ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Α
Chapter 25
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Α 25

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἀπέθανε Σαμουὴλ, καὶ συναθροίζονται πᾶς Ἰσραὴλ, καὶ κόπτονται αὐτὸν, καὶ θάπτουσιν αὐτὸν ἐν οἴκῳ αὐτοῦ ἐν Ἁρμαθαίμ· καὶ ἀνέστη Δαυὶδ, καὶ κατέβη εἰς τὴν ἔρημον Μαών.
1Intussen stierf Samuël. Heel Israël kwam bijeen voor de dodenklacht, en men begroef hem in zijn huis te Rama. David trok verder, en week naar de woestijn van Maon uit.
2Καὶ ἦν ἄνθρωπος ἐν τῇ Μαὼν, καὶ τὰ ποίμνια αὐτοῦ ἐν τῷ Καρμήλῳ, καὶ ὁ ἄνθρωπος μέγας σφόδρα· καὶ τούτῳ ποίμνια τρισχίλια, καὶ αἶγες χίλιαι· καὶ ἐγενήθη ἐν τῷ κείρειν τὸ ποίμνιον αὐτοῦ ἐν τῷ Καρμήλῳ.
2Nu was er in Maon een man, die zijn bedrijf in Karmel had. De man was zeer vermogend, en de eigenaar van drieduizend schapen en duizend geiten. Bij gelegenheid van het scheren der schapen bevond hij zich toen in Karmel.
3Καὶ ὄνομα τῷ ἀνθρώπῳ Νάβαλ, καὶ ὄνομα τῇ γυναικὶ αὐτοῦ Ἀβιγαία· καὶ ἡ γυνὴ αὐτοῦ ἀγαθὴ συνέσει καὶ ἀγαθὴ τῷ εἴδει σφόδρα· καὶ ὁ ἄνθρωπος σκληρὸς καὶ πονηρὸς ἐν ἐπιτηδεύμασι, καὶ ὁ ἄνθρωπος κυνικός.
3Hij heette Nabal, zijn vrouw Abigil. Terwijl de vrouw een vlug begrip had en een. knap uiterlijk, was de man hardvochtig en kwaadaardig; het was een Kalebiet.
4καὶ ἤκουσε Δαυὶδ ἐν τῇ ἐρήμῳ, ὅτι κείρει Νάβαλ ὁ Καρμήλιος τὸ ποίμνιον αὐτοῦ.
4Toen nu David in de woestijn vernomen had, dat bij Nabal de schapen geschoren werden,
5Καὶ ἀπέστειλε Δαυὶδ δέκα παιδάρια, καὶ εἶπε τοῖς παιδαρίοις, ἀνάβητε εἰς Κάρμηλον καὶ ἀπέλθατε πρὸς Νάβαλ, καὶ ἐρωτήσατε αὐτὸν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου εἰς εἰρήνην,
5zond hij tien knechten met de opdracht: Gaat naar Karmel en vervoegt u bij Nabal; ge moet hem namens mij begroeten en dit tegen mijn broeder zeggen:
6καὶ ἐρεῖτε τάδε· εἰς ὥρας καὶ σὺ ὑγιαίνων καὶ ὁ οἶκός σου, καὶ πάντα τὰ σὰ ὑγιαίνοντα.
6De vrede aan u, vrede aan uw gezin, vrede aan allen, die u toebehoren!
7Καὶ νῦν ἰδοὺ ἀκήκοα ὅτι κείρουσί σοι νῦν οἱ ποιμένες σου οἳ ἦσαν μεθʼ ἡμῶν ἐν τῇ ἐρήμῳ, καὶ οὐκ ἀπεκωλύσαμεν αὐτοὺς, καὶ οὐκ ἐνετειλάμεθα αὐτοῖς οὐθὲν πάσας τὰς ἡμέρας ὄντων αὐτῶν ἐν Καρμήλῳ.
7Ik heb vernomen, dat men bij u de schapen scheert. Welnu, wij hebben uw herders, die in onze nabijheid waren, niet gehinderd, en nooit, zolang ze in Karmel waren, hebben ze ook maar iets vermist;
8Ἐρώτησον τὰ παιδάριά σου, καὶ ἀπαγγελοῦσί σοι· καὶ εὑρέτωσαν τὰ παιδάριά σου χάριν ἐν ὀφθαλμοῖς σου, ὅτι ἐφʼ ἡμέραν ἀγαθὴν ἥκομεν· δὸς δὴ ὃ ἐὰν εὕρῃ ἡ χείρ σου τῷ υἱῷ σου τῷ Δαυίδ.
