Jérémie
Chapter 4
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jérémie 4

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Israël, si tu reviens, si tu reviens à moi, dit l’Éternel, Si tu ôtes tes abominations de devant moi, Tu ne seras plus errant.
1Israël, zo ge u waarachtig bekeert, Moogt ge u weer tot Mij wenden, spreekt Jahweh; En wanneer ge uw gruwelen wegdoet, Hoeft ge mijn aanschijn niet langer te vluchten.
2Si tu jures: L’Éternel est vivant! Avec vérité, avec droiture et avec justice, Alors les nations seront bénies en lui, Et se glorifieront en lui.
2Wanneer ge zweert: “Bij het leven van Jahweh!” En ge doet het waarachtig, eerlijk, oprecht: Dan zullen de volkeren in u zich zegenen, In u zich beroemen.
3Car ainsi parle l’Éternel aux hommes de Juda et de Jérusalem: Défrichez-vous un champ nouveau, Et ne semez pas parmi les épines.
3Want zo spreekt Jahweh Tot de mannen van Juda en Jerusalem: Ge moet een nieuw land gaan ontginnen, Niet langer tussen doornen zaaien.
4Circoncisez-vous pour l’Éternel, circoncisez vos cœurs, Hommes de Juda et habitants de Jérusalem, De peur que ma colère n’éclate comme un feu, Et ne s’enflamme, sans qu’on puisse l’éteindre, A cause de la méchanceté de vos actions.
4Besnijdt u voor Jahweh, uw God, Neemt de voorhuid weg van uw hart: Mannen van Juda, Bewoners van Jerusalem!
5Annoncez en Juda, publiez à Jérusalem, Et dites: Sonnez de la trompette dans le pays! Criez à pleine voix, et dites: Rassemblez-vous, et allons dans les villes fortes!
5Anders laait mijn gramschap op als een vuur, Verbrandt, en niemand kan blussen, Om de boosheid van uw werken: Is de godsspraak van Jahweh! Roept het in Juda, meldt het in Jerusalem, Blaast de bazuin in het land; Schreeuwt het overal uit: Verzamelt u; We vluchten de versterkte steden in!
6Élevez une bannière vers Sion, Fuyez, ne vous arrêtez pas! Car je fais venir du septentrion le malheur Et un grand désastre.
6Neemt de banier op en vlucht naar de Sion, Redt u, en houdt u niet op; Want uit het noorden laat Ik een onheil komen, Een ontzettende ramp!
7Le lion s’élance de son taillis, Le destructeur des nations est en marche, il a quitté son lieu, Pour ravager ton pays; Tes villes seront ruinées, il n’y aura plus d’habitants.
7De leeuw is uit zijn struiken gesprongen, De volkenverslinder is opgerukt uit zijn hol, Om uw land tot een steppe te maken, Uw steden te verwoesten en te ontvolken.
8C’est pourquoi couvrez-vous de sacs, pleurez et gémissez; Car la colère ardente de l’Éternel ne se détourne pas de nous.
8Kleedt u in zakken, Jammert en huilt; Want Jahweh’s ziedende gramschap Wijkt niet van ons.
9En ce jour-là, dit l’Éternel, Le roi et les chefs perdront courage, Les sacrificateurs seront étonnés, Et les prophètes stupéfaits.
9Op die dag: is de godsspraak van Jahweh: Zullen koning en vorsten radeloos staan, De priesters wanhopig, De profeten ontsteld.
10Je dis: Ah! Seigneur Éternel! Tu as donc trompé ce peuple et Jérusalem, en disant: Vous aurez la paix! Et cependant l’épée menace leur vie.
10Ze roepen: Ach Jahweh, mijn Heer, Gij hebt dus dit volk en Jerusalem bedrogen. Gij hebt gezegd: Ge zult vrede hebben; En het zwaard bedreigt nu ons leven.
11En ce temps-là, il sera dit à ce peuple et à Jérusalem: Un vent brûlant souffle des lieux élevés du désert Sur le chemin de la fille de mon peuple, Non pour vanner ni pour nettoyer le grain.
11In die tijd zal men roepen Tot dit volk en Jerusalem: Een verschroeiende wind uit de dorre woestijn Breekt los op de dochter van mijn volk.
12C’est un vent impétueux qui vient de là jusqu’à moi. Maintenant, je prononcerai leur sentence.
12Niet om te wannen, niet om te ziften: Een rukwind komt, door Mij gestuurd; Want nu is de beurt aan Mij gekomen, Om hun vonnis te vellen.
13Voici, le destructeur s’avance comme les nuées; Ses chars sont comme un tourbillon, Ses chevaux sont plus légers que les aigles. Malheur à nous, car nous sommes détruits!
13Zie, als onweerswolken daagt hij op, Als een wervelwind rollen zijn wagens, Vlugger dan adelaars rennen zijn paarden: Wee ons, we zijn verloren!
14Purifie ton cœur du mal, Jérusalem, Afin que tu sois sauvée! Jusques à quand garderas-tu dans ton cœur tes pensées iniques?
14Jerusalem, reinig uw hart toch van boosheid, Opdat ge nog redding moogt vinden. Hoe lang toch zullen in uw borst Uw zondige gedachten nog wonen?
