ΚΡΙΤΑΙ
Chapter 2
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἀνέβη ἄγγελος Κυρίου ἀπὸ Γαλγὰλ ἐπὶ τὸν κλαυθμῶνα καὶ ἐπὶ Βαιθὴλ καὶ ἐπὶ τὸν οἶκον Ἰσραὴλ, καὶ εἶπε πρὸς αὐτοὺς, τάδε λέγει Κύριος, ἀνεβίβασα ὑμᾶς ἐξ Αἰγύπτου, καὶ εἰσήγαγον ὑμᾶς εἰς τὴν γῆν ἣν ὤμοσα τοῖς πατράσιν ὑμῶν· καὶ εἶπα, οὐ διασκεδάσω τὴν διαθήκην μου τὴν μεθʼ ὑμῶν εἰς τὸν αἰῶνα.
1Toen trok de engel van Jahweh van Gilgal op naar Betel en sprak: Ik heb u weggevoerd uit Egypte en naar het land gebracht, dat Ik onder ede aan uw vaderen had beloofd, en Ik heb gezegd: Nooit zal Ik mijn Verbond met u verbreken,
2Καὶ ὑμεῖς οὐ διαθήσεσθε διαθήκην τοῖς ἐγκαθημένοις εἰς τὴν γῆν ταύτην, οὐδὲ τοῖς θεοῖς αὐτῶν προσκυνήσετε, ἀλλὰ τὰ γλυπτὰ αὐτῶν συντρίψετε, τὰ θυσιαστήρια αὐτῶν καθελεῖτε· καὶ οὐκ εἰσηκούσατε τῆς φωνῆς μου, ὅτι ταῦτα ἐποιήσατε.
2wanneer gij geen verbond sluit met de bewoners van dit land, doch hun altaren omver haalt. Maar gij hebt niet naar Mij geluisterd. Hoe hebt ge zo kunnen doen!
3Κᾀγὼ εἶπον, οὐ μὴ ἐξάρω αὐτοὺς ἐκ προσώπου ὑμῶν, καὶ ἔσονται ὑμῖν εἰς συνοχὰς, καὶ οἱ θεοὶ αὐτῶν ἔσονται ὑμῖν εἰς σκάνδαλον.
3En daarom heb Ik besloten: Ik zal hen niet voor u uitdrijven; zij zullen uw vijanden zijn en hun goden een valstrik voor u.
4Καὶ ἐγένετο ὡς ἐλάλησεν ὁ ἄγγελος Κυρίου τοὺς λόγους τούτους πρὸς πάντας υἱοὺς Ἰσραὴλ, καὶ ἐπῇραν ὁ λαὸς τὴν φωνὴν αὐτῶν καὶ ἔκλαυσαν.
4Toen de engel van Jahweh zo tot heel Israël had gesproken, begon het volk luid te wenen;
5Καὶ ἐπωνόμασαν τὸ ὄνομα τοῦ τόπου ἐκείνου, Κλαυθμῶνες· καὶ ἐθυσίασαν ἐκεῖ τῷ Κυρίῳ.
5daarom noemde men die plaats Bokim. En men bracht Jahweh daar een offer.
6Καὶ ἐξαπέστειλεν Ἰησοῦς τὸν λαὸν, καὶ ἦλθεν ἀνὴρ εἰς τὴν κληρονομίαν αὐτοῦ κατακληρονομῆσαι τὴν γῆν.
6Nadat Josuë het volk had laten gaan, trokken de Israëlieten, elk naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen.
7Καὶ ἐδούλευσεν ὁ λαὸς τῷ Κυρίῳ πάσας τὰς ἡμέρας Ἰησοῦ καὶ πάσας τὰς ἡμέρας τῶν πρεσβυτέρων, ὅσοι ἐμακροημέρευσαν μετὰ Ἰησοῦ, ὅσοι ἔγνωσαν πᾶν τὸ ἔργον Κυρίου τὸ μέγα ὅσα ἐποίησεν ἐν τῷ Ἰσραήλ.
7En het volk diende Jahweh, zolang Josuë leefde, en de oudsten er nog waren, die Josuë overleefden, en die getuige waren geweest van al het grootse, dat Jahweh voor Israël had gewrocht.
8Καὶ ἐτελεύτησεν Ἰησοῦς υἱὸς Ναυῆ δοῦλος Κυρίου, υἱὸς ἑκατὸν δέκα ἐτῶν.