8vraag het uw knechten, en ze zullen het bevestigen. Laat daarom mijn knechten een gunstig onthaal bij u vinden, omdat we op een feestdag komen, en geef aan uw dienaren en aan uw zoon David wat ge kunt missen.
9Καὶ ἔρχονται τὰ παιδάρια, καὶ λαλοῦσι τοὺς λόγους τούτους πρὸς Νάβαλ κατὰ πάντα τὰ ῥήματα ταῦτα ἐν τῷ ὀνόματι Δαυίδ· καὶ ἀνεπήδησε
9Zo kwamen de knechten van David, brachten Nabal de boodschap namens David over, en wachtten af.
10καὶ ἀπεκρίθη Νάβαλ τοῖς παισὶ Δαυὶδ, καὶ εἶπε, τίς ὁ Δαυὶδ, καὶ τίς ὁ υἱὸς Ἰεσσαί; σήμερον πεπληθυμένοι εἰσὶν οἱ δοῦλοι ἀναχωροῦντες ἕκαστος ἐκ προσώπου τοῦ κυρίου αὐτοῦ.
10Maar Nabal gaf Davids dienaars ten antwoord: Wie is die David? Wie is die zoon van Jesse? Het wemelt tegenwoordig van knechten, die van hun meester zijn weggelopen!
11Καὶ λήψομαι τοὺς ἄρτους μου καὶ τὸν οἶνόν μου καὶ τὰ θύματά μου ἃ τέθυκα τοῖς κείρουσί μου τὰ πρόβατα, καὶ δώσω αὐτὰ ἀνδράσιν, οἷς οὐκ οἶδα πόθεν εἰσί;
11En dan zou ik mijn brood en mijn water en het vlees, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, gebruiken, om het aan lieden te geven, van wie ik niet eens weet, waar ze vandaan komen?
12Καὶ ἀπεστράφησαν τὰ παιδάρια Δαυὶδ εἰς ὁδὸν αὐτῶν, καὶ ἀνέστρεψαν καὶ ἦλθον, καὶ ἀνήγγειλαν τῷ Δαυὶδ κατὰ τὰ ῥήματα ταῦτα.
12Davids knechten maakten dus rechtsomkeer en vertelden hem bij hun terugkomst, hoe ze ontvangen waren.
13Καὶ εἶπε Δαυὶδ τοῖς ἀνδράσιν αὐτοῦ, ζώσασθε ἕκαστος τὴν ῥομφαίαν αὐτοῦ· καὶ ἀνέβησαν ὀπίσω Δαυὶδ, ὡς τετρακόσιοι ἄνδρες· καὶ οἱ διακόσιοι ἐκάθισαν μετὰ τῶν σκευῶν.
13Toen beval David zijn mannen: Laat ieder zijn zwaard in de gordel steken! En iedereen stak zijn zwaard in de gordel. Ook David omgordde zich met zijn zwaard, en terwijl tweehonderd man bij de legertros bleven, gingen er ongeveer vierhonderd met David mee.
14Καὶ τῇ Ἀβιγαίᾳ γυναικὶ Νάβαλ ἀπήγγειλεν ἓν τῶν παιδαρίων, λέγων, ἰδοὺ Δαυὶδ ἀπέστειλεν ἀγγέλους ἐκ τῆς ἐρήμου εὐλογῆσαι τὸν κύριον ἡμῶν, καὶ ἐξέκλινεν ἀπʼ αὐτῶν.
14Intussen had Abigil, Nabals vrouw, van een der knechten de boodschap gekregen: David heeft uit de woestijn boden gezonden, om onzen heer te begroeten; maar hij heeft hen uitgescholden.
15Καὶ οἱ ἄνδρες ἀγαθοὶ ἡμῖν σφόδρα, οὐκ ἀπεκώλυσαν ἡμᾶς, οὐδὲ ἐνετείλαντο ἡμῖν οὐδὲν πάσας τὰς ἡμέρας ἃς ἦμεν παρʼ αὐτοῖς.
15Toch zijn die lieden zeer goed voor ons geweest. Toen we buiten waren, hebben we van hen geen hinder ondervonden, en zolang we met hen omgingen, hebben we niets vermist.
