ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ
Chapter 18
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ 18

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἐγένετο ἐν ἔτει τρίτῳ τῷ Ὠσηὲ υἱῷ Ἠλὰ βασιλεῖ Ἰσραὴλ ἐβασίλευσεν Ἐζεκίας υἱὸς Ἄχαζ βασιλέως Ἰούδα.
1In het derde jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela over Israël, werd Ezekias, de zoon van Achaz, koning van Juda.
2Υἱὸς εἴκοσι καὶ πέντε ἐτῶν ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν, καὶ εἴκοσι καὶ ἐννέα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλὴμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἄβού, θυγάτηρ Ζαχαρίου.
2Hij was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en heeft negen en twintig jaar te Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Abi, en was de dochter van Zekarja.
3Καὶ ἐποίησε τὸ εὐθὲς ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου κατὰ πάντα ὅσα ἐποίησε Δαυὶδ ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
3Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader David.
4Αὐτὸς ἐξῆρε τὰ ὑψηλὰ, καὶ συνέτριψε τὰς στήλας, καὶ ἐξωλέθρευσε τὰ ἄλση, καὶ τὸν ὄφιν τὸν χαλκοῦν ὃν ἐποίησε Μωυσῆς, ὅτι ἕως τῶν ἡμερῶν ἐκείνων ἦσαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ θυμιῶντες αὐτῷ· καὶ ἐκάλεσεν αὐτὸν Νεεσθάν.
4Hij schafte de offerhoogten af, verbrijzelde de heilige zuilen en hakte de heilige palen om. Zelfs sloeg hij de koperen slang, die Moses gemaakt had, aan stukken; want tot dan toe hadden de Israëlieten daarvoor wierook gebrand, en haar Nechoesjtan genoemd.
5Ἐν Κυρίῳ Θεῷ Ἰσραὴλ ἤλπισεν, καὶ μετʼ αὐτὸν οὐκ ἐγενήθη ὅμοιος αὐτῷ ἐν βασιλεῦσιν Ἰούδα, καὶ ἐν τοῖς γενομένοις ἔμπροσθεν αὐτοῦ.
5Hij vertrouwde op Jahweh, en had daarin zijns gelijke niet, noch voor noch na hem, onder al de koningen van Juda.
6Καὶ ἐκολλήθη τῷ Κυρίῳ, οὐκ ἀπέστη ὄπισθεν αὐτοῦ, καὶ ἐφύλαξε τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ ὅσας ἐνετείλατο Μωυσῇ.
6Hij bleef aan Jahweh verknocht en verliet Hem niet, maar onderhield de geboden, die Jahweh aan Moses gegeven had.
7Καὶ ἦν Κύριος μετʼ αὐτοῦ, καὶ ἐν πᾶσιν οἷς ἐποίει, συνῆκε· καὶ ἠθέτησεν ἐν τῷ βασιλεῖ Ἀσσυρίων, καὶ οὐκ ἐδούλευσεν αὐτῷ.
7Daarom was Jahweh met hem, en slaagde hij in al zijn ondernemingen. Hij kwam in opstand tegen den koning van Assjoer, en bleef hem niet dienstbaar.
8Αὐτὸς ἐπάταξεν τοὺς ἀλλοφύλους ἕως Γάζης, καὶ ἕως ὁρίου αὐτῆς ἀπὸ πύργου φυλασσόντων καὶ ἕως πόλεως ὀχυρᾶς.
8Ook sloeg hij de Filistijnen tot Gaza terug, en veroverde het gebied der stad met wachttorens en vestingen.
9Καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἔτει τῷ τετάρτῳ βασιλεῖ Ἐζεκίᾳ, αὐτὸς ἐνιαυτὸς ὁ ἕβδομος τῷ Ὠσηὲ υἱῷ Ἠλὰ βασιλεῖ Ἰσραήλ, ἀνέβη Σαλαμανασσὰρ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ Σαμάρειαν, καὶ ἐπολιόρκει ἐπʼ αὐτὴν,
9In het vierde jaar der regering van Ezekias, dat is het zevende jaar der regering van Hosjéa, den zoon van Ela, over Israël, trok Sjalmanéser, de koning van Assjoer, tegen Samaria op. Hij belegerde het,
10καὶ κατελάβετο αὐτὴν ἀπὸ τέλους τριῶν ἐτῶν ἐν ἔτει ἕκτῳ τῷ Ἑζεκίᾳ, αὐτὸς ἐνιαυτὸς ἔννατος τῷ Ὠσηὲ βασιλεῖ Ἰσραὴλ, καὶ συνελήμφθη Σαμάρεια.
