Amos 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Luistert dus naar dit woord, Israëls huis, Naar de klaagzang, die ik over u aanhef:
1שמעו את הדבר הזה אשר אנכי נשא עליכם קינה בית ישראל׃
2Gevallen, de jonkvrouw van Israël, nooit staat ze meer op, Uitgestrekt op haar grond, en niemand om haar op te heffen!
2נפלה לא תוסיף קום בתולת ישראל נטשה על אדמתה אין מקימה׃
3Want zo spreekt Jahweh, de Heer: De stad, die ten strijde trok met duizend man, Houdt er maar honderd van over; En die met honderd optrok, slechts tien.
3כי כה אמר אדני יהוה העיר היצאת אלף תשאיר מאה והיוצאת מאה תשאיר עשרה לבית ישראל׃
4Want zo spreekt Jahweh tot Israëls huis: Zoekt Mij, opdat ge moogt leven;
4כי כה אמר יהוה לבית ישראל דרשוני וחיו׃
5Maar zoekt Betel niet op, en gaat niet naar Gilgal, Want Gilgal moet weg, en Betel wordt niets!
5ואל תדרשו בית אל והגלגל לא תבאו ובאר שבע לא תעברו כי הגלגל גלה יגלה ובית אל יהיה לאון׃
6Zoekt Jahweh, opdat ge moogt leven; Anders steekt Hij het huis van Josef in vlammen, Die het huis van Israël verteren, Zonder dat iemand kan blussen!
6דרשו את יהוה וחיו פן יצלח כאש בית יוסף ואכלה ואין מכבה לבית אל׃
7Wee hun, die het recht in alsem veranderen, De gerechtigheid tegen de grond slaan,
7ההפכים ללענה משפט וצדקה לארץ הניחו׃
8Hij, die het zevengesternte en de Orion schiep, Die de duisternis in de morgen verkeert, De dag in stikdonkere nacht; Die oproept het water der zee En het uitgiet over de aarde; Jahweh is zijn Naam:
8עשה כימה וכסיל והפך לבקר צלמות ויום לילה החשיך הקורא למי הים וישפכם על פני הארץ יהוה שמו׃
9Hij is het, die de sterkte sloopt, En de vesting vernielt!
9המבליג שד על עז ושד על מבצר יבוא׃
10Haten, die in de poort berispt, Verfoeien, die de waarheid spreekt!
10שנאו בשער מוכיח ודבר תמים יתעבו׃
11Waarachtig, omdat ge den zwakke vertrapt, En hem cijns van koren afperst, Daarom kunt ge wel huizen van hardsteen bouwen, Maar bewonen zult ge ze niet! Ge moogt liefelijke wijngaarden planten, Maar ge zult er de wijn niet van drinken;
11לכן יען בושסכם על דל ומשאת בר תקחו ממנו בתי גזית בניתם ולא תשבו בם כרמי חמד נטעתם ולא תשתו את יינם׃
12Want Ik weet, hoe talloos uw misdaden zijn, Hoe vreselijk uw zonden. Ge verdrukt den rechtvaardige, neemt steekgelden aan, En dringt in de poort de armen op zij;
12כי ידעתי רבים פשעיכם ועצמים חטאתיכם צררי צדיק לקחי כפר ואביונים בשער הטו׃
13Daarom doet een verstandige er nu maar het zwijgen aan toe, Want het is een ellendige tijd!
13לכן המשכיל בעת ההיא ידם כי עת רעה היא׃
14Zoekt het goede, en niet het kwaad, Opdat ge moogt leven, En Jahweh, der heirscharen God, Met u moge blijven, zoals ge dat zegt.
14דרשו טוב ואל רע למען תחיו ויהי כן יהוה אלהי צבאות אתכם כאשר אמרתם׃
15Haat het kwaad, hebt het goede lief, En handhaaft het recht in de poort: Misschien zal Jahweh, der heirscharen God, Zich nog over de resten van Josef ontfermen!
15שנאו רע ואהבו טוב והציגו בשער משפט אולי יחנן יהוה אלהי צבאות שארית יוסף׃
16Daarom spreekt Jahweh, de Heer, Der heirscharen God: Op alle pleinen breekt de jammerkreet los, Op alle straten gilt men: Wee, wee! Men roept zelfs den landman op om te rouwen, Om te jammeren in de rij van de klagers;
16לכן כה אמר יהוה אלהי צבאות אדני בכל רחבות מספד ובכל חוצות יאמרו הו הו וקראו אכר אל אבל ומספד אל יודעי נהי׃
17In alle wijngaarden wordt de weeklacht gehoord, Want Ik trek door uw midden, spreekt Jahweh!
17ובכל כרמים מספד כי אעבר בקרבך אמר יהוה׃
18Wee hun, die naar de Dag van Jahweh verlangen! Wat zal de Dag van Jahweh u brengen? Duisternis en geen licht:
18הוי המתאוים את יום יהוה למה זה לכם יום יהוה הוא חשך ולא אור׃
19Zoals iemand, die vlucht voor een leeuw, En aangevallen wordt door een beer; Of die zijn huis binnengaat, met de hand aan de muur leunt, En door een slang wordt gebeten!
19כאשר ינוס איש מפני הארי ופגעו הדב ובא הבית וסמך ידו על הקיר ונשכו הנחש׃
20Ja, de Dag van Jahweh zal enkel duisternis zijn en geen licht, Stikdonker zonder enige glans!
20הלא חשך יום יהוה ולא אור ואפל ולא נגה לו׃
21Ik haat en verfoei uw feesten, En walg van uw hoogtijden!
21שנאתי מאסתי חגיכם ולא אריח בעצרתיכם׃
22Brengt ge Mij offers en gaven, Ik wil ze niet meer, Naar uw vette offeranden zie Ik niet om;
22כי אם תעלו לי עלות ומנחתיכם לא ארצה ושלם מריאיכם לא אביט׃
23Weg van Mij het lawaai van uw zangen, Het geruis van uw harpen wil Ik niet horen.
23הסר מעלי המון שריך וזמרת נבליך לא אשמע׃
24Laat liever het recht als water golven, De gerechtigheid als een immervlietende beek!
24ויגל כמים משפט וצדקה כנחל איתן׃
25Hebt ge Mij offers en gaven gebracht In de woestijn, huis van Israël, veertig jaar lang?
25הזבחים ומנחה הגשתם לי במדבר ארבעים שנה בית ישראל׃
26Of hebt ge Sakkoet, uw koning, En Kewan, uw sterrebeeld, rondgedragen, De goden, die ge u hebt gemaakt?
26ונשאתם את סכות מלככם ואת כיון צלמיכם כוכב אלהיכם אשר עשיתם לכם׃
27Ik voer u weg, verder nog dan Damascus, Spreekt Jahweh: God der heirscharen is zijn Naam!
27והגליתי אתכם מהלאה לדמשק אמר יהוה אלהי צבאות שמו׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.