Deuteronomy 21
Bible Mutal (Kosraean)Translation
Bible Mutal (Kosraean)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1“Fin pa koneyukyak sie mwet su anwuki oan in sie ima in facl se ma LEUM GOD lowos El asot nu suwos, a kowos tia etu lah su unilya uh,
1Wanneer men in het land, dat Jahweh, uw God, u in bezit zal geven, een vermoorde in het veld vindt liggen, zonder dat men weet, wie hem heeft gedood,
2na mwet kol lowos ac mwet nununku fah som nu ke acn se ma mano sac oan we, ac srikeya lusen acn sac nu ke kais sie siti srisrik ma oan apkuran nu we.
2dan moeten uw oudsten en rechters de afstand naar de steden gaan opnemen, die in de omtrek van den vermoorde liggen.
3Mwet kol lun siti se ma fototo emeet nu ke acn se ma mano sac oan we ah, fah sulela soko cow fusr mutan ma soenna orekmakinyuk.
3En de oudsten van de stad, waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten een jonge koe nemen, waarmee nog niet is gewerkt en die nog nooit in een juk heeft getrokken.
4Elos in pwanla cow soko ah nu ke sie acn apkuran nu ke soko infacl srisrik ma oasr kof we pacl nukewa, ac fohk we uh soenna pukpuk ku imaiyuk, na elos fah koteya inkwawen cow soko ah we.
4De oudsten van die stad moeten de jonge koe naar een dal met altijd stromend water brengen, waar niet gewerkt of gezaaid wordt, en daar in het dal de jonge koe de nek breken.
5Mwet tol Levi elos fah wi pac som nu we, mweyen elos pa ac wotela ma fal in orek ke kutena akukuin ma oasr anwuk kac. LEUM GOD lowos El sulelosla in kulansupwal, ac in fahkak kas in akinsewowo Inel.
5Dan moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren treden, want Jahweh, uw God, heeft hen uitverkoren, om zijn dienst te verrichten, in de naam van Jahweh te zegenen, en naar hun uitspraak elk geding over twist of mishandeling te beslechten.
6Na mwet kol nukewa ke siti se ma fototo nu ke acn se ma koneyukyak mwet anwuki sac we, elos in ohlla paolos fin cow soko ah
6Vervolgens moeten alle oudsten van die stad, waar de vermoorde het dichtst bij lag, hun handen wassen over de jonge koe, die in het dal de nek is gebroken,
7ac fahk, ‘Tia kut pa uniya mwet se inge, ac kut tia pac etu lah su orala uh.
7en plechtig getuigen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien.
8O LEUM GOD , nunak munas nu sin mwet Israel lom, su kom molelosla liki facl Egypt. Nunak munas nu sesr, ac tia filiya facsr mwatan misa lun mwet wangin mwata se inge!’
8Verzoen de schuld van uw volk, Israël, dat Gij, Jahweh, hebt vrijgekocht, en reken uw volk Israël geen onschuldig bloed aan! Zo zullen zij voor het bloed verzoening verkrijgen,
9Ouinge, ke kowos oru oana ma LEUM GOD El sapkin, na kowos fah tia eis mwatan akmas sac.
9en zal geen onschuldig bloed op u blijven rusten, omdat gij hebt gedaan, wat recht is in de ogen van Jahweh.
10“Ke kowos som in mweuni mwet lokoalok lowos, ac LEUM GOD lowos El sot kutangla nu suwos, ac kowos eisalos in mwet sruoh,
10Wanneer ge tegen uw vijanden ten strijde trekt, en Jahweh, uw God, levert ze aan u over en ge voert ze als krijgsgevangenen mee,
11sahp kom ac liye inmasrlolos sie mutan oasku su kom lungse ac kena payuk se.
11wanneer ge dan onder de krijgsgevangenen een mooie vrouw bemerkt, die ge tot echtgenote wenst te nemen,
12Usalla nu in lohm sum, ac mutan sac ac fah kalla sifal ac tokinpaol,
12dan kunt ge haar uw huis binnenleiden. Zij moet haar hoofd kaal scheren, haar nagels knippen,
13ac aolla nuknuk lal. Mutan sac fah muta lohm sum ac tungi papa tumal ac nina kial ke lusen malem se; tukun pacl sacn, kom ku in payukyak sel.
