ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ 5
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ Ναιμὰν ὁ ἄρχων τῆς δυνάμεως Συρίας ἦν ἀνὴρ μέγας ἐνώπιον τοῦ κυρίου αὐτοῦ, καὶ τεθαυμασμένος προσώπῳ, ὅτι ἐν ὑτῶ ἔδωκε Κύριος σωτηρίαν Συρίᾳ· καὶ ὁ ἀνὴρ ἦν δυνατὸς ἰσχύϊ, λελεπρωμένος.
1Er leefde toen een zekere Naäman, die legeroverste was van den koning van Aram. Hij was een man van invloed, en stond in hoog aanzien bij zijn heer, omdat Jahweh door hem aan de Arameën een overwinning geschonken had. Maar de man was melaats.
2Καὶ Συρία ἐξῆλθον μονόζωνοι, καὶ ᾐχμαλώτευσαν ἐκ γῆς Ἰσραὴλ νεάνιδα μικρὰν, καὶ ἦν ἐνώπιον τῆς γυναικὸς Ναιμάν.
2Nu waren er vroeger in het land van Israël aramese benden op strooptocht geweest, en hadden daar een nog jong meisje geroofd. Dit was nu in dienst bij de vrouw van Naäman.
3Ἡ δὲ εἶπε τῇ κυρίᾳ αὐτῆς, ὄφελον ὁ κύριός μου ἐνώπιον τοῦ προφήτου τοῦ Θεοῦ τοῦ ἐν Σαμαρείᾳ, τότε ἀποσυνάξει αὐτὸν ἀπὸ τῆς λέπρας αὐτοῦ.
3Ze zei tot haar meesteres: Was mijn meester maar eens bij den profeet in Samaria; die zou hem wel van zijn melaatsheid genezen.
4Καὶ εἰσῆλθε καὶ ἀπήγγειλε τῷ κυρίῳ ἑαυτῆς, καὶ εἶπεν, οὕτως καὶ οὕτως ἐλάλησεν ἡ νεᾶνις ἡ ἐκ γῆς Ἰσραήλ.
4Nu ging Naäman naar zijn heer en sprak: Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israël gezegd.
5Καὶ εἶπε βασιλεὺς Συρίας πρὸς Ναιμὰν, δεῦρο, εἴσελθε καὶ ἐξαποστελῶ βιβλίον πρὸς βασιλέα Ἰσραήλ· καὶ ἐπορεύθη, καὶ ἔλαβεν ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ δέκα τάλαντα ἀργυρίου, καὶ ἑξακισχιλίους χρυσοῦς, καὶ δέκα ἀλλασσομένας στολὰς.
5Toen zei de koning van Aram: Ga er dan heen; ik zal een schrijven zenden aan den koning van Israël. Hij ging dus op weg, en nam tien talenten zilver, zesduizend gouden sikkels en tien stel feestgewaden mee.
6Καὶ ἤνεγκε τὸ βιβλίον πρὸς τὸν βασιλέα Ἰσραὴλ, λέγων, καὶ νῦν ὡς ἂν ἔλθῃ τὸ βιβλίον τοῦτο πρὸς σὲ, ἰδοὺ ἀπέστειλα πρὸς σὲ Ναιμὰν τὸν δοῦλόν μου, καὶ ἀποσυνάξεις αὐτὸν ἀπὸ τῆς λέπρας αὐτοῦ.
6Aan den koning van Israël bracht hij een schrijven over van de volgende inhoud: Tegelijk met deze brief zend ik u mijn dienaar Naäman, opdat gij hem van zijn melaatsheid geneest.
7Καὶ ἐγένετο ὡς ἀνέγνω βασιλεὺς Ἰσραὴλ τὸ βιβλίον, διέῤῥηξε τὰ ἱμάτια αὐτοῦ, καὶ εἶπεν, ὁ Θεὸς ἐγὼ τοῦ θανατῶσαι καὶ ζωοποιῆσαι, ὅτι οὗτος ἀποστέλλει πρὸς μὲ ἀποσυνάξαι ἄνδρα ἀπὸ τῆς λέπρας αὐτοῦ; ὅτι πλὴν γνῶτε δὴ καὶ ἴδετε ὅτι προφασίζεται οὗτός μοι.
7Zodra de koning van Israël de brief had gelezen, scheurde hij zijn klederen en sprak: Ben ik dan een God, die kan doden en levend maken, dat hij een man naar mij toe stuurt, om hem van zijn melaatsheid te genezen? Ziet ge nu wel, dat hij een voorwendsel tegen me zoekt?
