ΘΡΗΝΟΙ
Chapter 4

ΘΡΗΝΟΙ

Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΑΛΕΦ. Πῶς ἀμαυρωθήσεται χρυσίον, ἀλλοιωθήσεται τὸ ἀργύριον τὸ ἀγαθόν; ἐξεχύθησαν λίθοι ἅγιοι ἐπʼ ἀρχῆς πασῶν ἐξόδων.
1Hoe heeft het goud zijn glans verloren, Hoe dof is het edel metaal; Hoe werden de heilige stenen Op alle hoeken der straten gesmeten.
2ΒΗΘ. Οἱ υἱοὶ Σιὼν οἱ τίμιοι, οἱ ἐπῃρμένοι ἐν χρυσίῳ, πῶς ἐλογίσθησαν εἰς ἀγγεῖα ὀστράκινα, ἔργα χειρῶν κεραμέως;
2Hoe werden de kostelijke zonen van Sion, Waard hun gewicht aan het fijnste goud, Als aarden kruiken behandeld, Het maaksel van den pottenbakker.
3ΓΙΜΕΛ. Καί γε δράκοντες ἐξέδυσαν μαστοὺς, ἐθήλασαν σκύμνοι αὐτῶν θυγατέρας λαοῦ μου εἰς ἀνίατον, ὡς στρουθίον ἐν ἐρήμῳ.
3Zelfs jakhalzen reiken de borst, En zogen haar welpen: Maar de dochter van mijn volk was hardvochtig Als de struisen in de woestijn.
4ΔΑΛΕΘ. Ἐκολλήθη ἡ γλῶσσα θηλάζοντος πρὸς τὸν φάρυγγα αὐτοῦ ἐν δίψει, νήπια ᾔτησαν ἄρτον, ὁ διακλῶν οὐκ ἔστιν αὐτοῖς.
4De tong van de zuigeling kleefde van dorst Aan zijn gehemelte vast; De kinderen vroegen om brood, Maar niemand, die het hun brak.
5Η. Οἱ ἔσθοντες τὰς τρυφὰς ἠφανίσθησαν ἐν ταῖς ἐξόδοις, οἱ τιθηνούμενοι ἐπὶ κόκκων περιεβάλλοντο κοπρίας.
5Die van lekkernijen smulden, Versmachtten op straat; Die op purper werden gedragen, Omarmden de mesthoop.
6ΟΥΑΥ. Καὶ ἐμεγαλύνθη ἀνομία θυγατρὸς λαοῦ μου ὑπὲρ ἀνομίας Σοδόμων τῆς κατεστραμμένης ὥσπερ σπουδὴ, καὶ οὐκ ἐπόνεσαν ἐν αὐτῇ χεῖρας.
6Want de schuld van de dochter van mijn volk Is groter dan de zonde van Sodoma: En dàt werd in een oogwenk vernield, Zonder dat iemand de hand er aan sloeg.
7ΖΑΙΝ. Ἐκαθαριώθησαν Ναζιραῖοι αὐτῆς ὑπὲρ χιόνα, ἔλαμψαν ὑπὲρ γάλα, ἐπυρώθησαν, ὑπὲρ λίθου σαπφείρου τὸ ἀπόσπασμα αὐτῶν.
7Haar vorsten waren witter dan sneeuw En blanker dan melk, Hun lijven roder dan koralen, Hun lokken glansden als saffier.
8ΗΘ. Ἐσκότασεν ὑπὲρ ἀσβόλην τὸ εἶδος αὐτῶν, οὐκ ἐπεγνώσθησαν ἐν ταῖς ἐξόδοις· ἐπάγη δέρμα αὐτῶν ἐπὶ τὰ ὀστέα αὐτῶν, ἐξηράνθησαν, ἐγενήθησαν ὥσπερ ξύλον.
8Maar hun gelaat werd zwarter dan roet, Men kende ze in de straten niet meer; Hun huid lag verschrompeld om hun gebeente, Verdroogd als hout.
9ΤΗΘ. Καλοὶ ἦσαν οἱ τραυματίαι ῥομφαίας, ἢ οἱ τραυματίαι λιμοῦ· ἐπορεύθησαν ἐκκεκεντημένοι ἀπὸ γεννημάτων ἀγρῶν.
9Die het zwaard had doorboord, voeren beter, Dan die door de honger werden gekweld, Zij versmachtten en werden gemarteld, Omdat ze geen veldvruchten oogstten.
10ΙΩΔ. Χεῖρες γυναικῶν οἰκτιρμόνων ἥψησαν τὰ παιδία αὐτῶν, ἐγενήθησαν εἰς βρῶσιν αὐταῖς, ἐν τῷ συντρίμματι τῆς θυγατρὸς τοῦ λαοῦ μου.
10Tedere vrouwen hebben met eigen hand Haar kinderen gekookt; Ze dienden haar tot voedsel Bij de ondergang van de dochter van mijn volk.
11ΧΑΦ. Συνετέλεσε Κύριος θυμὸν αὐτοῦ, ἐξέχεε θυμὸν ὀργῆς αὐτοῦ, καὶ ἀνῆψε πῦρ ἐν Σιὼν, καὶ κατέφαγε τὰ θεμέλια αὐτῆς.
11Jahweh heeft zijn volle gramschap doen woeden, Uitgestort zijn grimmige toorn, Een vuur ontstoken in Sion, Dat zijn grondslagen heeft verteerd.
