Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the king of Egypt gathered together an army, like the sand that lieth upon the sea shore, and many ships: and he sought to get the kingdom of Alexander by deceit, and join it to his own kingdom.
1Intussen had de koning van Egypte een leger, bijeengebracht zo talrijk als het zand aan het strand van de zee, en een grote vloot bovendien. Hij was van plan, zich op listige wijze meester te maken van het rijk van koning Alexander, en het in te lijven bij zijn rijk.
2And he went out into Syria with peaceable words, and they opened to him the cities, and met him: for king Alexander had ordered them to go forth to meet him, because he was his father in law.
2Onder het masker van vrede trok hij Syrië in, waar de inwoners de steden voor hem openstelden en hem welkom heetten; want koning Alexander had bevel gegeven, hem welkom te heten, omdat hij zijn schoonvader was.
3Now when Ptolemee entered into the cities, he put garrisons of soldiers in every city.
3Maar telkens wanneer Ptoleméus een stad was binnengetrokken, liet hij er een afdeling soldaten als bezetting achter.
4And when he came near to Azotus, they shewed him the temple of Dagon that was burnt with fire, and Azotus, and the suburbs thereof that were destroyed, and the bodies that were cast abroad, and the graves of them that were slain in the battle, which they had made near the way.
4Toen hij Asjdod had bereikt, wees men hem op de afgebrande tempel van Dagon, op de puinhopen van Asjdod en van het omliggende gebied, en op de lijken van hen, die in de oorlog waren verbrand en nu langs de weg lagen opgestapeld.
5And they told the king that Jonathan had done these things, to make him odious: but the king held his peace.
5Ook vertelde men den koning, wat Jonatan zou hebben gedaan, om hem te kleineren; maar de koning zweeg.
6And Jonathan came to meet the king at Joppe with glory, and they saluted one another, and they lodged there.
6Jonatan trok nu naar Jóppe met grote praal, om den koning welkom te heten. Zij begroetten elkander en overnachtten daar.
7And Jonathan went with the king as far as the river, called Eleutherus: and he returned into Jerusalem.
7Daarna begeleidde Jonatan den koning tot aan de rivier de Eleúterus, en keerde toen naar Jerusalem terug.
8And king Ptolemee got the dominion of the cities by the sea side, even to Seleucia, and he devised evil designs against Alexander.
8Zo maakte koning Ptoleméus zich van de kuststeden meester tot aan Seleúcië, aan de zee. En daar hij vijandige plannen tegen Alexander beraamde,
9And he sent ambassadors to Demetrius, saying: Come, let us make a league between us, and I will give thee my daughter whom Alexander hath, and thou shalt reign in the kingdom of thy father.
9zond hij een gezantschap naar koning Demétrius, en deed hem het voorstel: Kom, laat ons een bondgenootschap sluiten. Ik zal u mijn dochter geven, de vrouw van Alexander, en dan zult gij koning worden over het rijk van uw vader.
10For I repent that I have given him my daughter: for he hath sought to kill me.
10Want het spijt me, dat ik hem mijn dochter heb gegeven, daar hij pogingen heeft gedaan, om mij te vermoorden.
11And he slandered him, because he coveted his kingdom.
11Zo belasterde hij hem, daar hij zijn koninkrijk wenste.
12And he took away his daughter, and gave her to Demetrius, and alienated himself from Alexander, and his enmities were made manifest.
12Hij ontnam hem zijn dochter, en gaf haar aan Demétrius. Zo brak hij met Alexander, en werden zij openlijk vijanden.
13And Ptolemee entered into Antioch, and set two crowns upon his head, that of Egypt, and that of Asia.
13Ptoleméus trok Antiochië binnen, en zette zich de kroon van Azië op het hoofd, zodat hij nu twee kronen droeg, namelijk die van Egypte en Azië.
14Now king Alexander was in Cilicia at that time: because they that were in those places had rebelled.
14Koning Alexander bevond zich toen in Cilicië, omdat de bewoners van die streken in opstand waren gekomen.
15And when Alexander heard of it, he came to give him battle, and king Ptolemee brought forth his army, and met him with a strong power, and put him to flight.