8Maar Josuë, de zoon van Noen, de dienaar van Jahweh, stierf in de ouderdom van honderd tien jaren,
9Καὶ ἔθαψαν αὐτὸν ἐν ὁρίῳ τῆς κληρονομίας αὐτοῦ ἐν Θαμναθαρὲς, ἐν ὄρει Ἐφραὶμ ἀπὸ Βοῤῥᾶ τοῦ ὄρους Γαάς.
9en men begroef hem op het grondgebied van zijn erfdeel te Timnat-Sérach, in het bergland van Efraïm ten noorden van de berg Gáasj.
10Καὶ πᾶσα ἡ γενεὰ ἐκείνη προσετέθησαν πρὸς τοὺς πατέρας αὐτῶν· καὶ ἀνέστη γενεὰ ἑτέρα μετʼ αὐτοὺς, οἳ οὐκ ἔγνωσαν τὸν Κύριον, καί γε τὸ ἔργον ὃ ἐποίησεν ἐν τῷ Ἰσραήλ.
10En toen ook heel dat geslacht tot zijn vaderen was verzameld, stond er een ander geslacht op, dat Jahweh niet kende, noch wist wat Hij voor Israël had gedaan.
11Καὶ ἐποίησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τὸ πονηρὸν ἐνώπιον Κυρίου, καὶ ἐλάτρευσαν τοῖς Βααλίμ.
11Nu begonnen de Israëlieten kwaad te doen in de ogen van Jahweh, door de Báals te dienen.
12Καὶ ἐγκατέλιπον τὸν Κύριον τὸν Θεὸν τῶν πατέρων αὐτῶν, τὸν ἐξαγαγόντα αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου, καὶ ἐπορεύθησαν ὀπίσω θεῶν ἑτέρων ἀπὸ τῶν θεῶν τῶν ἐθνῶν τῶν περικύκλῳ αὐτῶν, καὶ προσεκύνησαν αὐτοῖς· καὶ παρώργισαν τὸν Κύριον,
12Ze verlieten Jahweh, den God hunner vaderen, die hen uit Egypte had geleid, en liepen vreemde goden na, de goden der hen omringende volken; hen vereerden ze, maar ze verbitterden Jahweh.
13καὶ ἐγκατέλιπον αὐτὸν, καὶ ἐλάτρευσαν τῷ Βάαλ καὶ ταῖς Ἀστάρταις.
13Ze verzaakten Jahweh, door den Báal en de Asjtarten te dienen.
14Καὶ ὠργίσθη θυμῷ Κύριος ἐν τῷ Ἰσραήλ· καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς εἰς χεῖρας προνομευόντων, καὶ κατεπρονόμευσαν αὐτούς· καὶ ἀπέδοτο αὐτοὺς ἐν χερσὶ τῶν ἐχθρῶν αὐτῶν κυκλόθεν, καὶ οὐκ ἠδυνήθησαν ἔτι ἀντιστῆναι κατὰ πρόσωπον τῶν ἐχθρῶν αὐτῶν ἐν πᾶσιν οἷς ἐπορεύοντο·
14Toen barstte Jahweh’s toorn los tegen Israël; Hij gaf hen prijs aan plunderzieke benden, die hen uitschudden, en leverde hen over aan hun vijanden rondom, zodat ze niet langer tegen hun vijanden waren opgewassen.
15καὶ χεὶρ Κυρίου ἦν ἐπʼ αὐτοὺς εἰς κακὰ, καθὼς ἐλάλησε Κύριος καὶ καθὼς ὤμοσε Κύριος αὐτοῖς, καὶ ἐξέθλιψεν αὐτοὺς σφόδρα.
15Bij al wat ze ondernamen was de hand van Jahweh tegen hen ten verderve gericht, zoals Jahweh gezegd had, zoals Jahweh het hun had gezworen. Maar als ze dan erg verdrukt werden,
16Καὶ ἤγειρε Κύριος κριτὰς, καὶ ἔσωσεν αὐτοὺς Κύριος ἐκ χειρὸς τῶν προνομευόντων αὐτούς· καί γε τῶν κριτῶν οὐχ ὑπήκουσαν,
16deed Jahweh Rechters opstaan, om ze uit de greep van die plunderaars te bevrijden.
