Ester
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs World English Bible
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1In diezelfde nacht kon de koning niet slapen. Daarom liet hij het gedenkboek, het boek der kronieken halen, en er zich uit voorlezen.
1On that night, the king couldn’t sleep. He commanded the book of records of the chronicles to be brought, and they were read to the king.
2Zo kwam men aan de plaats, waar vermeld stond, dat Mordokai aangifte had gedaan van de aanslag, die de twee koninklijke kamerlingen-dorpelwachters, Bigtan en Téresj, tegen koning Achasjwerosj hadden gesmeed.
2It was found written that Mordecai had told of Bigthana and Teresh, two of the king’s eunuchs, who were doorkeepers, who had tried to lay hands on the King Ahasuerus.
3De koning vroeg: Welke eer en onderscheiding heeft Mordokai daarvoor ontvangen? De jongemannen, die den koning bedienden, antwoordden: Hij heeft niets ontvangen.
3The king said, “What honor and dignity has been given to Mordecai for this?” Then the king’s servants who attended him said, “Nothing has been done for him.”
4Toen sprak de koning: Wie is er in de voorhof? Nu was Haman juist in de buitenhof van het koninklijk paleis gekomen, om den koning te vragen, of hij Mordokai mocht laten ophangen aan de paal, die hij voor hem had opgericht.
4The king said, “Who is in the court?” Now Haman had come into the outer court of the king’s house, to speak to the king about hanging Mordecai on the gallows that he had prepared for him.
5De bedienden van den koning antwoordden: Haman staat in de voorhof. En de koning beval, hem binnen te roepen.
5The king’s servants said to him, “Behold, Haman stands in the court.” The king said, “Let him come in.”
6Toen Haman was binnengekomen, vroeg de koning hem: Wat moet er gebeuren met den man, wien de koning eer wil bewijzen? Haman dacht bij zichzelf: Wien zou de koning anders willen eren dan mij?
6So Haman came in. The king said to him, “What shall be done to the man whom the king delights to honor?” Now Haman said in his heart, “Who would the king delight to honor more than myself?”
7Daarom gaf hij den koning ten antwoord: Wat er moet gebeuren met den man, wien de koning eer wil bewijzen?
7Haman said to the king, “For the man whom the king delights to honor,
8Men brenge een koninklijk gewaad, dat door den koning zelf wordt gedragen, en een paard, dat de koning zelf berijdt, en dat op zijn kop de koninklijke tekenen voert.
8let royal clothing be brought which the king uses to wear, and the horse that the king rides on, and on the head of which a royal crown is set.
9Dat kleed en dat paard moet aan iemand van de rijksgroten worden gegeven, die tot de hoogste adel behoort, en deze moet den man, dien de koning wil eren, met dat gewaad bekleden, hem op dat paard rondleiden door de straten der stad, en voor hem uit roepen: Dit moet gebeuren met den man, dien de koning wil eren!
9Let the clothing and the horse be delivered to the hand of one of the king’s most noble princes, that they may array the man whom the king delights to honor with them, and have him ride on horseback through the city square, and proclaim before him, ‘Thus it shall be done to the man whom the king delights to honor!’”
10Nu sprak de koning tot Haman: Haal terstond dat kleed en dat paard, en doe, zoals ge gezegd hebt, met den jood Mordokai, die in het koninklijke poortgebouw zit. Laat niets achterwege van wat ge gezegd hebt.
10Then the king said to Haman, “Hurry and take the clothing and the horse, as you have said, and do this for Mordecai the Jew, who sits at the king’s gate. Let nothing fail of all that you have spoken.”
11Haman haalde nu het kleed en het paard, trok Mordokai het kleed aan, en geleidde hem te paard door de straten der stad, terwijl hij voor hem uitriep: Dit moet gebeuren met den man, dien de koning wil eren!
11Then Haman took the clothing and the horse, and arrayed Mordecai, and had him ride through the city square, and proclaimed before him, “Thus it shall be done to the man whom the king delights to honor!”
12Daarna keerde Mordokai naar het koninklijke poortgebouw terug. Maar Haman spoedde zich naar huis, het hart vol spijt en het hoofd bedekt,
12Mordecai came back to the king’s gate, but Haman hurried to his house, mourning and having his head covered.
13en verhaalde aan zijn vrouw Zéresj en al zijn vrienden wat er gebeurd was. Zijn raadgevers en zijn vrouw Zéresj gaven hem enkel ten antwoord: Als Mordokai, tegen wien ge het nu verloren hebt, tot het geslacht der Joden behoort, zijt ge niet tegen hem opgewassen, maar is uw ondergang zeker.
13Haman recounted to Zeresh his wife and all his friends everything that had happened to him. Then his wise men and Zeresh his wife said to him, “If Mordecai, before whom you have begun to fall, is of Jewish descent, you will not prevail against him, but you will surely fall before him.”
14Terwijl zij nog met Haman spraken, kwamen ‘s konings kamerlingen hem haastig halen voor de maaltijd, die Ester bereid had.
14While they were yet talking with him, the king’s eunuchs came, and hurried to bring Haman to the banquet that Esther had prepared.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.