2 Korintiers 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Het schijnt me geheel overbodig, u te schrijven over de ondersteuning zelf van de heiligen.
1A DUEN dodok on me jaraui kan, i jolar pan intin won komail.
2Want ik ken uw bereidwilligheid, en ik heb zelfs daarom bij de Macedoniërs over u geroemd, dat Achaja reeds verleden jaar gereed was, en dat uw ijver zeer velen heeft geprikkeld.
2Pwe i aja, me omail inon ion me mau, me i kin juaiki on men Majetonien, me men Akaia inon ion mepukat jan ni par jamalar, a komail kainon ion me toto.
3Maar wel zend ik de broeders af, opdat ons roemen over u op dit punt niet ongegrond zou blijken, en gij inderdaad gereed zult zijn, zoals ik dit heb beweerd;
3I ap ilakiawei ri atail akan, pwe at kapin pa omail ender mal la ni mepukat, pwe komail en onop duen me i inda.
4anders zouden wij, —om van u niet te spreken, —om dit vast vertrouwen misschien nog beschaamd moeten staan, als de Macedoniërs met me meekomen en u niet gereed zouden vinden.
4Pwe ma men Majetonien kai pan ian ia, ap konodi komail ni omail jo onop, kit, je jota men inda komail, ap pan natnenok kila ni at liki wet.
5Ik oordeelde het dus nodig, de broeders te verzoeken, mij vooruit te reizen naar u toe, en uw milde gave, die ik bij voorbaat had toegezegd, in orde te brengen, zodat ze klaar zal liggen; maar dan ook werkelijk als een milde, en geen karige gift.
5Ari, i ap lamedar, en poeki ren ri atail akan, ren tion mo at kolan komail, pwen kaonopada pai wet, me komail inaukidar maj o, pwen pai melel eu, a iermen norok jued.
6Bedenkt het wel: wie spaarzaam zaait, zal spaarzaam maaien; en wie onbekrompen zaait, zal onbekrompen maaien.
6A iet me i inda: Me kin kamorok tikitik, pan dolun tikitik, a me kin kamorok toto, pan dolun me toto.
7Ieder geve, zoals hij het in zijn hart zich heeft voorgenomen, maar niet met tegenzin of noodgedwongen. Want God heeft een blijmoedigen gever lief;
7Amen amen duen a kileledier nan monion i; der kija kol, de akpatik, pwe Kot kotin pok on me kin pein perenki kijakij.
8en God is bij machte, om u een overvloed te schenken van allerlei gunsten; zodat gij onder alle opzichten en ten allen tijde ruimschoots het nodige zult bezitten, en nog zult overhouden voor ieder goed werk;
8A Kot me kotin manaman on en kalaudelan komail jon en mak kan karoj, pwe komail en kapwapwa ni jon karoj o anjau karoj, ap kak on jon en wiawia mau karoj,
9zoals geschreven staat: “Milddadig deelt hij aan de armen uit: Zijn gerechtigheid houdt in eeuwigheid stand.”
9Duen a intinidier: A kamoredier, a kijakij a wei on me jamamakan; a pun pan mimieta kokolata.
10Hij toch, die den zaaier zaad verschaft en brood tot spijze, Hij zal ook u het zaad verlenen, het doen gedijen, en de vruchten uwer gerechtigheid doen wassen.
10A me kin kotiki on jaumat kijin war akan, o prot men mana, a pan katotoela omail war akan, o a pan kotin kawojada omail wan pun kan,
11En wanneer we steeds rijkelijk geven bij iedere vorm van weldadigheid, dan wordt deze door ons toedoen de oorzaak van dankzegging aan God.
11Pwe komail en kapwapwala ni jon karoj, pwen wiawia mau karoj, me kin karedan kit, en danke Kot.
12Want de beoefening van zulk een liefdedienst voorziet niet alleen in de behoeften der heiligen, maar brengt ook een overvloed van dankzeggingen aan God.
12Pwe wiawia pan dodok wet kaidin jauaj pan jaraui kan ta, pwe me toto kin danke Kot.
13Door dit bewijs van hulpvaardigheid toch verheerlijken ze God om uw gehoorzaam belijden van Christus’ Evangelie, en om uw milddadige gemeenschapszin jegens hen en jegens allen.
13Arail kapwaiada dodok wet kin kalinanada Kot pweki omail upai on kadede en ronamau en Krijtuj, o omail japan kijakij on irail o on karoj,
14En door hun gebed voor u tonen ze u bovendien een vurige aanhankelijkheid, om de buitengewone genade Gods aan u geschonken.
14O ni arail nidinide kin komail, re kin anane komail pweki mak lapalap en Kot on komail.
15God zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave!
15Daken on Kot pweki a pai lapalap!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.