Ecclesiastes 6
King James Version with ApocryphaTranslation
King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1There is an evil which I have seen under the sun, and it is common among men:
1Nog een ander kwaad zag ik onder de zon, Dat loodzwaar drukt op den mens!
2A man to whom God hath given riches, wealth, and honour, so that he wanteth nothing for his soul of all that he desireth, yet God giveth him not power to eat thereof, but a stranger eateth it: this is vanity, and it is an evil disease.
2God geeft iemand rijkdom, schatten en eer, Zodat er niets aan zijn verlangens ontbreekt; Doch God staat hem niet toe, er gebruik van te maken, Maar een vreemde bedient zich er van: Dat is ijdel, een smartelijk lijden.
3¶ If a man beget an hundred children , and live many years, so that the days of his years be many, and his soul be not filled with good, and also that he have no burial; I say, that an untimely birth is better than he.
3Al had iemand honderd kinderen, Bereikte hij ook een zeer hoge leeftijd, En waren zijn dagen nog zo talrijk: Maar hij was van geluk niet verzadigd En geen begrafenis viel hem ten deel: Ik zou een misgeboorte gelukkiger achten dan hem.
4For he cometh in with vanity, and departeth in darkness, and his name shall be covered with darkness.
4Want zo iets komt vluchtig, gaat in duisternis heen, Zijn naam blijft in het donker verscholen;
5Moreover he hath not seen the sun, nor known any thing: this hath more rest than the other.
5Het heeft geen licht gezien, geen kennis bezeten, Maar rust heeft het meer dan de ander.
6¶ Yea, though he live a thousand years twice told , yet hath he seen no good: do not all go to one place?
6Al leefde hij tweeduizend jaar, maar zonder geluk: Gaan beiden niet naar dezelfde plaats?
7All the labour of man is for his mouth, and yet the appetite is not filled.
7Al het zwoegen van den mens geldt zijn mond; Toch wordt zijn begeerte er niet door verzadigd.
8For what hath the wise more than the fool? what hath the poor, that knoweth to walk before the living?
8Wat heeft dan de wijze vóór op den dwaas; Wat de arme, al verstaat hij de kunst om te leven?
9¶ Better is the sight of the eyes than the wandering of the desire: this is also vanity and vexation of spirit.
9Beter is wat de ogen zien, dan het smachten der begeerte; Ook dat is ijdel en jagen naar wind.
10That which hath been is named already, and it is known that it is man: neither may he contend with him that is mightier than he.
10Al wat bestaat, werd al lang met name genoemd; Het is bepaald, dat het maar een mens is, Die niet in gericht kan treden Met Hem, die groter is dan hijzelf.
11¶ Seeing there be many things that increase vanity, what is man the better?
11Ja, veel er over spreken vermeerdert nog de dwaasheid; Wat zou het den mens kunnen baten?
12For who knoweth what is good for man in this life, all the days of his vain life which he spendeth as a shadow? for who can tell a man what shall be after him under the sun?
12Wie zal den mens kunnen zeggen, Wat goed voor hem is in het leven, In het gering getal van zijn dagen, Die als een schaduw voorbijgaan. Wie zal den mens kunnen zeggen, Wat er na hem gebeurt onder de zon.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.