10en nam het na verloop van drie jaar in. De inname van Samaria geschiedde in het zesde jaar van Ezekias, dat is het negende jaar der regering van Hosjéa over Israël.
11Καὶ ἀπῴκισε βασιλεὺς Ἀσσυρίων τὴν Σαμάρειαν εἰς Ἀσσυρίους, καὶ ἔθηκεν αὐτοὺς ἐν Ἁλαὲ καὶ ἐν Ἀβὼρ ποταμῷ Γωζὰν καὶ ὄρὴ Μήδων·
11De koning van Assjoer voerde de Israëlieten in ballingschap naar Assjoer en liet hen wonen in Chalach, aan de Chabor, een kanaal van Gozan, en in enige steden van Medië.
12ἀνθʼ ὧν ὅτι οὐκ ἤκουσαν τῆς φωνῆς Κυρίου Θεοῦ αὐτῶν, καὶ παρέβησαν τὴν διαθήκην αὐτοῦ πάντα ὅσα ἐνετείλατο Μωυσῆς ὁ δοῦλος Κυρίου, καὶ οὐκ ἤκουσαν καὶ οὐκ ἐποίησαν.
12Dit alles gebeurde, omdat zij niet naar de stem van Jahweh, hun God, hadden geluisterd, zijn verbond hadden verlaten, niet hadden gehoorzaamd aan al wat Moses, de dienaar van Jahweh, had bevolen, en er niet naar hadden geleefd.
13Καὶ τῷ τεσσαρεσκαιδεκάτῳ ἔτει ἔτει τοῦ βασιλέως βασιλέως Ἑζεκίου ἀνέβη Σενναχηρὶμ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ τὰς πόλεις Ἰούδα τὰς ὀχυρὰς, καὶ συνέλαβεν αὐτάς.
13In het veertiende regeringsjaar van Ezekias trok Sinacherib, de koning van Assjoer, tegen alle versterkte steden van Juda op, en maakte zich daarvan meester.
14Καὶ ἀπέστειλεν Ἐζεκίας βασιλεὺς Ἰούδα ἀγγέλους πρὸς βασιλέα Ἀσσυρίων εἰς Λαχὶς, λέγων, ἡμάρτηκα, ἀποστράφηθι ἀπʼ ἐμοῦ· ὃ ἐὰν ἐπιθῇς ἐπʼ ἐμὲ, βαστάσω· καὶ ἐπέθηκεν ὁ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ Ἑζεκίαν βασιλέα Ἰούδα τριακόσια τάλαντα ἀργυρίου, καὶ τριάκοντα τάλαντα χρυσίου.
14Toen zond Ezekias, de koning van Juda, gezanten naar den koning van Assjoer te Lakisj, en liet hem zeggen: Ik heb misdreven! Trek weer van mij weg; dan zal ik opbrengen wat gij me oplegt. Nu vorderde de koning van Assjoer van Ezekias, den koning van Juda, driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud.
15Καὶ ἔδωκεν Ἑζεκίας πᾶν τὸ ἀργύριον τὸ εὑρεθὲν ἐν οἴκῳ Κυρίου, καὶ ἐν θησαυροῖς οἴκου τοῦ βασιλέως.
15En Ezekias gaf hem al het geld, dat in de tempel van Jahweh en in de schatkamers van het koninklijk paleis lag opgeborgen.
16Ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ συνέκοψεν Ἑζεκίας τὰς θύρας ναοῦ, καὶ τὰ ἐστηριγμένα ἃ ἐχρύσωσεν Ἑζεκίας ὁ βασιλεὺς Ἰούδα, καὶ ἔδωκεν αὐτὰ βασιλεῖ Ἀσσυρίων.
16Bij die gelegenheid liet Ezekias van de deuren van Jahweh’s tempel en van de pijlers, die hij zelf had overtrokken, het goud afsnijden, om het aan den koning van Assjoer te geven.