8Καὶ ἐγένετο ὡς ἤκουσεν Ἐλισαιὲ, ὅτι διέῤῥηξεν ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ, καὶ ἀπέστειλε πρὸς τὸν βασιλέα Ἰσραὴλ, λέγων, ἱνατί διέῤῥηξας τὰ ἱμάτιά σου; ἐλθέτω δὴ πρὸς μὲ Ναιμὰν, καὶ γνώτω ὅτι ἐστι προφήτης ἐν Ἰσραήλ.
8Toen de godsman Eliseus hoorde, dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, liet hij den koning zeggen: Waarom scheurt ge uw klederen? Laat hem bij mij komen; dan zal hij zien, dat er een profeet is in Israël.
9Καὶ ἦλθε Ναιμὰν ἐν ἵππῳ καὶ ἅρματι, καὶ ἔστη ἐπὶ θύρας οἴκου Ἐλισαιέ.
9Naäman ging dus met zijn paarden en wagens naar Eliseus, en hield stil voor de ingang van zijn huis.
10Καὶ ἀπέστειλεν Ἐλισαιὲ ἄγγελον πρὸς αὐτὸν, λέγων, πορευθεὶς λοῦσαι ἑπτάκις ἐν τῷ Ἰορδάνῃ, καὶ ἐπιστρέψει ἡ σάρξ σου σοὶ καὶ καθαρισθήσῃ.
10Maar Eliseus liet hem door een boodschapper zeggen: Ga u zeven maal wassen in de Jordaan; dan wordt uw vlees weer gezond en rein.
11Καὶ ἐθυμώθη Ναιμάν καὶ ἀπῆλθε, καὶ εἶπεν, ἰδοὺ εἶπον, πρὸς μὲ πάντως ἐξελεύσεται καὶ στήσεται, καὶ ἐπικαλέσεται ἐν ὀνόματι Θεοῦ αὐτοῦ, καὶ ἐπιθήσει τὴν χεῖρα αὐτοῦ ἐπὶ τὸν τόπον, καὶ ἀποσυνάξει τὸ λεπρόν.
11Hierover verstoord liep Naäman weg en riep uit: Ik had gedacht, dat hij zelf wel naar buiten zou komen, om over mij de naam van Jahweh, zijn God, aan te roepen, met zijn hand over de plek te strijken, en zo de melaatsheid te genezen.
12Οὐχὶ ἀγαθὸς Ἀβανὰ καὶ Φαρφὰρ ποταμοὶ Δαμασκοῦ ὑπὲρ πάντα τὰ ὕδατα Ἰσραὴλ; οὐχὶ πορευθεὶς λούσομαι ἐν αὐτοῖς, καὶ καθαρισθήσομαι; καὶ ἐξέκλινε καὶ ἀπῆλθεν ἐν θυμῷ.
12Zijn de rivieren van Damascus, de Albana en de Parpar, soms niet beter, dan al de wateren van Israël! Kan ik daar niet gaan baden, om rein te worden? En hij keerde zich om, en ging toornig heen.
13Καὶ ἤγγισαν οἱ παῖδες αὐτοῦ, καὶ ἐλάλησαν πρὸς αὐτὸν, μέγαν λόγον ἐλάλησεν ὁ προφήτης πρὸς σέ· οὐχὶ ποιήσεις; καὶ ὅτι εἶπε πρὸς σέ, λοῦσαι καὶ καθαρίσθητι.
13Maar zijn dienaren trachtten hem te overreden, en zeiden: Vader, wanneer de profeet u iets moeilijks had voorgeschreven, dan hadt ge het zeker gedaan. Waarom dan niet, nu hij zegt: “Was u en ge wordt rein.”
14Καὶ κατέβη Ναιμὰν καὶ ἐβαπτίσατο ἐν τῷ Ἰορδάνῃ ἑπτάκις κατὰ τὸ ῥῆμα Ἐλισαῖε· καὶ ἐπέστρεψεν ἡ σὰρξ αὐτοῦ ὡς σὰρξ παιδαρίου μικροῦ, καὶ ἐκαθαρίσθη.
14Toen ging hij naar de Jordaan, en dompelde zich daar zeven maal onder, zoals de godsman gezegd had. En zijn lichaam werd weer als dat van een kind; hij was rein.
