Deuteronomium 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Bemin Jahweh, uw God, en onderhoud zijn instellingen, zijn bepalingen, voorschriften en geboden voor immer.
1“Lungse LEUM GOD lowos, ac akos ma sap lal nukewa, in pacl nukewa.
2Gij kent toch—want ik spreek niet tot uw zonen, die de straffen van Jahweh, uw God, niet hebben ervaren, en zijn grootheid, zijn sterke hand en gespierde arm niet hebben aanschouwd, —
2Esamya misenge ma kowos sifacna pulakin ac lotela ke LEUM GOD . Kowos pa tuh pula kaiyuk lal, ac tia tulik nutuwos. Kowos liye lupan fulat lal, ku lal ac wal lal,
3gij kent toch zijn tekenen en werken, die Hij in Egypte aan Farao, den koning van Egypte, en aan heel zijn land heeft gewrocht:
3ac orekma usrnguk lal. Kowos liye pac ma El tuh oru nu sin tokosra lun Egypt ac nu sin mutunfacl sac nufon.
4wat Jahweh met het leger van Egypte heeft gedaan, met zijn paarden en wagens, over wie Hij de wateren van de Rode Zee heen deed stromen, toen zij u achtervolgden, en die Hij tot de dag van vandaag heeft vernietigd:
4Kowos liye ke LEUM GOD El sukela nufon un mwet mweun lun Egypt, wi horse natulos ac chariot okoalos, ac ke El tilmakunulosi in Meoa Srusra ke pacl se elos ukwe kowos.
5wat Hij voor u in de woestijn heeft gedaan, totdat gij op deze plaats zijt gekomen:
5Kowos etu ma LEUM GOD El oru nu suwos yen mwesis meet liki kowos sun acn inge.
6wat Hij Datan en Abiram heeft gedaan, de zonen van Eliab, den zoon van Ruben, toen de aarde haar muil heeft opengesperd en ze met hun gezinnen, hun tenten en alles, wat hun behoorde, te midden van heel Israël heeft verslonden.
6Kowos esam pac ma El tuh oru nu sel Dathan ac Abiram, wen luo natul Eliab ke sruf lal Reuben. Ye mutun mwet nukewa, faclu ikakelik ac okomulosla wi sou lalos, lohm nuknuk selos, mwet kulansap lalos, ac kosro natulos nukewa.
7Waarachtig, met uw eigen ogen hebt gij al de grote werken van Jahweh aanschouwd, die Hij heeft gewrocht.
7Pwaye, kowos pa liye ma yohk inge nukewa ma LEUM GOD El orala.
8Onderhoudt dan al de geboden, die ik u heden geef, opdat gij sterk moogt zijn, en het land moogt binnengaan en bezitten, dat gij aan de overkant gaat veroveren,
8“Akos ma nukewa nga sapkin nu suwos misenge. Na kowos ac fah ku in alukeot Infacl Jordan, ac eis suwos facl se ma kowos apkuran in utyak nu we.
9en opdat gij lang in het land moogt blijven, dat Jahweh onder ede beloofd heeft, aan uw vaderen en aan hun kroost te zullen geven, een land dat druipt van melk en honing.
9Na kowos fah ku in moul paht fin facl mut ac kasrup fohk we ma LEUM GOD El wuleang in sang nu sin papa matu tomowos ac filin tulik natulos.
10Want het land, dat gij in bezit gaat nemen, is niet als het land van Egypte, dat gij hebt verlaten, en dat gij, wanneer gij gezaaid hadt, als een moestuin met uw voet water moest geven.
10Facl se kowos apkuran in utyak nu we inge tia oana facl Egypt, yen kowos tuh muta we meet ah. Ingo ke kowos yukwiya sacn sunowos, kowos tuh enenu in orekma upa in nweki kof nu inima lowos.
11Neen, het land, dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen, is een land van bergen en dalen, en het wordt door de regen van de hemel gedrenkt;
11A facl se kowos apkuran in utyak nu we inge, oasr fineol ac infahlfal we, sie facl aksroksrokyeyuk ke af.
12een land, waar Jahweh, uw God, zorg voor draagt; waarop van het begin van het jaar tot het eind voortdurend de ogen van Jahweh gericht zijn.
12LEUM GOD lowos El karingin facl se inge ac suiyana, ke mutun yac nwe ke saflaiyen yac.
13Wanneer gij gewillig gehoorzaamt aan de geboden, die ik u heden geef, wanneer gij Jahweh, uw God, bemint en Hem met heel uw hart en heel uw ziel dient,
13“Ouinge, kowos in akos ma sap nukewa ma nga sot nu suwos misenge; lungse LEUM GOD lowos ac kulansupwal ke insiowos nufon.
14dan zal Hij op tijd regen aan uw land schenken, de najaars- en de voorjaarsregen, zodat gij uw graan, most en olie zult oogsten;
14Kowos fin oru ouinge, El ac fah supwama af nu fin acn suwos in pacl fal la — af se meet ke pacl in taknelik, ac af se tok ke pacl in kosrani — tuh in oasr wheat, wain, ac oil in olive nu suwos,
15dan zal Hij voor uw vee gras op uw weiden geven, en zult gij eten tot verzadigens toe.
15ac mah nun cow nutuwos. Ac fah oasr kain in mwe mongo puspis nowos.
16Maar zorgt er voor, dat uw hart zich niet laat verleiden, dat gij niet afdwaalt, en vreemde goden dient en aanbidt.
16Nimet lela kutena ma in pwenkowosla liki LEUM GOD , ac alu ac orekma nu sin god saya.
17Want dan ontbrandt de toorn van Jahweh tegen u; dan zal Hij de hemel sluiten, zodat er geen regen valt en de bodem geen opbrengst meer levert; dan zult gij spoedig uit het heerlijke land, dat Jahweh u geeft, worden verdelgd.