16Καὶ ἐν τῷ εἶναι ἡμᾶς ἐν ἀγρῷ, ὡς τεῖχος ἦσαν περὶ ἡμᾶς καὶ τὴν νύκτα καὶ τὴν ἡμέραν, πάσας τὰς ἡμέρας ἃς ἦμεν παρʼ αὐτοῖς ποιμαίνοντες τὸ ποίμνιον.
16Nacht en dag waren zij voor ons een muur, zolang wij in hun nabijheid de schapen hoedden.
17Καὶ νῦν γνῶθι καὶ ἴδε σὺ τί ποιήσεις, ὅτι συντετέλεσται ἡ κακία εἰς τὸν κύριον ἡμῶν καὶ εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ· καὶ οὗτος υἱὸς λοιμὸς, καὶ οὐκ ἔστι λαλῆσαι πρὸς αὐτόν.
17Welnu, denk eens na, of gij er iets aan kunt doen; want de wraak op onzen heer en heel zijn huis kan niet uitblijven. Hij is nu eenmaal een Belialskind; er valt met hèm niet te praten.
18Καὶ ἔσπευσεν Ἀβιγαία καὶ ἔλαβε διακοσίους ἄρτους, καὶ δύο ἀγγεῖα οἴνου, καὶ πέντε πρόβατα πεποιημένα, καὶ πέντε οἰφὶ ἀλφίτου, καὶ γόμορ ἓν σταφίδος, καὶ διακοσίας παλάθας, καὶ ἔθετο ἐπὶ τοὺς ὄνους.
18Terstond haalde Abigáil tweehonderd broden en twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd graan, en honderd rozijnen-en tweehonderd vijgenkoeken.
19Καὶ εἶπε τοῖς παιδαρίοις αὐτῆς, προπορεύεσθε ἔμπροσθέν μου, καὶ ἰδοὺ, ἐγὼ ὀπίσω ὑμῶν παραγίνομαι· καὶ τῷ ἀνδρὶ αὐτῆς οὐκ ἀπήγγειλε.
19Zij liet dat alles op ezels laden, en zonder iets aan haar man te vertellen, sprak zij tot haar knechten: Gaat mij vooruit; ik kom achter u aan.
20Καὶ ἐγενήθη, αὐτῆς ἐπιβεβηκυίης ἐπὶ τὴν ὄνον καὶ καταβαινούσης ἐν σκέπῃ τοῦ ὄρους, καὶ ἰδοὺ Δαυὶδ καὶ οἱ ἄνδρες αὐτοῦ κατέβαινον εἰς συνάντησιν αὐτῆς, καὶ ἀπήντησεν αὐτοῖς.
20Toen zij nu, rijdend op haar ezel, langs een holle weg de bergen afdaalde, kwam David met zijn mannen aan de andere kant naar beneden, zodat ze hen moest ontmoeten.
21Καὶ Δαυὶδ εἶπεν, ἴσως εἰς ἄδικον πεφύλακα πάντα τὰ αὐτοῦ ἐν τῇ ἐρήμῳ, καὶ οὐκ ἐνετειλάμεθα λαβεῖν ἐκ πάντων τῶν αὐτοῦ οὐθὲν, καὶ ἀνταπέδωκέ μοι πονηρὰ ἀντὶ ἀγαθῶν.
21David dacht juist: Dus heb ik voor niets op alles gepast, wat dien kerel in de woestijn toebehoort! Van al zijn eigendom is er niet het minste vermist, en nu gaat hij mij goed met kwaad vergelden!
22Τάδε ποιήσαι ὁ Θεὸς τῷ Δαυὶδ καὶ τάδε προσθείη, εἰ ὑπολείψομαι ἐκ πάντων τῶν τοῦ Νάβαλ ἕως πρωΐ οὐροῦντα πρὸς τοῖχον.
22God mag David zo doen en nog erger, als er morgenvroeg van al de zijnen nog één mannelijk wezen over is!
23Καὶ εἶδεν Ἀβιγαία τὸν Δαυίδ, καὶ ἔσπευσε καὶ κατεπήδησεν ἀπὸ τῆς ὄνου, καὶ ἔπεσεν ἐνώπιον Δαυὶδ ἐπὶ πρόσωπον αὐτῆς, καὶ προσεκύνησεν αὐτῷ ἐπὶ τὴν γῆν
23Zodra Abigáil David zag, gleed zij van haar ezel en boog zich eerbiedig voor David ter aarde neer.
