ΑΜΩΣ. Βʹ
Chapter 4

ΑΜΩΣ. Βʹ

Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΑΜΩΣ. Βʹ 4

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ἀκούσατε τὸν λόγον τοῦτον δαμάλεις τῆς Βασανίτιδος, αἱ ἐν τῷ ὄρει τῆς Σαμαρείας, αἱ καταδυναστεύουσαι πτωχοὺς, καὶ καταπατοῦσαι πένητας, αἱ λέγουσαι τοῖς κυρίοις αὐτῶν, ἐπίδοτε ἡμῖν ὅπως πίωμεν.
1Hoort dit woord, koeien van Basjan op Samaria’s gebergte, Die de zwakken verdrukt en de armen vertrapt, Tot uw mannen zegt: Brengt ons te drinken!
2Ομνύει Κύριος κατὰ τῶν ἁγίων αὐτοῦ, διότι ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται ἐφʼ ὑμᾶς, καὶ λήψονται ὑμᾶς ἐν ὅπλοις, καὶ τοὺς μεθʼ ὑμῶν εἰς λέβητας ὑποκαιομένους ἐμβαλοῦσιν ἔμπυροι λοιμοὶ,
2Bij zijn heiligheid heeft Jahweh, de Heer, het gezworen: Ziet, de dagen gaan voor u komen, Dat men u ophaalt aan haken, En uw kinderen aan angels;
3καὶ ἐξενεχθήσεσθε γυμναὶ κατέναντι ἀλλήλων, καὶ ἀποῤῥιφήσεσθε εἰς τὸ ὄρος τὸ Ῥομμὰν, λέγει Κύριος.
3Dat ge de bressen zult uitgaan, de een na de ander, En naar de Hermon zult worden gesleurd: Is de godsspraak van Jahweh!
4Εἰσήλθατε εἰς Βαιθὴλ, καὶ ἠσεβήσατε, καὶ εἰς Γάλγαλα ἐπληθύνατε τοῦ ἀσεβῆσαι· καὶ ἠνέγκατε εἰς τοπρωῒ θυσίας ὑμῶν, εἰς τὴν τριημερίαν τὰ ἐπιδέκατα ὑμῶν.
4Trekt op naar Betel, en bezondigt u maar; Naar Gilgal, en maakt uw misdaad nog erger. Brengt iedere morgen uw offers, Alle drie jaren uw tienden.
5Καὶ ἀνέγνωσαν ἔξω νόμον, καὶ ἐπεκαλέσαντο ὁμολογίας· ἀναγγείλατε ὅτι ταῦτα ἠγάπησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ, λέγει Κύριος.
5Draagt uw ongedesemd dankoffer op, Bazuint uw vrijwillige gaven uit, Want dat doet ge zo gaarne, kinderen van Israël: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
6Καὶ ἐγὼ δώσω ὑμῖν γομφιασμὸν ὀδόντων ἐν πάσαις ταῖς πόλεσιν ὑμῶν, καὶ ἔνδειαν ἄρτων ἐν πᾶσι τοῖς τόποις ὑμῶν· καὶ οὐκ ἐπεστρέψατε πρὸς μὲ, λέγει Κύριος.
6In al uw steden heb Ik u blanke tanden gegeven. In al uw plaatsen broodsgebrek! Maar ge hebt u tot Mij niet bekeerd: Is de godsspraak van Jahweh!
7Καὶ ἐγὼ ἀνέσχον ἐξ ὑμῶν τὸν ὑετὸν πρὸ τριῶν μηνῶν τοῦ τρυγητοῦ, καὶ βρέξω ἐπὶ πόλιν μίαν, ἐπὶ δὲ πόλιν μίαν οὐ βρέξω· μερὶς μία βραχήσεται, καὶ μερὶς, ἐφʼ ἣν οὐ βρέξω, ξηρανθήσεται.
7Ik was het, die u regen onthield, Drie maanden lang voor de oogst; Ik liet het regenen op de ene stad, Op de andere niet; De ene akker werd door de regen besproeid, De andere verdroogde, omdat er geen regen op viel.
