2 Kronieken 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Toen Salomon besloten had, een tempel te bouwen ter ere van de Naam van Jahweh, en een koninklijk paleis,
1Now Solomon decided to build a house for the LORD’s name, and a house for his kingdom.
2kon hij beschikken over zeventigduizend lastdragers, tachtigduizend steenhouwers, en zes en dertighonderd opzichters.
2Solomon counted out seventy thousand men to bear burdens, eighty thousand men who were stone cutters in the mountains, and three thousand six hundred to oversee them.
3Hij richtte zich nu tot Chirom, den koning van Tyrus, met het volgende verzoek: Gij zijt zo goed geweest, aan mijn vader David cederstammen te leveren, om zich een woonhuis te kunnen bouwen.
3Solomon sent to Huram the king of Tyre, saying, “As you dealt with David my father, and sent him cedars to build him a house in which to dwell, so deal with me.
4Nu heb ik besloten, voor de Naam van Jahweh, mijn God, een tempel te bouwen, om Hem die toe te wijden, om daar te zijner ere welriekende wierook te branden en regelmatig de toonbroden neer te leggen, om ‘s morgens en s avonds op sabbatten, nieuwe manen en de hoogfeesten van Jahweh, onzen God, brandoffers op te dragen, zoals dat voor altijd in Israël is voorgeschreven.
4Behold, I am about to build a house for the name of the LORD my God, to dedicate it to him, to burn before him incense of sweet spices, for the continual show bread, and for the burnt offerings morning and evening, on the Sabbaths, on the new moons, and on the set feasts of the LORD our God. This is an ordinance forever to Israel.
5De tempel, die ik wil bouwen, moet groots zijn; want onze God is de grootste van alle goden.
5“The house which I am building will be great, for our God is greater than all gods.
6Wie is eigenlijk in staat, een huis voor Hem te bouwen, wanneer de hemel, ja de hemel der hemelen Hem nog niet kan bevatten? Hoe zou ik Hem dus een tempel bouwen, tenzij om daar voor Hem te offeren?
6But who is able to build him a house, since heaven and the heaven of heavens can’t contain him? Who am I then, that I should build him a house, except just to burn incense before him?
7Wees daarom zo goed, mij iemand af te staan, die op de hoogte is met de bewerking van goud, zilver, brons en ijzer, van purper, violet en karmozijn, en die de kunst verstaat, figuren te snijden; dan kan hij samenwerken met de vakmensen, waarover ik beschik in Juda en Jerusalem, en die mijn vader David mij heeft verschaft.
7“Now therefore send me a man skillful to work in gold, in silver, in bronze, in iron, and in purple, crimson, and blue, and who knows how to engrave engravings, to be with the skillful men who are with me in Judah and in Jerusalem, whom David my father provided.
8Stuur mij ook cederstammen, cypressen en sandelhout van de Libanon; want ik weet, hoe goed uw onderdanen bomen van de Libanon kunnen vellen. Mijn werklieden zullen met de uwen samenwerken,
8“Send me also cedar trees, cypress trees, and algum trees out of Lebanon, for I know that your servants know how to cut timber in Lebanon. Behold, my servants will be with your servants,
9om mij een groot aantal bomen te bezorgen; want de tempel, die ik ga bouwen, moet groots, en heel iets bijzonders worden.
9even to prepare timber in abundance for me; for the house which I am about to build will be great and wonderful.
10Van mijn kant zal ik als onderhoud van de houthakkers, die de bomen vellen, twintigduizend kor tarwe, twintigduizend kor gerst, twintigduizend bat wijn en twintigduizend bat olie leveren.
10Behold, I will give to your servants, the cutters who cut timber, twenty thousand cors of beaten wheat, twenty thousand baths of barley, twenty thousand baths of wine, and twenty thousand baths of oil.”
11Daarop zond Chirom, de koning van Tyrus, schriftelijk het volgende antwoord aan Salomon: Uit liefde voor zijn volk heeft Jahweh u tot koning over hen aangesteld.
11Then Huram the king of Tyre answered in writing, which he sent to Solomon, “Because the LORD loves his people, he has made you king over them.”
12En Chirom ging voort: Gezegend zij Jahweh, de God van Israël, die hemel en aarde gemaakt heeft, omdat Hij aan koning David een zoon heeft geschonken, die begaafd is met wijsheid, verstand en inzicht, om een tempel te bouwen voor Jahweh en een koningspaleis voor zichzelf.
12Huram continued, “Blessed be the LORD, the God of Israel, who made heaven and earth, who has given to David the king a wise son, endowed with discretion and understanding, who would build a house for the LORD and a house for his kingdom.
13Daarom zend ik u een begaafd kunstenaar. Het is een zekere Choeram-Abi,
13Now I have sent a skillful man, endowed with understanding, Huram-abi,
14de zoon van een vrouw uit Dan en van een vader uit Tyrus. Hij is op de hoogte met de bewerking van goud, zilver, brons, ijzer, steen en hout, van purper, violet, byssus en karmozijn; hij verstaat de kunst, allerlei figuren te snijden, en kan een plan ontwerpen van alles wat hem wordt opgedragen. Hij zal samenwerken met de vaklieden van u en van uw vader David, mijn heer.
14the son of a woman of the daughters of Dan; and his father was a man of Tyre. He is skillful to work in gold, in silver, in bronze, in iron, in stone, in timber, in purple, in blue, in fine linen, and in crimson, also to engrave any kind of engraving and to devise any device, that there may be a place appointed to him with your skillful men, and with the skillful men of my lord David your father.
15De tarwe en gerst, de olie en wijn, waarvan mijn heer gewag heeft gemaakt, gelieve hij aan zijn dienaren te zenden.
15“Now therefore, the wheat, the barley, the oil, and the wine which my lord has spoken of, let him send to his servants;
16Wij zullen bomen vellen van de Libanon, zoveel gij nodig hebt, en ze per vlot over zee naar Joppe brengen; en gij kunt ze vandaar naar Jerusalem vervoeren.
16and we will cut wood out of Lebanon, as much as you need. We will bring it to you in rafts by sea to Joppa; then you shall carry it up to Jerusalem.”
17Daarop liet Salomon een telling houden van alle mannelijke vreemdelingen, die in het land Israël woonden; het was de eerste telling na die van David, zijn vader. Men kwam tot een getal van honderd drie en vijftigduizend zeshonderd man.
17Solomon counted all the foreigners who were in the land of Israel, after the census with which David his father had counted them; and they found one hundred fifty-three thousand six hundred.
18Zeventigduizend ervan gebruikte hij als lastdragers, tachtigduizend als steenhouwers, en zes en dertighonderd als opzichters over het werkvolk.
18He set seventy thousand of them to bear burdens, eighty thousand who were stone cutters in the mountains, and three thousand six hundred overseers to assign the people their work.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.