24ἐπὶ τοὺς πόδας αὐτοῦ, καὶ εἶπεν, ἐν ἐμοὶ κύριέ μου ἡ ἀδικία μου, λαλησάτω δὴ ἡ δούλη σου εἰς τὰ ὦτά σου, καὶ ἄκουσον λόγων τῆς δούλης σου.
24Ze bleef aan zijn voeten liggen en sprak: Heer, op mij rust de schuld! Maar laat uw dienstknecht tot u spreken, en luister naar de worden van uw dienstmaagd
25Μὴ δὴ θέσθω ὁ κύριός μου καρδίαν αὐτοῦ ἐπὶ τὸν ἄνθρωπον τὸν λοιμὸν τοῦτον, ὅτι κατὰ τὸ ὄνομα αὐτοῦ οὗτός ἐστι· Νάβαλ ὄνομα αὐτῷ, καὶ ἀφροσύνη μετʼ αὐτοῦ· καὶ ἐγὼ ἡ δούλη σου οὐκ εἶδον τὰ παιδάρια τοῦ κυρίου μου ἃ ἀπέστειλας.
25Laat mijn heer zich toch niet storen aan dien deugnietmvan een Nabal; want zoals hij heet, zo is hij: “dwaas” is zijn naam en dwaasheid is zijn faam. Ik, uw dienares, heb de knechten niet gezien, die mijn heer had gestuurd.
26Καὶ νῦν κύριέ μου, ζῇ Κύριος καὶ ζῇ ἡ ψυχή σου, καθὼς ἐκώλυσέ σε Κύριος τοῦ μὴ ἐλθεῖν εἰς αἷμα ἀθῶον, καὶ σώζειν τὴν χεῖρά σου σοί· καὶ νῦν γένοιντο ὡς Νάβαλ οἱ ἐχθροί σου καὶ οἱ ζητοῦντες τῷ κυρίῳ μου κακά.
26Welnu, mijn heer, zowaar Jahweh leeft: Jahweh heeft niet toegelaten, dat ge u in bloedschuld verwikkelde en u zelf met de vuist recht verschafte. Moge het met Nabal gaan als met al uw vijanden en met allen, die uw ongeluk willen!
27Καὶ νῦν λάβε τὴν εὐλογίαν ταύτην, ἣν ἐνήνοχεν ἡ δούλη σου τῷ κυρίῳ μου, καὶ δώσεις τοῖς παιδαρίοις τοῖς παρεστηκόσι τῷ κυρίῳ μου.
27Aanvaard dit huldeblijk, dat uw dienstmaagd voor mijn heer heeft meegebracht, en laat het gegeven worden aan de knechten, die mijn heer op zijn schreden volgen.
28Ἆρον δὴ τὸ ἀνόμημα τῆς δούλης σου, ὅτι ποιῶν ποιήσει Κύριος τῷ κυρίῳ μου οἶκον πιστὸν, ὅτι πόλεμον κυρίου μου ὁ Κύριος πολεμεῖ, καὶ κακία οὐχ εὑρεθήσεται ἐν σοὶ πώποτε.
28Wil zo de onachtzaamheid van uw dienstmaagd vergeven. Waarachtig, Jahweh zal het huis van mijn heer bestendigen; want mijn heer voert Jahweh’s krijg, en heel uw leven is er geen kwaad in u gevonden!
29Καὶ ἀναστήσεται ἄνθρωπος καταδιώκων σε καὶ ζητῶν τὴν ψυχήν σου, καὶ ἔσται ψυχὴ κυρίου μου ἐνδεδεμένη ἐν δεσμῷ τῆς ζωῆς παρὰ Κυρίῳ τῷ Θεῷ, καὶ ψυχὴν ἐχθρῶν σου σφενδονήσεις ἐν μέσῳ τῆς σφενδόνης.
29Wel is er iemand opgestaan, om u te vervolgen en uw leven te belagen; maar dank zij Jahweh, uw God, zal het leven van mijn heer geborgen zijn in de buidel des levens4, terwijl het leven van uw vijanden wordt weggeslingerd uit de holte van de slinger.