8Καὶ συναθροισθήσονται δύο καὶ τρεῖς πόλεις εἰς πόλιν μίαν τοῦ πιεῖν ὕδωρ, καὶ οὐ μὴ ἐμπλησθῶσι· καὶ οὐκ ἐπεστράφητε πρὸς μὲ, λέγει Κύριος.
8Twee, drie steden sleepten zich Naar een en dezelfde stad, Om water te drinken, Zonder dat haar dorst werd gelest! Maar ge hebt u tot Mij niet bekeerd: Is de godsspraak van Jahweh!
9Ἐπάταξα ὑμᾶς ἐν πυρώσει, καὶ ἐν ἰκτέρῳ· ἐπληθύνατε κήπους ὑμῶν, ἀμπελῶνας ὑμῶν, καὶ συκεῶνας ὑμῶν· καὶ ἐλαιῶνας ὑμῶν κατέφαγεν ἡ κάμπη· καὶ οὐδʼ ὡς ἐπεστρέψατε πρὸς μὲ, λέγει Κύριος.
9Ik heb u met brand en meeldauw geslagen, Uw tuinen en gaarden vernield, En de sprinkhaan vrat uw vijg en olijf! Maar ge hebt u tot Mij niet bekeerd: Is de godsspraak van Jahweh!
10Ἐξαπέστειλα εἰς ὑμᾶς θάνατον ἐν ὁδῷ Αἰγύπτου, καὶ ἀπέκτεινα ἐν ῥομφαίᾳ τοὺς νεανίσκους ὑμῶν, μετὰ αἰχμαλωσίας ἵππων σου, καὶ ἀνήγαγον ἐν πυρὶ τὰς παρεμβολὰς ἐν τῇ ὀργῇ ὑμῶν· καὶ οὐδʼ ὡς ἐπεστρέψατε πρὸς μὲ, λέγει Κύριος.
10Ik zond de pest onder u als die van Egypte, Vermoordde uw jongens met het zwaard: Uw paarden werden geroofd, De stank van uw legerplaats Liet Ik in uw neusgaten dringen! Maar ge hebt u tot Mij niet bekeerd: Is de godsspraak van Jahweh!
11Κατέστρεψα ὑμᾶς, καθὼς κατέστρεψεν ὁ Θεὸς Σόδομα καὶ Γόμοῤῥα, καὶ ἐγένεσθε ὡς δαλὸς ἐξέσπασμένος ἐκ πυρός· καὶ οὐδʼ ὡς ἐπεστρέψατε πρὸς μὲ, λέγει Κύριος.
11Ik heb u onderstboven geworpen, Zoals God Sodoma en Gomorra vernielde: En als brandhout werdt gij aan de vlammen ontrukt! Maar ge hebt u tot Mij niet bekeerd: Is de godsspraak van Jahweh!
12Διατοῦτο οὕτως ποιήσω σοι Ἰσραήλ· πλὴν ὅτι οὕτως ποιήσω σοι, ἑτοιμάζου τοῦ ἐπικαλεῖσθαι τὸν Θεόν σου Ἰσραήλ.
12Daarom geef Ik u, Israël, wat ge verdient; Israël, houd u gereed, om voor uw God te verschijnen:
13Διότι ἰδοὺ ἐγὼ στερεῶν βροντὴν, καὶ κτίζων πνεῦμα, καὶ ἀπαγγέλλων εἰς ἀνθρώπους τὸν χριστὸν αὐτοῦ, ποιῶν ὄρθρον καὶ ὁμίχλην, καὶ ἐπιβαίνων ἐπὶ τὰ ὑψηλὰ τῆς γῆς· Κύριος ὁ Θεὸς ὁ παντοκράτωρ ὄνομα αὐτῷ.
13Voor Hem, die de bergen boetseerde en de winden schiep, Die den mens zijn diepste gedachten onthult, De dageraad in het donker verkeert, En de hoogste toppen der aarde bestijgt: Jahweh, der heirscharen God, is zijn Naam!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.