15Καὶ ἐπέστρεψε πρὸς Ἐλισαιὲ αὐτὸς καὶ πᾶσα ἡ παρεμβολὴ αὐτοῦ, καὶ ἦλθε καὶ ἔστη ἐνώπιον αὐτοῦ, καὶ εἶπεν, ἰδοὺ ἔγνωκα ὅτι οὐκ ἔστι Θεὸς ἐν πάσῃ τῇ γῇ, ὅτι ἀλλʼ ἢ ἐν τῷ Ἰσραήλ· καὶ νῦν λάβε τὴν εὐλογίαν παρὰ τοῦ δούλου σου.
15Nu keerde hij met heel zijn gevolg naar den godsman terug. Hij ging binnen, trad eerbiedig naar voren en sprak: Nu weet ik, dat er op de hele aarde geen God is tenzij in Israël! Wil daarom een huldeblijk van uw dienaar aanvaarden.
16Καὶ εἶπεν Ἐλισαιὲ ζῇ Κύριος ᾧ παρέστην ἐνώπιον αὐτοῦ, εἰ λήψομαι· καὶ παρεβιάσατο αὐτὸν λαβεῖν, καὶ ἠπείθησε·
16Maar Eliseus antwoordde: Zo waar Jahweh leeft, voor wiens aanschijn ik sta; ik neem niets aan. En hoe Naäman ook aandrong, iets aan te nemen, hij bleef weigeren.
17Καὶ εἶπε Ναιμὰν, καὶ εἰ μὴ, δοθήτω δὴ τῷ δούλῳ σου γόμος ζεῦγος ἡμιόνων, καὶ σύ μοι δώσεις ἐκ τῆς γῆς τῆς πυῤῥᾶς, ὅτι οὐ ποιήσει ἔτι ὁ δοῦλός σου ὁλοκαύτωμα καὶ θυσίασμα θεοῖς ἑτέροις ἀλλʼ ἢ τῷ Κυρίῳ τῷ ῥήματι τούτῳ.
17Toen zeide Naäman: Zoals ge wilt; maar verleen aan uw dienaar de gunst, zoveel aarde mee te nemen, als een koppel muildieren kan dragen; want uw dienaar wil geen brand- of slachtoffer meer opdragen aan een anderen God, dan aan Jahweh alleen1.
18Καὶ ἱλάσεται Κύριος τῷ δούλῳ σου ἐν τῷ εἰσπορεύεσθαι τὸν κύριόν μου εἰς οἶκον Ῥεμμὰν προσκυνῆσαι ἐκεῖ· καὶ αὐτὸς ἐπαναπαύσεται ἐπὶ τῆς χειρός μου, καὶ προσκυνήσω ἐν οἴκῳ Ῥεμμὰν ἐν τῷ προσκυνεῖν αὐτὸν ἐν οἴκῳ Ῥεμμάν· καὶ ἱλάσεται δὴ Κύριος τῷ δούλῳ σου ἐν τῷ λόγῳ τούτῳ.
18Dit ene moge Jahweh uw dienaar vergeven: Wanneer mijn meester naar de tempel van Rimmon gaat, om hem daar te aanbidden, steunt hij op mijn arm, zodat ik mij wel moet neerbuigen in de tempel van Rimmon, wanneer hij er zich neerbuigt; dit moge Jahweh mij dus vergeven.
19Καὶ εἶπεν Ἐλισαιὲ πρὸς Ναιμὰν, δεῦρο εἰς εἰρήνην· καὶ ἀπῆλθεν ἀπʼ αὐτοῦ εἰς δεβραθὰ τῆς γῆς.
19Eliseus zeide hem: Ga in vrede! Maar toen Naäman een eind op weg was,
20Καὶ εἶπε Γιεζὶ τὸ παιδάριον Ἐλισαιὲ, ἰδοὺ ἐφείσατο ὁ κύριός μου τοῦ Ναιμὰν τοῦ Σύρου τούτου, τοῦ μὴ λαβεῖν ἐκ χειρὸς αὐτοῦ ἃ ἐνήνοχε· ζῇ Κύριος, ὅτι εἰ μὴ δραμοῦμαι ὀπίσω αὐτοῦ, καὶ λήψομαι ἀπʼ αὐτοῦ τι.
20zeide Gechazi, de dienaar van den godsman Eliseus, bij zichzelf: Mijn heer heeft dien Arameër Naäman wel gespaard, door niets van hem aan te nemen van al wat hij meebracht. Zo waar Jahweh leeft; ik loop hem achterna, en zie wat van hem te krijgen.