17Kowos fin oru ouinge, LEUM GOD El ac kasrkusrak suwos, ac sruokya af uh. Na fohk in acn suwos ac fah pulamlamla nu ke ma sunowos, ac kowos ac sa misa we, finne acn na wowo se pa El sot nu suwos inge.
18Prent deze woorden in uw hart en uw ziel, bindt ze als een merk op uw hand en laten ze als een teken op uw voorhoofd zijn.
18“Esam ma sapkakinyuk inge ac aksaokye. Kapriya kas inge ke pouwos ac ke motonsruwos, tuh in mwe akesmakinye kowos.
19Prent ze ook uw kinderen in, herhaalt ze, wanneer gij in uw huis zijt gezeten of wandelt op straat, wanneer gij gaat slapen of opstaat,
19Luti nu sin tulik nutuwos. Sramsram kac ke pacl kowos muta in lohm suwos ac ke pacl kowos fufahsryesr, ke pacl kowos mongla ac ke pacl kowos orekma.
20en schrijft ze op de deurposten van uw huis en in uw poorten,
20Simusla kas inge ke kosrusru in mutunoa ke lohm suwos, ac ke nien utyak lun kalkal lowos.
21opdat gij met uw zonen even lang in het land moogt verblijven, dat Jahweh onder ede beloofd heeft aan uw vaderen te zullen geven, als de hemel boven de aarde staat.
21Na kowos, ac tulik nutuwos, ac fah moul paht fin facl se LEUM GOD lowos El wulela kac nu sin papa matu tomowos. Kowos ac muta we ke lusenna pacl acn engyeng uh oan lucng liki faclu.
22Zo gij al deze geboden, die ik u bevolen heb te volbrengen, nauwgezet onderhoudt, zo gij Jahweh, uw God, bemint, al zijn wegen bewandelt, en aan Hem u blijft hechten,
22“Kowos in oaru in akos ma nukewa ma nga sapkin nu suwos. Lungse LEUM GOD lowos, oru ma nukewa El sapkin, ac kowos in pwayena nu sel.
23dan zal Jahweh al deze volken voor u verdrijven, en zult gij volken verjagen, die in getal en macht u overtreffen.
23Na El fah lusla mutunfacl ingo nukewa ke kowos apkuranyang nu we, ac kowos fah eis acn sin mutunfacl ma yohk liki kowos ac ku liki kowos.
24Dan zal elke plek, die uw voetzool betreedt, u toebehoren; dan zal uw grondgebied zich uitstrekken van de woestijn tot de Libanon, en van de grote rivier, de rivier de Eufraat, tot de zee in het westen.
24Acn nukewa kowos fahla fac ac fah ma lowos. Mutunfacl suwos ac fah mutawauk ke yen mwesis layen eir, nu Fineol Lebanon nukewa layen epang, ac liki Infacl Euphrates layen nu kutulap, nu Meoa Mediterranean layen roto.
25Dan zal niemand voor u stand kunnen houden, en zal Jahweh, uw God, vrees en ontzetting voor u over heel het land doen komen, dat gij doorkruist, zoals Hij het u heeft beloofd.
25Yen nukewa kowos ac som nu we in facl sac, LEUM GOD lowos fah oru mwet uh in sangeng suwos, oana ma El tuh wulela kac, na wangin mwet ac fah ku in sikulkowosi.
26Ziet, heden houd ik u zegen voor en vloek.
26“Misenge nga sot nu suwos tuh kowos in sulela inmasrlon mwe insewowo ac mwe selnga.
27Zegen, zo gij gehoorzaamt aan de geboden van Jahweh, uw God, die ik u heden ga geven!
27Kowos fin akos ma sap lun LEUM GOD lowos su nga sot nu suwos misenge, na ac fah mwe insewowo nu suwos.
28Vloek, zo gij niet gehoorzaamt aan de geboden van Jahweh, uw God, maar de weg verlaat, die ik u heden toon en vreemde goden naloopt, die gij niet kent.
28A kowos fin tia akos ma sap inge ac forla in alu nu sin god saya su kowos tia wi alu nu se meet, na ac fah mwe selnga nu suwos.
29En wanneer Jahweh, uw God, u in het land heeft gebracht, dat gij nu in bezit gaat nemen, dan moet ge de zegen op de berg Gerizzim vastleggen, en de vloek op de berg Ebal;
29Ke pacl se LEUM GOD El uskowosme nu in facl se su kowos ac oakwuki we, kowos in sulkakin mwe insewowo liki Fineol Gerizim, ac mwe selnga liki Fineol Ebal. (
30zij liggen aan de overkant van de Jordaan achter de westelijke weg, in het land der Kanaänieten, die in de Araba wonen, en tegenover Gilgal en naast de eik van More.
30Kowos etu lah fineol lukwa inge oasr layen roto ke infacl Jordan, ke facl sin mwet Canaan su muta infahlfal Jordan. Fineol inge oan nget nu roto, ac tia loes liki sak oal Moreh, fototo nu ke siti Gilgal.)
31Waarachtig, gij trekt nu over de Jordaan, om het land, dat Jahweh, uw God, u geeft, in bezit te gaan nemen! Maar als gij het in bezit hebt genomen en daar woont,
31Kowos apkuran in fahsr sasla infacl Jordan ac muta fin facl se LEUM GOD lowos El asot nu suwos. Ke kowos ac eisla ac oakwuki we,
32zorgt er dan voor, alle bepalingen en voorschriften te onderhouden, die ik heden ga geven.
32kowos in esamna in akos ma sap nukewa nga sot nu suwos misenge.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.