15Maar zodra Alexander dit hoorde, trok hij tegen hem ten strijde. Ook Ptoleméus rukte uit, trok hem met een machtig leger tegemoet en versloeg hem.
16And Alexander fled into Arabia, there to be protected: and king Ptolemee was exalted.
16Alexander vluchtte naar Arabië, om daar veilig te zijn; en zo behield koning Ptoleméus de overhand.
17And Zabdiel the Arabian took off Alexander’s head, and sent it to Ptolemee.
17Maar de Arabier Zabdiël sloeg Alexander het hoofd af, en zond het naar Ptoleméus.
18And king Ptolemee died the third day after: and they that were in the strong holds were destroyed by them that were within the camp.
18Drie dagen later stierf koning Ptoleméus zelf; daarop werden de soldaten, waarmee hij zijn vestingen had bezet, door de inwoners vermoord.
19And Demetrius reigned in the hundred and sixty-seventh year.
19Zo kwam Demétrius in het jaar aan de regering.
20In those days Jonathan gathered together them that were in Judea, to take the castle that was in Jerusalem: and they made many engines of war against it.
20In die tijd riep Jonatan de mannen van Judea op, om de burcht van Jerusalem te belegeren. Toen hij reeds veel belegeringswerktuigen had laten opstellen,
21Then some wicked men that hated their own nation, went away to king Demetrius, and told him that Jonathan was besieging the castle.
21gingen enkele afvalligen, die hun volk haatten, naar den koning, en berichtten hem, dat Jonatan de burcht belegerde.
22And when he heard it, he was angry: and forthwith he came to Ptolemais, and wrote to Jonathan, that he should not besiege the castle, but should come to him in haste, and speak to him.
22Bij het bericht hiervan ontstak de koning in woede; hij reisde terstond naar Ptolemáis, en zond Jonatan een schriftelijk bevel, de belegering te staken en hem zo spoedig mogelijk in Ptolemáis te ontmoeten voor een onderhoud.
23But when Jonathan heard this, he bade them besiege it still: and he chose some of the ancients of Israel, and of the priests, and put himself in danger.
23Toch liet Jonatan ondanks het bevel de belegering voortzetten. Maar hij koos enkele oudsten van Israël en priesters uit, om met hen het gevaar te trotseren.
24And he took gold, and silver, and raiment, and many other presents, and went to the king to Ptolemais, and he found favour in his sight.
24Hij nam zilver en goud mee, gewaden en veel andere geschenken, ging naar den koning in Ptolemáis, en wist diens gunst daar te winnen.
25And certain wicked men of his nation made complaints against him.
25Wel klaagden enige afvalligen uit het volk hem aan,
26And the king treated him as his predecessor had done before: and he exalted him in the sight of all his friends.
26maar de koning behandelde hem evenals zijn voorgangers, en bewees hem veel eer ten overstaan van al zijn vrienden.
27And he confirmed him in the high priesthood, and all the honours he had before, and he made him the chief of his friends.
27Ook bekrachtigde hij zijn aanstelling als hogepriester, handhaafde al de andere waardigheden, die hij vroeger had ontvangen, en liet hem onder zijn eerste vertrouwelingen opnemen.
28And Jonathan requested of the king that he would make Judea free from tribute, and the three governments, and Samaria, and the confines thereof: and he promised him three hundred talents.
28Daarom deed Jonatan den koning het verzoek, om Judea en de drie gewesten van Samaria van belasting te ontheffen, en beloofde hem in plaats daarvan driehonderd talenten.
29And the king consented: and he wrote letters to Jonathan of all these things to this effect.
29De koning willigde het in, en liet over al deze punten de volgende oorkonde voor Jonatan opstellen:
30King Demetrius to his brother Jonathan, and to the nation of the Jews, greeting.
30Koning Demétrius aan zijn broeder Jonatan en het volk der Joden: heil!
31We send you here a copy of the letter, which we have written to Lasthenes our parent concerning you, that you might know it.
31Om u in eens op de hoogte te stellen, zenden wij ook aan u een afschrift van de brief, die wij aan Lástenes, onzen bloedverwant, over u hebben geschreven:
32King Demetrius to Lasthenes his parent, greeting.
32Koning Demétrius aan vader Lástenes: heil!