17Καὶ ἀπέστειλε βασιλεὺς Ἀσσυρίων τὸν Θανθὰν καὶ τὸν Ῥαφὶς καὶ τὸν Ῥαψάκην ἐκ Λαχὶς πρὸς τὸν βασιλέα Ἑζεκίαν ἐν δυνάμει βαρείᾳ ἐπὶ Ἱερουσαλήμ· καὶ ἀνέβησαν καὶ ἦλθον εἰς Ἱερουσαλὴμ, καὶ ἔστησαν ἐν τῷ ὑδραγωγῷ τῆς κολυμβήθρας τῆς ἄνω, ἥ ἐστιν ἐν τῇ ὁδῷ τοῦ ἀγροῦ τοῦ γναφέως.
17Nu zond de koning van Assjoer, van Lakisj uit, een Tartan, een opperkamerling en een opperbevelhebber met een sterke krijgsmacht naar Jerusalem tegen koning Ezekias. Toen zij zich na hun aankomst bij het kanaal van de Bovenvijver op de weg van het Blekersveld hadden opgesteld,
18Καὶ ἐβόησαν πρὸς Ἐζεκίαν· καὶ ἦλθον πρὸς αὐτὸν Ἑλιακὶμ υἱὸς Χελκίου ὁ οἰκονόμος, καὶ Σωμνὰς ὁ γραμματεὺς, καὶ Ἰωὰς ὁ νἱὸς Σαφὰτ ὁ ἀναμιμνήσκων.
18en om den koning riepen, ging de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe naar hen toe, vergezeld van den schrijver Sjebna en den kanselier Joach, den zoon van Azaf.
19Καὶ εἶπε πρὸς αὐτοὺς Ῥαψάκης, εἴπατε δὴ πρὸς Ἐζεκίαν, τάδε λέγει ὁ βασιλεὺς, ὁ μέγας βασιλεὺς Ἀσσυρίων, τί ἡ πεποίθησις αὕτη ἣν πέποιθας;
19De opperbevelhebber zeide tot hen: Gaat aan Ezekias berichten: Dit zegt de Opperkoning, de koning van Assjoer! Waar haalt ge toch uw vertrouwen vandaan?
20Εἶπας, πλὴν λόγοι χειλέων, Βουλὴ καὶ δύναμις εἰς πόλεμον· νῦν οὖν τίνι πεποιθὼς ἠθέτησας ἐν ἐμοί;
20Denkt ge misschien, dat woorden alleen alkrijgsbeleid en krijgsmacht zijn? Op wien vertrouwt ge dan wel, om u tegen mij te verzetten?
21Νῦν ἰδοὺ πέποιθας σαυτῷ ἐπὶ τὴν ῥἁβδον τὴν καλαμίνην τὴς τεθλασμένην ταύτην, ἐπʼ Αἴγυπτον; ὃς ἂν στηριχθῇ ἀνὴρ ἐπʼ αὐτὴν, καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὴν χεῖρα αὐτοῦ, καὶ τρήσει αὐτήν· οὕτως Φαραὼ βασιλεὺς Αἰγύπτου πᾶσι τοῖς πεποιθόσιν ἐπʼ αὐτόν.
21Zie, ge vertrouwt op Egypte, op die geknakte rietstok, die iemand de hand doorboort en wondt, als hij er op steunt; ja, dat is Farao, de egyptische koning voor iedereen, die op hem vertrouwt.
22Καὶ ὅτι εἶπας πρὸς μὲ, ἐπὶ Κύριον Θεὸν πεποίθαμεν· οὐχὶ αὐτὸς οὗτος ἀπέστησεν Ἐζεκίας τὰ ὑψηλὰ αὐτοῦ καὶ τὰ θυσιαστήρια αὐτοῦ, καὶ εἶπε τῷ Ἰούδᾳ καὶ τῇ Ἱερουσαλὴμ, ἐνώπιον τοῦ θυσιαστηρίου τούτου προσκυνήσετε ἐν Ἰερουσαλήμ;
22Misschien zult ge mij zeggen: Wij vertrouwen op Jahweh, onzen God. Maar heeft Ezekias dan zijn offerhoogten en altaren niet laten verwijderen, en tot Juda en Jerusalem gezegd: “Alleen voor dit altaar te Jerusalem moogt gij u neerwerpen?”
23Καὶ νῦν μίχθητε δὴ τῷ κυρίῳ μου βασιλεῖ Ἀσσυρίων, καὶ δώσω σοι δισχιλίους ἵππους, εἰ δυνήσῃ δοῦναι σεαυτῷ ἐπιβάτας ἐπʼ αὐτούς.