30Καὶ ἔσται ὅτε ποιήσῃ Κύριος τῷ κυρίῳ μου πάντα ὅσα ἐλάλησεν ἀγαθὰ ἐπὶ σὲ, καὶ ἐντελεῖταί σοι εἰς ἡγούμενον ἐπὶ Ἰσραὴλ,
30En wanneer Jahweh aan mijn heer al het goed zal hebben volbracht, dat Hij hem heeft beloofd, wanneer Hij u tot leider van Israël zal hebben gesteld,
31καὶ οὐκ ἔσται σοι τοῦτο βδελυγμὸς καὶ σκάνδαλον τῷ κυρίῳ μου, ἐκχέαι αἷμα ἀθῶον δωρεὰν, καὶ σῶσαι χεῖρα κυρίῳ μου αὐτῷ· καὶ ἀγαθώσαι Κύριος τῷ κυρίῳ μοῦ, καὶ μνησθήσῃ τῆς δούλης σου ἀγαθῶσαι αὐτῇ.
31moge het dan nooit voor u, mijn heer, een reden tot ongerustheid en gewetenswroeging zijn, dat mijn heer nodeloos bloed heeft vergoten en zichzelf recht heeft verschaft! En wanneer Jahweh mijn heer voorspoed zal hebben geschonken, laat hij dan aan zijn dienstmaagd denken.
32Καὶ εἶπε Δαυὶδ τῇ Ἀβιγαίᾳ, εὐλογητὸς Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ, ὃς ἀπέστειλέ σε σήμερον ἐν ταύτῃ εἰς ἀπάντησίν μοι,
32Toen sprak David tot Abigáil: Gezegend zij Jahweh, de God van Israël, die u heden op mijn weg gezonden heeft!
33καὶ εὐλογητὸς ὁ τρόπος σου, καὶ εὐλογημένη σὺ ἡ ἀποκωλύσασά με σήμερον ἐν ταύτῃ μὴ ἐλθεῖν εἰς αἵματα, καὶ σῶσαι χεῖρά μου ἐμοί.
33Gezegend uw doorzicht en gezegend gijzelf, dat gij mij heden verhinderd hebt, mij in bloedschuld te verwikkelen en mijzelf met de vuist recht te verschaffen.
34Πλὴν ὅτι ζῇ Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ, ὃς ἀπεκώλυσέ σε σήμερον τοῦ κακοποιῆσαί σε, ὅτι εἰ μὴ ἔσπευσας καὶ παρεγένου εἰς ἀπάντησίν μοι, τότε εἶπα, εἰ ὑπολειφθήσεται τῷ Νάβαλ ἕως φωτὸς τοῦ πρωῒ οὐρῶν πρὸς τοῖχον.
34Want zowaar Jahweh leeft, de God van Israël, die mij verhinderd heeft, u kwaad te doen: waart gij mij niet aanstonds tegemoet gekomen, dan was er bij de dageraad geen man van Nabal overgebleven!
35Καὶ ἔλαβε Δαυὶδ ἐκ χειρὸς αὐτῆς πάντα ἃ ἔφερεν αὐτῷ, καὶ εἶπεν αὐτῇ, ἀνάβηθι εἰς εἰρήνην εἰς οἶκόν σου· βλέπε, ἤκουσα τῆς φωνῆς σου, καὶ ἠρέτισα τὸ πρόσωπόν σου.
35En David nam van haar aan, wat zij voor hem had meegebracht, en hij sprak tot haar: Ga in vrede naar huis! Zie, ik heb naar uw verzoek geluisterd en ben u gunstig gestemd.
36Καὶ παρεγενήθη Ἀβιγαία πρὸς Νάβαλ· καὶ ἰδοὺ αὐτῷ πότος ἐν οἴκῳ αὐτοῦ, ὡς πότος βασιλέως· καὶ ἡ καρδία Νάβαλ ἀγαθὴ ἐπʼ αὐτόν· καὶ αὐτὸς μεθύων ἕως σφόδρα· καὶ οὐκ ἀπήγγειλεν αὐτῷ ῥῆμα μικρὸν ἢ μέγα ἕως φωτὸς τοῦ πρωΐ.
36Toen Abigáil naar Nabal terugkeerde, was er waarachtig in zijn huis een feest als een koningsmaal. En daar Nabal zeer vrolijk was en zwaar beschonken, vertelde zij hem vóór de volgende morgen niet het minste of geringste.
