ΣΟΦΙΑ 15
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Σὺ δὲ ὁ Θεὸς ἡμῶν χρηστὸς καὶ ἀληθὴς, μακρόθυμος καὶ ἐν ἐλέει διοικῶν τὰ πάντα.
1Maar Gij, onze God, zijt goedertieren en trouw; Lankmoedig en vol ontferming bestuurt Gij het heelal.
2Καὶ γὰρ ἐὰν ἁμάρτωμεν, σοί ἐσμεν, εἰδότες σου τὸ κράτος· οὐχ ἁμαρτησόμεθα δὲ, εἰδότες ὅτι σοὶ λελογίσμεθα.
2Wij zijn van U; zondigen wij ook, wij erkennen uw macht! Maar wij willen niet zondigen, wetende, dat wij U toebehoren!
3Τὸ γὰρ ἐπίστασθαί σε ὁλόκληρος δικαιοσύνη, καὶ εἰδέναι τὸ κράτος σου ῥίζα ἀθανασίας.
3Want U kennen is volmaakte gerechtigheid, Uw macht beseffen de wortel der onsterfelijkheid.
4Οὔτε γὰρ ἐπλάνησεν ἡμᾶς ἀνθρώπων κακότεχνος ἐπίνοια, οὐδὲ σκιαγράφων πόνος ἄκαρπος, εἶδος σπιλωθὲν χρώμασι διηλλαγμένοις.
4Neen, ons heeft geen bedriegelijk uitvindsel van mensen misleid, Noch de nutteloze arbeid van schilders; Geen beeld met bonte kleuren besmeerd,
5ὧν ὄψις ἄφροσιν εἰς ὄνειδος ἔρχεται, ποθεῖ, τε νεκρᾶς εἰκόνος εἶδος ἄπνουν.
5Dat door zijn aanblik den dwaas verleidt, Om de dode gestalte te minnen van een levenloos beeld.
6Κακῶν ἐρασταὶ ἄξιοί τε τοιούτων ἐλπίδων, καὶ οἱ δρῶντες, καὶ οἱ ποθοῦντες, καὶ οἱ σεβόμενοι.
6Minnaars der boosheid en waard op zo iets te hopen Zijn zij, die ze maken, en die ze liefde en eerbied betonen.
7Καὶ γὰρ κεραμεὺς ἁπαλὴν γῆν θλίβων ἐπίμοχθον, πλάσσει πρὸς ὑπηρεσίαν ἡμῶν ἕκαστον. ἀλλʼ ἐκ τοῦ αὐτοῦ πηλοῦ ἀνεπλάσατο τά τε τῶν καθαρῶν ἔργων δοῦλα σκεύη, τά τε ἐναντία, πάνθʼ ὁμοίως· τούτων δὲ ἑκατέρου τίς ἑκάστου ἐστὶν ἡ χρῆσις, κριτὴς ὁ πηλουργός.
7Een pottebakker bijvoorbeeld kneedt moeizaam de weke klei, En vormt ten onzen gerieve allerlei vaten. Uit hetzelfde leem vormt hij zonder verschil De vaten, die dienen voor een eerzaam gebruik, Maar ook, die voor iets anders bedoeld zijn; En welke bestemming elk van beide zal vinden, Het is de pottebakker, die het beslist.
8Καὶ κακόμοχθος θεὸν μάταιον ἐκ τοῦ αὐτοῦ πλάσσει πηλοῦ, ὃς πρὸ μικροῦ ἐκ γῆς γεννηθεὶς μετʼ ὀλίγον πορεύεται ἐξ ἧς ἐλήφθη, τὸ τῆς ψυχῆς ἀπαιτηθεὶς χρέος.
8Met onzalige ijver maakt hij uit dezelfde klei een nietigen god: Hij, die kort geleden zelf uit aarde ontstond, En binnenkort terugkeert naar haar, waaruit hij werd genomen, Als de ziel, die hij te leen kreeg, wordt teruggevorderd.
9Ἀλλʼ ἔστιν αὐτῷ φροντὶς οὐχ ὅτι μέλλει κάμνειν, οὐδʼ ὅτι βραχυτελῆ βίον ἔχει, ἀλλʼ ἀντερείδεται μὲν χρυσουργοῖς καὶ ἀργυροχόοις, χαλκοπλάστας τε μιμεῖται, καὶ δόξαν ἡγεῖται ὅτι κίβδηλα πλάσσει.
9Maar hij denkt er niet aan, dat hij eens zal verdwijnen, En dat hij een kortstondig leven heeft. Neen, hij wil zich met goud- en zilversmeden meten, Bootst den koperslager na, En gaat er nog groot op, dat hij namaak levert.