23Welnu, ga eens een weddenschap aan met den koning van Assjoer, mijn meester. Ik zal u twee duizend paarden leveren; maar ik wed, dat gij er niet eens de ruiters voor hebt.
24Καὶ πῶς ἀποστρέψεις τὸ πρόσωπον τοπάρχου ἑνὸς τῶν δούλων τοῦ κυρίου μου τῶν ἐλαχίστων; καὶ ἤλπισας σαυτῷ ἐπʼ Αἴγυπτον εἰς ἅρματα καὶ ἱππεῖς.
24Maar hoe zult ge dan weerstand kunnen bieden aan de geringste onderbevelhebbers van mijn heer? Of vertrouwt ge op Egypte voor strijdwagens en ruiters?
25Καὶ νῦν μὴ ἄνευ Κυρίου ἀνέβημεν ἐπὶ τὸν τόπον τοῦτον τοῦ διαφθεῖραι αὐτόν; Κύριος εἶπε πρὸς μὲ, ἀνάβηθι ἐπὶ τὴν γῆν ταύτην καὶ διάφθειρον αὐτήν.
25Maar ben ik dan, zonder dat Jahweh het wilde, tegen dit land opgetrokken, om het te verwoesten? Neen, Jahweh heeft mij gezegd: “Trek op naar dit land en verwoest het.”
26Καὶ εἶπεν Ἑλιακὶμ υἱὸς Χελκίου καὶ Σωμνὰς καὶ Ἰωὰς πρὸς Ῥαψάκην, λάλησον δὴ πρὸς τοὺς παῖδάς σου Συριστὶ, ὅτι ἀκούομεν ἡμεῖς· καὶ οὐ λαλήσεις μεθʼ ἡμῶν Ἰουδαϊστὶ· καὶ ἱνατί λαλεῖς ἐν τοῖς ὠσὶ τοῦ λαοῦ τοῦ ἐπὶ τοῦ τείχους;
26Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, Sjebna en Joach zeiden tot den opperbevelhebber: Spreek maar aramees met uw dienaars; wij verstaan dat wel. Maar spreek geen joods tegen ons; want dan verstaat het volk op de muur het ook.
27Καὶ εἶπε πρὸς αὐτοὺς Ῥαψάκης, μὴ ἐπὶ τὸν κύριόν σου καὶ πρὸς σὲ ἀπέστειλέ με ὁ κύριός μου λαλῆσαι τοὺς λόγους τούτους; οὐχὶ ἐπὶ τοὺς ἄνδρας τοὺς καθημένους ἐπὶ τοῦ τείχους, τοῦ φαγεῖν τὴν κόπρον αὐτῶν, καὶ πιεῖν τὸ οὖρον αὐτῶν μεθʼ ὑμῶν ἅμα;
27Maar de opperbevelhebber gaf hun ten antwoord: Heeft mijn meester mij soms met deze boodschap alleen tot u en uw koning gezonden; of ook tot die mannen daar op de muur, die hun eigen drek met u zitten te eten, en die hun eigen water drinken?
28Καὶ ἔστη Ῥαψάκης καὶ ἐβόησε φωνῇ μεγάλῃ Ἰουδαϊστὶ, καὶ ἐλάλησε καὶ εἶπεν, ἀκούσατε τοὺς λόγους τοῦ μεγάλου βασιλέως Ἀσσυρίων.
28Daarom kwam de opperbevelhebber nog dichterbij en riep hardop in het Joods: Hoort het woord van den Opperkoning van Assjoer!
29Τάδε λέγει ὁ βασιλεὺς, μὴ ἐπαιρέτω ὑμᾶς Ἐζεκίας λόγοις, ὅτι οὐ μὴ δύνηται ὑμᾶς ἐξελέσθαι ἐκ χειρὸς αὐτοῦ.
29Dit zegt de koning: Laat Ezekias u niet bedriegen; want hij kan u niet redden uit mijn hand.
30Καὶ μὴ ἐπελπιζέτω ὑμᾶς Ἐζεκίας πρὸς Κὺριον, λέγων, ἐξαιρούμενος ἐξελεῖται Κύριος, οὐ μὴ παραδοθῇ ἡ πόλις αὕτη ἐν χειρὶ βασιλέως Ἀσσυρίων.