37Καὶ ἐγένετο πρωῒ, ὡς ἐξένηψεν ἀπὸ τοῦ οἴνου Νάβαλ, ἀπήγγειλεν ἡ γυνὴ αὐτοῦ τὰ ῥήματα ταῦτα· καὶ ἐναπέθανεν ἡ καρδία αὐτοῦ ἐν αὐτῷ, καὶ αὐτὸς γίνεται ὡς λίθος.
37Maar toen de volgende morgen Nabal zijn roes had uitgeslapen, en zijn vrouw hem vertelde, wat er gebeurd was, stokte zijn hart en hij werd als een steen.
38Καὶ ἐγένετο ὡσεὶ δέκα ἡμέραι, καὶ ἐπάταξε Κύριος τὸν Νάβαλ, καὶ ἀπέθανε.
38En een dag of tien later sloeg Jahweh hem, en Nabal stierf.
39Καὶ ἤκουσε Δαυὶδ, καὶ εἶπεν, εὐλογητὸς Κύριος, ὃς ἔκρινε τὴν κρίσιν τοῦ ὀνειδισμοῦ μου ἐκ χειρὸς Νάβαλ, καὶ τὸν δοῦλον αὐτοῦ περιεποιήσατο ἐκ χειρὸς κακῶν, καὶ τὴν κακίαν Νάβαλ ἀπέστρεψε Κύριος εἰς κεφαλὴν αὐτοῦ. Καὶ ἀπέστειλε Δαυὶδ καὶ ἐλάλησε περὶ Ἀβιγαίας, λαβεῖν αὐτὴν ἑαυτῷ εἰς γυναῖκα.
39Toen David vernam, dat Nabal dood was, zeide hij: Gezegend zij Jahweh, die de mij aangedane smaad op Nabal heeft gewroken, zijn dienaar van een misstap weerhield en de fout van Nabal op zijn eigen hoofd heeft doen neerkomen! En David zond boden naar Abigáil, om haar voor zich tot vrouw te vragen.
40Καὶ ἦλθον οἱ παῖδες Δαυὶδ πρὸς Ἀβιγαίαν εἰς Κάρμηλον, καὶ ἐλάλησαν αὐτῇ, λέγοντες, Δαυὶδ ἀπέστειλεν ἡμᾶς πρὸς σὲ, λαβεῖν σε αὐτῷ εἰς γυναῖκα.
40De dienaren van David kwamen dus bij Abigáil in Karmel, en zeiden tot haar: David heeft ons tot u gezonden; want hij wil u tot vrouw nemen.
41Καὶ ἀνέστη καὶ προσεκύνησεν ἐπὶ τὴν γῆν ἐπὶ πρόσωπον, καὶ εἶπεν, ἰδοὺ ἡ δούλη σου εἰς παιδίσκην νίψαι πόδας τῶν παίδων σου.
41Zij stond op, boog zich diep ter aarde, en sprak: Hier hebt ge uw dienstmaagd tot slavin, om de voeten van mijns meesters knechten te wassen.
42Καὶ ἀνέστη Ἀβιγαία, καὶ ἐπέβη ἐπὶ τὴν ὄνον, καὶ πέντε κοράσια ἠκολούθουν αὐτῇ, καὶ ἐπορεύθη ὀπίσω τῶν παίδων Δαυὶδ, καὶ γίνεται αὐτῷ εἰς γυναῖκα.
42En aanstonds maakte Abigáil zich gereed; ze ging op haar ezel zitten, en door haar vijf dienstmaagden gevolgd, reed zij achter de boden van David aan. En ze werd zijn vrouw.
43Καὶ τὴν Ἀχινάαμ ἔλαβε Δαυὶδ ἐξ Ἰεζραὲλ, καὶ ἀμφότεραι ἦσαν αὐτῷ γυναῖκες.
43Daarenboven huwde David Achinóam uit Jizreël, zodat ze beiden zijn vrouw waren.
44Καὶ Σαοὺλ ἔδωκε Μελχὸλ τὴν θυγατέρα αὐτοῦ τὴν γυναῖκα Δαυὶδ τῷ Φαλτὶ υἱῷ Ἀμὶς τῷ ἐκ Ῥομμᾶ.
44Saul had echter zijn dochter Mikal, Davids vrouw, aan Palti gegeven, den zoon van Láisj uit Gallim.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.