en slechtheid geoogst, En leugenvruchten gegeten: Want ge hebt op uw wagens vertrouwd, En op de drommen van uw helden.
13חרשתם רשע עולתה קצרתם אכלתם פרי כחש כי בטחת בדרכך ברב גבוריך׃
14Krijgsgeschreeuw zal in uw steden weergalmen, Al uw vestingen worden gesloopt: Zoals Sjalman in de strijd Bet-Arbel vernielde, Waar moeder met kind werd verpletterd!
14וקאם שאון בעמך וכל מבצריך יושד כשד שלמן בית ארבאל ביום מלחמה אם על בנים רטשה׃
15Huis van Israël! Zo zal Ik ook met u doen, Om uw ontzettende boosheid; In de storm gaat Efraïm te gronde, Te gronde Israëls koning!
15ככה עשה לכם בית אל מפני רעת רעתכם בשחר נדמה נדמה מלך ישראל׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.