33We have determined to do good to the nation of the Jews who are our friends, and keep the things that are just with us, for their good will which they bear towards us.
33Wij hebben besloten, voor het volk der Joden, dat onze vriend is, en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, als loon voor zijn goede gezindheid jegens ons, een gunstige regeling te treffen.
34We have ratified therefore unto them all the borders of Judea, and the three cities, Apherema, Lydda, and Ramatha, which are added to Judea, out of Samaria, and all their confines, to be set apart to all them that sacrifice in Jerusalem, instead of the payments which the king received of them every year, and for the fruits of the land, and of the trees.
34Wij staan aan hen af het gebied van Judea en van de drie gewesten Efraïm, Lúdda, en Ramatáim die aan Samaria worden onttrokken, en in hun volle omvang bij Judea worden ingelijfd. Bovendien geven wij aan allen, die in Jerusalem offeren, vrijstelling van de jaarlijkse belastingen, die de koning voorheen op hun veld- en boomvruchten hief.
35And as for other things that belonged to us of the tithes, and of the tributes, from this time we discharge them of them: the saltpans also, and the crowns that were presented to us.
35Verder doen wij voor de toekomst afstand van al onze rechten op tienden en tollen, die voor ons zijn bestemd, en op de zoutvijvers en kroongelden, waarop wij aanspraak kunnen maken; van dit alles stellen we hen vrij.
36We give all to them, and nothing hereof shall be revoked from this time forth and for ever.
36En niets van dit alles zal worden ingetrokken, nu niet en nooit.
37Now therefore see that thou make a copy of these things, and let it be given to Jonathan, and set upon the holy mountain, in a conspicuous place.
37Zorg er ook voor, hiervan een afschrift te laten maken en het Jonatan te geven; het moet worden aangebracht op een in het oog lopende plaats van de heilige berg.
38And king Demetrius seeing that the land was quiet before him, and nothing resisted him, sent away all his forces, every man to his own place, except the foreign army, which he had drawn together from the islands of the nations: so all the troops of his fathers hated him.
38Toen koning Demétrius zag, dat zijn land zich rustig hield en er nergens meer verzet tegen hem heerste, zond hij al zijn troepen terug naar de plaatsen, waar zij vandaan kwamen, uitgezonderd de vreemde huurtroepen, die hij op de eilanden der heidenen had aangeworven. Daardoor kreeg hij heel het leger tegen zich, dat reeds onder zijn vaderen in dienst was geweest.
39Now there was one Tryphon who had been of Alexander’s party before: who seeing that all the army murmured against Demetrius, went to Emalchuel the Arabian, who brought up Antiochus the son of Alexander.
39Toen Trúfon, een vroegere aanhanger van Alexander, dan ook zag, dat heel het leger tegen Demétrius mopperde, ging hij naar den Arabier Imalkoeë, die Antiochus, het zoontje van Alexander, opvoedde,
40And he pressed him much to deliver him to him, that he might be king in his father’s place: and he told him all that Demetrius had done, and how his soldiers hated him. And he remained there many days.
40en verzocht hem dringend, hem den knaap toe te vertrouwen, opdat deze in plaats van zijn vader zou kunnen regeren. Daarom deelde hij hem mede, welke maatregelen Demétrius had getroffen, en hoe hij daardoor zijn leger tegen zich had gekregen. Hij bleef daar lange tijd.
41And Jonathan sent to king Demetrius, desiring that he would cast out them that were in the castle in Jerusalem, and those that were in the strong holds: because they fought against Israel.
41Intussen had Jonatan bij koning Demétrius het verzoek laten indienen, om de burchtbezetting te Jerusalem met de troepen uit de overige vestingen terug te roepen, omdat zij Israël telkens aanvielen.
42And Demetrius sent to Jonathan, saying: I will not only do this for thee, and for thy people, but I will greatly honour thee, and thy nation, when opportunity shall serve.
42Demétrius liet Jonatan antwoorden: Niet alleen deze gunst zal ik u en uw volk verlenen, maar tevens zal ik u en uw volk hoge eer bewijzen, zo gauw ik een goede gelegenheid daartoe vind.
43Now therefore thou shalt do well if thou send me men to help me: for all my army is gone from me.