12ΛΑΜΕΔ. Οὐκ ἐπίστευσαν βασιλεῖς γῆς, πάντες οἱ κατοικοῦντες τὴν οἰκουμένην, ὅτι εἰσελεύσεται ἐχθρὸς καὶ ἐκθλίβων διὰ τῶν πυλῶν Ἱερουσαλήμ.
12Nooit konden de koningen der aarde geloven, Nooit iemand ter wereld: Dat de verdrukker en vijand Binnen Jerusalems poorten zou rukken.
13ΜΗΜ. Ἐξ ἁμαρτιῶν προφητῶν αὐτῆς, ἀδικιῶν ἱερέων αὐτῆς, τῶν ἐκχεόντων αἷμα δίκαιον ἐν μέσῳ αὐτῆς.
13Het was om de zonden van de profeten, Om de schuld van zijn priesters, Die binnen zijn muren Onschuldig bloed hadden vergoten.
14ΝΟΥΝ. Ἐσαλεύθησαν ἐγρήγοροι αὐτῆς ἐν ταῖς ἐξόδοις, ἐμολύνθησαν ἐν αἵματι ἐν τῷ μὴ δύνασθαι αὐτοὺς, ἥψαντο ἐνδυμάτων αὐτῶν.
14Ze zwierven als melaatsen op straat, Bezoedeld met bloed; Men mocht hen niet aanraken, Zelfs niet bij hun kleren.
15ΣΑΜΕΧ. Ἀπόστητε ἀκαθάρτων, καλέσατε αὐτοὺς, ἀπόστητε, ἀπόστητε, μὴ ἅπτεσθε, ὅτι ἀνήφθησαν, καί γε ἐσαλεύθησαν· εἴπατε ἐν τοῖς ἔθνεσιν, οὐ μὴ προσθῶσι τοῦ παροικεῖν.
15Op zij; onrein! riep men ze toe; Terug, terug, raakt ze niet aan! Neen, ze moeten vluchten, onder de heidenen zwerven; Hier mogen ze langer niet blijven!
16ΑΙΝ. Πρόσωπον Κυρίου μερὶς αὐτῶν, οὐ προσθήσει ἐπιβλέψαι αὐτοῖς· πρόσωπον ἱερέων οὐκ ἔλαβον, προφήτας οὐκ ἠλέησαν.
16Het aanschijn van Jahweh heeft ze verstrooid, Het blikt niet meer op hen neer; Het heeft de priesters niet ontzien, De oudsten niet gespaard.
17ΦΗ. Ἔτι ὄντων ἡμῶν ἐξέλιπον οἱ ὀφθαλμοὶ ἡμῶν, εἰς τὴν βοήθειαν ἡμῶν μάταια ἀποσκοπευόντων ἡμῶν.
17Toch keken wij nog smachtend uit Naar redding: maar tevergeefs; Op onze wachtpost bleven wij staren Naar een volk, dat ons toch niet zou helpen.
18ΤΣΑΔΗ. Ἀπεσκοπεύσαμεν εἰς ἔθνος οὐ σῶζον, ἐθηρεύσαμεν μικροὺς ἡμῶν, τοῦ μὴ πορεύεσθαι ἐν ταῖς πλατείαις ἡμῶν.
18Men bespiedde ons bij iedere stap, Zelfs op onze pleinen konden we niet gaan. Nabij was ons einde, onze dagen voorbij; Ja, ons eind was gekomen!
19ΚΩΦ. Ἤγγικεν ὁ καιρὸς ἡμῶν, ἐπληρώθησαν αἱ ἡμέραι ἡμῶν, πάρεστιν ὁ καιρὸς ἡμῶν. Κοῦφοι ἐγένοντο οἱ διώκοντες ἡμᾶς ὑπὲρ ἀετοὺς οὐρανοῦ, ἐπὶ τῶν ὀρέων ἐξέπτησαν, ἐν ἐρήμῳ ἐνήδρευσαν ἡμᾶς.
19Onze vervolgers waren nog sneller Dan adelaars in de lucht; Ze zetten ons na op de bergen, Belaagden ons in de woestijn.
20ΡΗΧΣ. Πνεῦμα προσώπου ἡμῶν χριστὸς Κύριος συνελήφθη ἐν ταῖς διαφθοραῖς αὐτῶν, οὗ εἴπαμεν, ἐν τῇ σκιᾶ αὐτοῦ ζησόμεθα ἐν τοῖς ἔθνεσι.
20Onze levensadem, de gezalfde van Jahweh, Werd in hun kuilen gevangen; Hij, van wien wij hadden gedacht: In zijn schaduw leven wij onder de volken.
21ΧΣΕΝ. Χαῖρε καὶ εὐφραίνου θύγατερ Ἰδουμαίας ἡ κατοικοῦσα ἐπὶ γῆς, καί γε ἐπὶ σὲ διελεύσεται τὸ ποτήριον Κυρίου, μεθυσθήσῃ καὶ ἀποχεεῖς.
21Jubel en juich maar, dochter van Edom, Die het land van Oes bewoont: Ook u zal de beker worden gereikt; Ge zult u bedrinken, en u ontbloten!
22ΘΑΥ. Ἐξέλιπεν ἡ ἀνομία σου θύγατερ Σιὼν, οὐ προσθήσει τοῦ ἀποικίσαι σε· ἐπεσκέψατο ἀνομίας σου θύγατερ Ἐδὼμ, ἀπεκάλυψεν ἐπὶ τὰ ἀσεβήματά σου.
22Uw schuld is ten einde, dochter van Sion: Hij zal u nooit meer verbannen! Maar ùw schuld zal Hij straffen, dochter van Edom, Uw zonden openbaren!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.