21Καὶ ἐδίωξε Γιεζὶ ὀπίσω τοῦ Ναιμάν· καὶ εἶδεν αὐτὸν Ναιμὰν τρέχοντα ὀπίσω αὐτοῦ, καὶ ἐπέστρεψεν ἀπὸ τοῦ ἅρματος εἰς ἀπαντὴν αὐτοῦ.
21Gechazi ging Naäman dus achterna. En toen Naäman zag, dat hij hem achterop kwam, sprong hij van zijn wagen, liep hem tegemoet en vroeg: Is alles wel?
22Καὶ εἶπεν, εἰρήνη· ὁ κύριός μου ἀπεστειλέ με, λέγων, ἰδοὺ νῦν ἦλθον πρὸς μὲ δύο παιδάρια ἐξ ὄρους Ἐφραὶμ ἀπὸ τῶν υἱῶν τῶν προφητῶν· δὸς δὴ αὐτοῖς τάλαντον ἀργυρίου, καὶ δύο ἀλλασσομένας στολάς.
22Hij antwoordde: Ja; maar mijn meester stuurt mij met deze boodschap: Zo juist zijn van het gebergte van Efraïm twee jonge mannen, profetenzonen, bij mij aangekomen; wees zo goed, en geef hun een talent zilver en twee stel feestgewaden.
23Καὶ εἶπε, λάβε διτάλαντον ἀργυρίου· καὶ ἔλαβε δύο τάλαντα ἀρλυρίον ἐν δυσὶ θυλάκοις, καὶ δύο ἀλλασσομένας στολὰς, καὶ ἔδωκεν ἐπὶ δύο παιδάρια αὐτοῦ, καὶ ᾖραν ἔμπροσθεν αὐτοῦ.
23Naäman antwoordde: Doe mij een genoegen en neem twee talenten. En hij bleef er op aandringen. Ten slotte deed hij twee talenten zilver in twee buidels, en gaf ze met twee stel feestgewaden aan twee knechten, die ze voor Gechazi uitdroegen.
24Καὶ ἦλθεν εἰς τὸ σκοτεινὸν, καὶ ἔλαβεν ἐκ τῶν χειρῶν αὐτῶν, καὶ παρέθετο ἐν οἴκῳ, καὶ ἐξαπέστειλε τοὺς ἄνδρας.
24Bij de heuvel gekomen, nam deze ze van hen over, borg ze in zijn woning op, en zond de mannen weg.
25Καὶ αὐτὸς εἰσῆλθε, καὶ παρειστήκει πρὸς τὸν κύριον αὐτοῦ· καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ἐλισαιὲ, πόθεν Γιεζί; καὶ εἶπε Γιεζί, Οὐ πεπόρευται ὁ δοῦλός σου ἔνθα καὶ ἔνθα.
25Daarna begaf hij zich naar zijn heer. Maar zodra hij voor Eliseus verscheen, vroeg deze hem: Waar komt ge vandaan, Gechazi? Hij antwoordde: Uw dienaar is nergens heen geweest.
26Καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ἐλισαιὲ, οὐχὶ ἡ καρδία μου ἐπορεύθη μετὰ σοῦ ὅτε ἐπέστρεψεν ὁ ἀνὴρ ἀπὸ τοῦ ἅρματος εἰς συναντήν σοι; καὶ νῦν ἔλαβες τὸ ἀργύριον, καὶ νῦν ἔλαβες τὰ ἱμάτια, καὶ ἐλαιῶνας καὶ ἀμπελῶνας καὶ πρόβατα καὶ βόας καὶ παῖδας καὶ παιδίσκας.
26Maar Eliseus sprak tot hem: Vergezelde mijn geest u niet, toen de man van zijn wagen sprong, en u tegemoet liep? Nu hebt ge geld aangenomen, waar ge kleren, olijftuinen en wijngaarden, schapen en runderen, slaven en slavinnen voor kunt kopen;
27Καὶ ἡ λέπρα Ναιμὰν κολληθήσεται ἐν σοὶ καὶ ἐν τῷ σπέρματί σου εἰς τὸν αἰῶνα· καὶ ἐξῆλθεν ἐκ προσώπου αὐτοῦ λελεπρωμένος ὡσεὶ χιών.
27maar de melaatsheid van Naäman zal u en uw nageslacht voor altijd bijblijven. En hij ging van hem weg, sneeuwwit van melaatsheid.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.