43Op het ogenblik echter, nu al mijn troepen mij in de steek hebben gelaten, doet gij beter, mij soldaten te sturen, die het voor mij opnemen.
44And Jonathan sent him three thousand valiant men to Antioch: and they came to the king, and the king was very glad of their coming.
44Daarom zond Jonatan drieduizend dappere soldaten naar Antiochië. Toen dezen den koning hadden bereikt, was hij zeer verheugd over hun komst.
45And they that were of the city assembled themselves together, to the number of a hundred and twenty thousand men, and would have killed the king.
45Want er waren juist in de stad honderd twintigduizend inwoners te hoop gelopen, die den koning wilden vermoorden.
46And the king fled into the palace, and they of the city kept the passages of the city, and began to fight.
46De koning was in het paleis gevlucht, maar de inwoners hadden de straten van de stad bezet, en waren tot de aanval overgegaan.
47And the king called the Jews to his assistance: and they came to him all at once, and they all dispersed themselves through the city.
47Nu riep de koning de Joden te hulp, die zich als één man rondom hem schaarden. Zij verspreidden zich in de stad, en doodden op die dag ongeveer honderdduizend man.
48And they slew in that day a hundred thousand men, and they set fire to the city, and got many spoils that day, and delivered the king.
48Zij staken de stad in brand, veroverden die dag een grote buit, en hadden den koning gered.
49And they that were of the city saw that the Jews had got the city as they would: and they were discouraged in their minds, and cried to the king, making supplication, and saying:
49Toen nu de burgers zagen, hoe krachtig de Joden in de stad optraden en daar deden wat ze wilden, verloren zij de moed, en baden en smeekten den koning:
50Grant us peace, and let the Jews cease from assaulting us, and the city.
50Reik ons de hand, en laat de Joden niet langer woeden tegen ons en tegen de stad.
51And they threw down their arms, and made peace, and the Jews were glorified in the sight of the king, and in the sight of all that were in his realm, and were renowned throughout the kingdom, and returned to Jerusalem with many spoils.
51Zij legden de wapenen neer en sloten vrede. De Joden echter kwamen in hoog aanzien te staan bij den koning en al zijn onderdanen, en keerden met een grote buit naar Jerusalem terug.
52So king Demetrius sat in the throne of his kingdom: and the land was quiet before him.
52Maar nauwelijks zat koning Demétrius weer vast op zijn troon, en was de rust in zijn rijk teruggekeerd,
53And he falsified all whatsoever he had said, and alienated himself from Jonathan, and did not reward him according to the benefits he had received from him, but gave him great trouble.
53of hij schond alle beloften, die hij gezworen had, brak met Jonatan, en in plaats van hem de bewezen diensten te vergelden, onderdrukte hij hem heel erg.
54And after this Tryphon returned, and with him Antiochus the young boy, who was made king, and put on the diadem.
54Enige tijd later keerde Trúfon terug met Antiochus, die nog een zeer jonge knaap was; hij stelde hem aan tot koning en kroonde hem.
55And there assembled unto him all the hands which Demetrius had sent away, and they fought against Demetrius, who turned his back and fled.
55En alle troepen, die door Demétrius waren afgedankt, sloten zich bij hem aan, en streden tegen Demétrius, die verslagen werd en moest vluchten.
56And Tryphon took the elephants, and made himself master of Antioch.
56Trúfon legde beslag op de olifanten, en veroverde Antiochië.
57And young Antiochus wrote to Jonathan, saying: I confirm thee in the high priesthood, and I appoint thee ruler over the four cities, and to be one of the king’s friends.
57Toen liet de jonge Antiochus aan Jonatan schrijven:Ik handhaaf u als hogepriester en stel u aan over de vier gewesten; gij zult tot de vertrouwelingen van den koning behoren.
58And he sent him vessels of gold for his service, and he gave him leave to drink in gold, and to be clothed in purple, and to wear a golden buckle:
58Tegelijkertijd zond hij hem een gouden tafelservies, en gaf hem verlof, uit een gouden beker te drinken, zich in purper te kleden en een gouden gesp te dragen.
59And he made his brother Simon governor from the borders of Tyre even to the confines of Egypt.
59Zijn broer Sjimon stelde hij aan tot veldheer over het gebied tussen de Tyrustrap en de grenzen van Egypte.