13het kleed afleggen, waarin zij gevangen werd genomen, en een maand lang in uw huis blijven, om haar vader en moeder te bewenen. Daarna kunt gij gemeenschap met haar houden, haar huwen en zal zij uw vrouw zijn.
14Toko, kom fin tila lungse el, kom fah fuhlella elan sukosokla. Ke sripen kom tuh sap ku elan wi kom oan, ouinge kom tia ku in kukakunulla oana sie mwet kohs.
14Maar zo ze u later niet meer bevalt, moet ge haar vrij laten vertrekken en moogt ge haar niet voor geld verkopen, of als slavin behandelen, omdat ge haar bezeten hebt.
15“Fin pa sie mukul oasr mutan luo kial, ac eltal na kewa oswela kais sie wen nu sel, tusruktu wen se ma isusla meet ah el tia ma nutin mutan se ma el lungse yohk.
15Wanneer een man twee vrouwen heeft, van wie hij de een meer bemint dan de ander, en de beminde zowel als de mindergeliefde schenkt hem een zoon, maar de eerstgeborene is van de mindergeliefde,
16Na ke pacl se papa sac el nunku in kitalik usru lal nu sin tulik natul, el tia enenu in srisri ac sang ip lun wounse nu sin mukul se nutin mutan se ma el lungse.
16dan mag hij, bij de verdeling van zijn erfenis onder zijn zonen, den zoon van de beminde niet het deel van den eerstgeborene geven ten koste van den zoon der mindergeliefde, die de eerstgeborene is.
17Mwe usru lun wounse enenu in yohk pacl luo liki mwe usru lun tulik ngia, finne wounse natul tia ma nutin mutan se ma el lungse. Papa se enenu in akilen wounse natul, ac sang nu sel lupan usru lal fal nu ke oakwuk lun ma sap.
17Hij moet den zoon van de mindergeliefde als eerstgeborene erkennen, door hem een dubbel aandeel te geven van al wat hij heeft; want hij is de eersteling van zijn mannelijke kracht, en hem komt het eerstgeboorterecht toe.
18“Fin oasr sie wen likkeke ac utuk nunak, su seakos papa tumal ac nina kial eltal finne kael.
18Wanneer iemand een weerspannigen en onhandelbaren zoon heeft, die niet naar zijn vader en moeder wil luisteren, en ofschoon zij hem tuchtigen, hun toch niet gehoorzaamt,
19Na papa ac nina kial fah usalla nu ke nien nununku, ye mutan mwet kol lun siti se ma el muta we.
19dan moeten zijn vader en moeder hem laten grijpen, hem naar de oudsten der stad en naar de poort van zijn woonplaats laten brengen,
20Eltal ac fahk nu sin mwet kol uh, ‘Wen se natusr inge el likkeke ac utuk nunak, ac el tia lungse akos kut. El kainmongo ac lungse sruhsrui!’
20en tot de oudsten van zijn stad zeggen: Onze zoon is weerspannig en onhandelbaar; hij gehoorzaamt ons niet, maar is een losbol en dronkaard.
21Na mwet in siti sac fah tanglal nwe ke na el misa. Pa inge lumah se ma ac oru ouiya koluk se inge in wanginla. Mwet Israel nukewa fah lohng ke ma sikyak inge, ac fah sangengla kac.
21Dan moeten alle mannen van zijn stad hem doodstenigen. Zo zult ge dat kwaad uit uw midden verwijderen; want heel Israël zal het horen en vrezen.
22“Sie mukul fin anwuki ke el orala sie ma koluk yohk, ac manol sripsripyak ulun soko sak,
22Wanneer iemand een misdaad heeft begaan, waarop de doodstraf staat, en hij ter dood is gebracht en aan een paal is gehangen,
23na mano sac fah tia oan we ke fong fon se. Enenu in pukpuki ke len sacna, mweyen sie mano misa ma sripsrip ulun soko sak ac pwanang God Elan selngawi acn sac. Pikinya mano sac, kowos in mau tia akkolukye facl se su LEUM GOD lowos El asot nu suwos.
23dan moogt ge zijn lijk ‘s nachts niet aan de paal laten hangen, maar moet ge het dezelfde dag nog begraven. Want een gehangene is door Jahweh gevloekt, en gij moogt het land niet bezoedelen, dat Jahweh, uw God, u tot erfdeel schenkt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.