15Car une voix qui part de Dan annonce la calamité, Elle la publie depuis la montagne d’Éphraïm.
15Hoort; een tijding uit Dan, Een ongeluksbode uit Efraïms bergen!
16Dites-le aux nations, faites-le connaître à Jérusalem: Des assiégeants viennent d’une terre lointaine; Ils poussent des cris contre les villes de Juda.
16Meldt het aan Sion: “Daar zijn ze!” Bericht het in Jerusalem! Belegeraars komen uit verre landen, Heffen hun strijdkreet aan tegen de steden van Juda,
17Comme ceux qui gardent un champ, ils entourent Jérusalem, Car elle s’est révoltée contre moi, dit l’Éternel.
17Omsingelen het als veldbewakers: Omdat het Mij heeft getart, is de godsspraak van Jahweh!
18C’est là le produit de tes voies et de tes actions, C’est là le produit de ta méchanceté; Certes cela est amer, cela pénètre jusqu’à ton cœur.
18Uw handel en wandel Hebben u dit verdiend; Uw eigen boosheid maakt het zo bitter, En wondt u het hart.
19Mes entrailles! Mes entrailles: je souffre au-dedans de mon cœur, Le cœur me bat, je ne puis me taire; Car tu entends, mon âme, le son de la trompette, Le cri de guerre.
19Mijn borst, mijn borst; ik krimp ineen, O, de wand van mijn hart; Hoe bonst mijn hart, Ik kan het niet stillen! Want ik hoor het geschal der trompetten, Het lawaai van de krijg;
20On annonce ruine sur ruine, Car tout le pays est ravagé; Mes tentes sont ravagées tout à coup, Mes pavillons en un instant.
20Ruïne dreunt neer op ruïne, Het hele land is verwoest. Plotseling liggen mijn tenten vernield, In een oogwenk mijn zeilen;
21Jusques à quand verrai-je la bannière, Et entendrai-je le son de la trompette?
21Hoe lang nog moet ik de krijgsbanier zien, De bazuin horen schallen!
22Certainement mon peuple est fou, il ne me connaît pas; Ce sont des enfants insensés, dépourvus d’intelligence; Ils sont habiles pour faire le mal, Mais ils ne savent pas faire le bien.
22Want mijn volk is verdwaasd: ze kennen Mij niet; Onverstandige kinderen, zonder begrip; Volleerd alleen in de boosheid, Maar te dom, om het goede te doen.
23Je regarde la terre, et voici, elle est informe et vide; Les cieux, et leur lumière a disparu.
23Ik zie de aarde al: ze is woest en leeg; De hemel: weg is zijn licht;
24Je regarde les montagnes, et voici, elles sont ébranlées; Et toutes les collines chancellent.
24Ik zie de bergen: ze rillen, En al de heuvels: ze beven.
25Je regarde, et voici, il n’y a point d’homme; Et tous les oiseaux des cieux ont pris la fuite.
25Ik zie: geen mensen meer over, Alle vogels in de lucht zijn gevlogen;
26Je regarde, et voici, le Carmel est un désert; Et toutes ses villes sont détruites, devant l’Éternel, Devant son ardente colère.
26Ik zie: de boomgaard een steppe, alle steden verwoest, Door Jahweh, om zijn ziedende toorn.
27Car ainsi parle l’Éternel: Tout le pays sera dévasté; Mais je ne ferai pas une entière destruction.
27Want zo spreekt Jahweh: Het hele land zal worden verwoest, Al verniel Ik het niet voor altijd;
28A cause de cela, le pays est en deuil, Et les cieux en haut sont obscurcis; Car je l’ai dit, je l’ai résolu, Et je ne m’en repens pas, je ne me rétracterai pas.
28De aarde zal er om treuren, De hemel daarboven om rouwen. Want Ik heb het gezegd, En heb het besloten; Ik heb er geen spijt van, Ik kom er niet meer op terug.
29Au bruit des cavaliers et des archers, toutes les villes sont en fuite; On entre dans les bois, on monte sur les rochers; Toutes les villes sont abandonnées, il n’y a plus d’habitants.
29Voor het geschreeuw van ruiters en schutters Is het hele land op de vlucht; Ze kruipen in struiken, en klimmen op rotsen, Alle steden liggen verlaten, niemand die er meer woont.
30Et toi, dévastée, que vas-tu faire? Tu te revêtiras de cramoisi, tu te pareras d’ornements d’or, Tu mettras du fard à tes yeux; Mais c’est en vain que tu t’embelliras; Tes amants te méprisent, Ils en veulent à ta vie.
30En gij wordt verwoest, wat ge ook doet: Al steekt ge u in purper, omhangt u met goud, Al puilen uw ogen door smink: Tevergeefs dirkt ge u op. Uw minnaars stoten u weg, Ze eisen uw leven;
31Car j’entends des cris comme ceux d’une femme en travail, Des cris d’angoisse comme dans un premier enfantement. C’est la voix de la fille de Sion; elle soupire, elle étend les mains: Malheureuse que je suis! Je succombe sous les meurtriers!
31Ik hoor al het gillen als van een vrouw in haar weeën, Het krijten als bij een eerste kind. Het is het kermen van de dochter van Sion, Die naar adem snakt, de handen wringt. Wee mij! O, ik bezwijk Onder de slagen der beulen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.