17ὅτι ἐξεπόρνευσαν ὀπίσω θεῶν ἑτέρων, καὶ προσεκύνησαν αὐτοῖς· καὶ ἐξέκλιναν ταχὺ ἐκ τῆς ὁδοῦ, ἧς ἐπορεύθησαν οἱ πατέρες αὐτῶν τοῦ εἰσακούειν τῶν λόγων Κυρίου· οὐκ ἐποίησαν οὕτω.
17Maar zelfs naar hun Rechters luisterden ze niet. Ontuchtig liepen ze vreemde goden achterna, om die te vereren; dadelijk weken ze af van de weg, door hun vaderen bewandeld, die naar Jahweh’s voorschriften hadden geluisterd, wat zij niet deden.
18Καὶ ὅτι ἤγειρε Κύριος αὐτοῖς κριτὰς, καὶ ἦν Κύριος μετὰ τοῦ κριτοῦ, καὶ ἔσωσεν αὐτοὺς ἐκ χειρὸς ἐχθρῶν αὐτῶν πάσας τὰς ἡμέρας τοῦ κριτοῦ, ὅτι παρεκλήθη Κύριος ἀπὸ τοῦ στεναγμοῦ αὐτῶν ἀπὸ προσώπου τῶν πολιορκούντων αὐτοὺς καὶ ἐκθλιβόντων αὐτούς.
18Als Jahweh hun Rechters verwekt had, dan was Jahweh ook met den Rechter, en bevrijdde Hij hen van hun vijanden, zolang de Rechter leefde; want hun gejammer om hun verdrukkers en vervolgers ging Jahweh ter harte.
19Καὶ ἐγένετο ὡς ἀπέθνησκεν ὁ κριτὴς, καὶ ἀπέστρεψαν καὶ πάλιν διέφθειραν ὑπὲρ τοὺς πατέρας αὐτῶν πορεύεσθαι ὀπίσω θεῶν ἑτέρων, λατρεύειν αὐτοῖς καὶ προσκυνεῖν αὐτοῖς· οὐκ ἀπέῤῥιψαν τὰ ἐπιτηδεύματα αὐτῶν, καὶ τὰς ὁδοὺς αὐτῶν τὰς σκληράς.
19Maar nauwelijks was de Rechter gestorven, of ze maakten het nog erger dan hun vaders; ze liepen vreemde goden achterna, dienden en vereerden hen, en lieten niets achterwege, wat in hun handel en wandel verkeerd was geweest.
20Καὶ ὠργίσθη θυμῷ Κύριος ἐν τῷ Ἰσραήλ· καὶ εἶπεν, ἀνθʼ ὧν ὅσα ἐγκατέλιπον τὸ ἔθνος τοῦτο τὴν διαθήκην μου ἣν ἐνετειλάμην τοῖς πατράσιν αὐτῶν, καὶ οὐκ εἰσήκουσαν τῆς φωνῆς μου,
20Toen ontstak Jahweh in toorn tegen Israël, en sprak: Omdat dit volk het Verbond, waartoe Ik hun vaderen verplichtte, geschonden en naar Mij niet geluisterd heeft,
21καὶ ἐγὼ οὐ προσθήσω τοῦ ἐξᾶραι ἄνδρα ἐκ προσώπου αὐτῶν ἀπὸ τῶν ἐθνῶν, ὧν κατέλιπεν Ἰησοῦς υἱὸς Ναυῆ ἐν τῇ γῇ· καὶ ἀφῆκε
21daarom zal ook Ik geen der volken, die Josuë bij zijn dood heeft overgelaten, meer voor hen verdrijven,
22τοῦ πειρᾶσαι ἐν αὐτοῖς τὸν Ἰσραὴλ, εἰ φυλάσσονται τὴν ὁδὸν Κυρίου πορεύεσθαι ἐν αὐτῇ, ὃν τρόπον ἐφύλαξαν οἱ πατέρες αὐτῶν, ἢ οὔ.
22om zo door middel van hen de Israëlieten op de proef te stellen, of ze al dan niet ervoor zullen zorgen, Jahweh’s wegen te bewandelen, zoals hun vaderen daarvoor hebben gezorgd.
23Καὶ ἀφήσει Κύριος τὰ ἔθνη ταῦτα τοῦ μὴ ἐξᾶραι αὐτὰ τὸ τάχος, καὶ οὐ παρέδωκεν αὐτὰ ἐν χειρὶ Ἰησοῦ.
23Daarom liet Jahweh die volken met rust; Hij heeft ze niet aanstonds verdreven, noch ze in Josuë’s hand geleverd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.