60Then Jonathan went forth and passed through the cities beyond the river: and all the forces of Syria gathered themselves to him to help him, and he came to Ascalon, and they met him honourably out of the city.
60Nu rukte Jonatan op, en trok door het gebied en de steden aan deze zijde van de Rivier, waar het gehele syrische leger zich bij hem aansloot, om hem te steunen. Hij ging het eerst naar Asjkalon, waar de bevolking hem met eerbewijzen ontving.
61And he went from thence to Gaza: and they that were in Gaza shut him out: and he besieged it, and burnt all the suburbs round about, and took the spoils.
61Vervolgens trok hij naar Gaza. Daar echter de inwoners van Gaza hun poorten sloten, belegerde hij de stad, stak het omliggende gebied in brand en plunderde het uit.
62And the men of Gaza made supplication to Jonathan, and he gave them the right hand: and he took their sons for hostages, and sent them to Jerusalem: and he went through the country as far as Damascus.
62Toen smeekten Gaza's inwoners Jonatan om vrede, en hij ging er op in; maar hij nam de zonen van de voornaamste burgers als gijzelaars, en zond hen naar Jerusalem. Daarna doorkruiste hij het land tot Damascus toe.
63And Jonathan heard that the generals of Demetrius were come treacherously to Cades, which is in Galilee, with a great army, purposing to remove him from the affairs of the kingdom:
63Maar toen Jonatan hoorde, dat de bevelhebbers van Demétrius met een groot leger bij Kadesj in Galilea waren gelegerd, en besloten hadden, hem ten val te brengen,
64And he went against them: but left his brother Simon in the country.
64trok hij hun tegemoet. Hij liet echter zijn broer Sjimon in het land achter.
65And Simon encamped against Bethsura, and assaulted it many days, and shut them up.
65Nu sloeg Sjimon zijn kamp op bij Bet-Soer, belegerde de stad lange tijd en sloot haar in,
66And they desired him to make peace, and he granted it them: and he cast them out from thence, and took the city, and placed a garrison in it.
66totdat men hem eindelijk om vrede bad. Hij sloot vrede met hen, maar dwong ze toch de stad te verlaten, die hij in bezit nam, en waar hij een bezetting in legde.
67And Jonathan, and his army encamped by the water of Genesar, and before it was light they were ready in the plain of Asor.
67Ondertussen was Jonatan met zijn troepen bij het meer van Gennezaret gelegerd.
68And behold the army of the strangers met him in the plain, and they laid an ambush for him in the mountains: but he went out against them.
68Toen zij nu op een vroege morgen de vlakte van Chasor introkken, kwamen er eensklaps vreemde huurtroepen in de vlakte op hen af. Deze stormden nu recht op hem aan, maar hadden ook een hinderlaag in de bergen gelegd.
69And they that lay in ambush arose out of their places, and joined battle.
69Nu sprongen dus ook de soldaten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, uit hun schuilplaats te voorschijn en grepen in.
70And all that were on Jonathan’s side fled, and none was left of them, but Mathathias the son of Absalom, and Judas the son of Calphi, chief captain of the army.
70Het gehele leger van Jonatan sloeg op de vlucht; niet één van hen hield stand, behalve de legeraanvoerders Mattitja, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfai.
71And Jonathan rent his garments, and cast earth upon his head, and prayed.
71Toen scheurde Jonatan zijn kleren, strooide as op zijn hoofd en begon te bidden.
72And Jonathan turned again to them to battle, and he put them to flight, and they fought.
72Daarop begon hij de aanval opnieuw, en bracht hun zulke slagen toe, dat zij de vlucht moesten nemen.
73And they of his part that fled saw this, and they turned again to him, and they all with him pursued the enemies even to Cades to their own camp, and they came even thither.
73Zodra zijn eigen vluchtelingen dit zagen, keerden zij terug, sloten zich weer bij hem aan, en zetten ze na tot Kadesj, waar hun legerplaats lag. Daar hielden zij halt.
74And there fell of the aliens in that day three thousand men: and Jonathan returned to Jerusalem.
74Die dag waren er ongeveer drieduizend heidenen gevallen. Hierop keerde Jonatan naar Jerusalem terug.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.