10Σποδὸς ἡ καρδία αὐτοῦ, καὶ γῆς εὐτελεστέρα ἡ ἐλπὶς αὐτοῦ, πηδοῦ τε ἀτιμότερος ὁ βίος αὐτον·
10Zijn hart is enkel as, Nietiger nog dan zand zijn hoop; Zijn leven is nog minder waard dan het leem.
11ὅτι ἠγνόησε τὸν πλάσαντα αὐτὸν, καὶ τὸν ἐμπνεύσαντα αὐτῷ ψυχὴν ἐνεργοῦσαν, καὶ ἐμφυσήσαντα πνεῦμα ζωτίκον.
11Want hij miskent Hem, die hem maakte, Die hem een werkzame geest inblies, En een levende ziel in hem plantte.
12Ἀλλʼ ἐλογίσαντο παίγνιον εἶναι τὴν ζωὴν ἡμῶν, καὶ τὸν βίον πανεγυρισμὸν ἐπικερδῆ· δεῖν γάρ φησιν ὅθεν δὴ κᾂν ἐκ κακοῦ πορίζειν.
12Ja, hij beschouwt ons leven als een spel, Ons bestaan als een winstgevende kermis; Uit alles, zelfs uit het kwaad, meent hij voordeel te moeten trekken.
13Οὗτος γὰρ παρὰ πάντας οἶδεν ὅτι ἁμαρτάνει, ὕλης γεώδους εὔθραυστα σκεύη καὶ γλυπτὰ δημιουργῶν.
13Toch weet hij beter nog dan anderen, dat hij zondigt, Als hij uit stof der aarde broze potten en beelden maakt.
14Πάντες δʼ ἀφρονέστατοι καὶ τάλανες ὑπὲρ ψυχὴν νηπίου, οἱ ἐχθροὶ τοῦ λαοῦ σου καταδυναστεύσαντες αὐτόν.
14Grote dwazen zijn zij allen, erger nog dan een kind, De vijanden van uw volk, die het hebben verdrukt.
15Ὅτι καὶ πάντα εἴδωλα τῶν ἐθνῶν ἐλογίσαντο θεοὺς, οἷς οὔτε ὁμμάτων χρῆσις εἰς ὅρασιν, οὔτε ῥῖνες εἰς συνολκὴν ἀέρος, οὔτε ὦτα ἀκούειν, οὔτε δάκτυλοι χειρῶν εἰς ψηλάφησιν, καὶ οἱ πόδες αὐτῶν ἀργοὶ πρὸς ἐπίβασιν.
15Want alle goden der heidenen houden zij voor god, Ofschoon die hun ogen niet kunnen gebruiken, om te zien, Hun neus niet, om lucht in te ademen, Hun oren niet, om te horen, De vingers van hun handen niet, om te tasten, En wier voeten niet in staat zijn, om te gaan.
16Ἄνθρωπος γὰρ ἐποίησεν αὐτοὺς, καὶ τὸ πνεῦμα δεδανεισμένος ἔπλασεν αὐτούς· οὐδεὶς γὰρ αὐτῷ ὅμοιον ἄνθρωπος ἰσχύει πλάσαι θεόν·
16Want het is een mens, die ze heeft gemaakt; Eén, die zelf de geest in leen kreeg, heeft ze gevormd. Ja, een mens vermag niet eens, een god te maken, aan zich gelijk:
17θνητὸς δὲ ὢν νεκρὸν ἐργάζεται χερσὶν ἀνόμοις· κρείττων γάρ ἐστι τῶν σεβασμάτων αὐτοῦ, ὧν αὐτὸς μὲν ἔζησεν, ἐκεῖνα δὲ οὐδέποτε.
17Zelf sterfelijk, maakt hij met snode handen een levenloos ding; Maar zelf is hij beter, dan dat wat hij aanbidt, Want hij bezit het leven, dat andere niet!
18Καὶ τὰ ζῶα δὲ τὰ ἔχθιστα σέβονται, ἄνοια γὰρ συγκρινόμενα τῶν ἄλλων ἐστὶ χείρονα.
18Zelfs vereren zij de afschuwelijkste beesten, Die door hun domheid nog lager staan dan de anderen,
19Οὐδʼ ὅσον ἐπιποθῆσαι ὡς ἐν ζώων ὄψει καλὰ τυγχάνει, ἐκπέφευγε δὲ καὶ τὸν τοῦ Θεοῦ ἔπαινον καὶ τὴν εὐλογίαν αὐτοῦ.
19Die niet mooi genoeg zijn, om er van te houden, Zoals dat bij het zien van dieren mogelijk is: Maar aan wie Gods lofspraak en zegen zijn ontgaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.