30En laat Ezekias u ook niet op Jahweh doen rekenen en zeggen: Jahweh zal ons zeker verlossen; deze stad zal niet in de handen van den koning van Assjoer vallen!
31Μὴ ἀκούετε Ἐζεκίου· ὅτι τάδε λέγει ὁ βασιλεὺς Ἀσσυρίων, ποιήσατε μετʼ ἐμοῦ εὐλογίαν, καὶ ἐξέλθατε πρὸς μὲ, καὶ πίεται ἀνὴρ τὴν ἄμπελον αὐτοῦ, καὶ ἀνὴρ τὴν συκῆν αὐτοῦ φάγεται, καὶ πίεται ὕδωρ τοῦ λάκκου αὐτοῦ,
31Luistert niet naar Ezekias; want dit zegt de koning van Assjoer: Sluit vrede met mij, en geeft u over; dan zal iedereen de vrucht van zijn wijnstok en vijgeboom eten, en het water drinken uit zijn put,
32ἕως ἔλθω καὶ λάβω ὑμᾶς εἰς γῆν ὡς γῆ ὑμῶν, γῆ σίτου καὶ οἴνου καὶ ἄρτου καὶ ἀμπελώνων, γῆ ἐλαίας ἐλαίου καὶ μέλιτος, καὶ ζήσετε καὶ οὐ μὴ ἀποθάνητε· καὶ μὴ ἀκούετε Ἐζεκίου, ὅτι ἀπατᾷ ὑμᾶς, λέγων, Κύριος ῥύσεται ὑμᾶς.
32totdat ik u kom meenemen naar een land, dat op het uwe gelijkt: een land van koren en wijn, van brood en wijngaarden, van olijfbomen en honing; zo zult gij leven en niet sterven. Luistert niet naar Ezekias; hij misleidt u, wanneer hij zegt: Jahweh zal ons verlossen.
33Μὴ ῥυόμενοι ἐῤῥύσαντο οἱ θεοὶ τῶν ἐθνῶν ἕκαστος τὴν ἑαυτοῦ χώραν ἐκ χειρὸς βασιλέως Ἀσσυρίων;
33Hebben soms de goden van de andere volkeren hun land uit de macht van den assyrischen koning verlost?
34Ποῦ ἐστιν ὁ θεὸς Αἱμὰθ, καὶ Ἀρφάδ; ποῦ ἐστιν ὁ θεὸς Σεπφαρουαῒμ, Ἀνὰ, καὶ Ἀβὰ, ὅτι ἐξείλαντο Σαμάρειαν ἐκ χειρός μου;
34Waar zijn de goden van Chamat en Arpad, waar de goden van Sefarwáim, Hena en Iwwa? Waar zijn de goden van het land van Samaria; hebben zij Samaria uit mijn hand kunnen redden?
35Τίς ἐν πᾶσι τοῖς θεοῖς τῶν γαιῶν, οἳ ἐξείλαντο τὰς γᾶς αὐτῶν ἐκ χειρός μου, ὅτι ἐξελεῖται Κύριος τὴν Ἱερουσαλὴμ ἐκ χειρός μου;
35Wie is er onder de goden van al die landen, die zijn gebied uit mijn macht heeft verlost? Zou Jahweh dan Jerusalem uit mijn hand kunnen redden?
36Καὶ ἐκώφευσαν καὶ οὐκ ἀπεκρίθησαν αὐτῷ λόγον, ὅτι ἐντολὴ τοῦ βασιλέως, λέγων, οὐκ ἀποκριθήσεσθε αὐτῷ.
36Men zweeg en antwoordde hem geen woord; want de koning had bevel gegeven: Ge moet hem niets terugzeggen.
37Καὶ εἰσῆλθεν Ἐλιακὶμ υἱὸς Χελκίου ὁ οἰκονόμος, καὶ Σωμνὰς ὁ γραμματεὺς, καὶ Ἰωὰς υἱὸς Σαφὰτ ὁ ἀναμιμνήσκων πρὸς Ἐζεκίαν, διεῤῥηχότες τὰ ἱμάτια, καὶ ἀνήγγειλαν αὐτῷ τοὺς λόγους Ῥαψάκου.
37Maar de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, de schrijver Sjebna en de kanselier Joach, de zoon van Azaf, scheurden hun klederen en gingen naar Ezekias, om hem de woorden van den opperbevelhebber over te brengen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.