Judges
Chapter 15
World English Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Judges 15

World English Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1But after a while, in the time of wheat harvest, Samson visited his wife with a young goat. He said, “I will go in to my wife’s room.” But her father wouldn’t allow him to go in.
1Enige tijd later, bij gelegenheid van de tarweoogst, kwam Samson zijn vrouw opzoeken, en bracht haar een geitebokje mee. Hij zeide: Ik wil bij mijn vrouw in haar kamer. Maar haar vader liet hem niet binnen.
2Her father said, “I most certainly thought that you utterly hated her; therefore I gave her to your companion. Isn’t her younger sister more beautiful than she? Please, take her instead.”
2Haar vader zei: Ik dacht werkelijk, dat ge erg het land aan haar hadt, en daarom heb ik ze aan een van uw feestgenoten gegeven. Maar haar jongere zuster is nog veel knapper dan zij; die kunt ge in haar plaats krijgen.
3Samson said to them, “This time I will be blameless in the case of the Philistines when I harm them.”
3Doch Samson zei hem: Deze keer heb ik geen schuld, als ik de Filistijnen kwaad doe.
4Samson went and caught three hundred foxes, and took torches, and turned tail to tail, and put a torch in the middle between every two tails.
4En Samson ging heen. Hij ving drie honderd vossen, nam fakkels, bond de staarten aaneen, en hing tussen elk paar staarten een fakkel.
5When he had set the torches on fire, he let them go into the standing grain of the Philistines, and burned up both the shocks and the standing grain, and also the olive groves.
5Toen stak hij de fakkels aan, joeg de vossen de velden der Filistijnen in, en stak de schoven in brand met het graan, dat nog op het veld stond, en de wijnbergen en olijfgaarden.
6Then the Philistines said, “Who has done this?” They said, “Samson, the son-in-law of the Timnite, because he has taken his wife and given her to his companion.” The Philistines came up, and burned her and her father with fire.
6Toen de Filistijnen vroegen, wie dat gedaan had, vertelde men: Samson, de schoonzoon van een man uit Timna; want die heeft hem zijn vrouw ontnomen, en aan een van zijn feestgenoten gegeven. Daarom trokken de Filistijnen op, en staken haar en het huis van haar vader in brand.
7Samson said to them, “If you behave like this, surely I will take revenge on you, and after that I will cease.”
7Maar Samson zeide hun: Al doet ge dit nu, toch houd ik niet op, vóór ik mij op u heb gewroken.
8He struck them hip and thigh with a great slaughter; and he went down and lived in the cave in Etam’s rock.
8En hij ranselde ze af van boven tot onder, met geweldige slagen. Daarna trok hij zich bij de rotsspelonk van Etam terug.
9Then the Philistines went up, encamped in Judah, and spread themselves in Lehi.
9Toen rukten de Filistijnen op, legerden zich in Juda, en deden een inval in Léchi.
10The men of Judah said, “Why have you come up against us?” They said, “We have come up to bind Samson, to do to him as he has done to us.”
10De mannen van Juda vroegen hun: Waarom trekt ge tegen ons op? Ze antwoordden: Wij trekken op, om Samson te binden, en met hem te doen, wat hij ons heeft gedaan.
11Then three thousand men of Judah went down to the cave in Etam’s rock, and said to Samson, “Don’t you know that the Philistines are rulers over us? What then is this that you have done to us?” He said to them, “As they did to me, so I have done to them.”
11Nu daalden drie duizend man uit Juda naar de rotsspelonk van Etam af, en zeiden tot Samson: Weet ge niet, dat de Filistijnen ons de baas zijn? Waarom haalt ge ons dit op de hals? Hij antwoordde: Ik heb ze behandeld, zoals zij mij hebben behandeld.
12They said to him, “We have come down to bind you, that we may deliver you into the hand of the Philistines.” Samson said to them, “Swear to me that you will not attack me yourselves.”
12Ze zeiden hem: We zijn afgekomen, om u te binden en aan de Filistijnen uit te leveren. Samson hernam: Zweert me, dat ge me niet zelf zult neerslaan.
13They spoke to him, saying, “No, but we will bind you securely and deliver you into their hands; but surely we will not kill you.” They bound him with two new ropes, and brought him up from the rock.
13Ze zeiden hem: Neen, we willen u alleen maar binden en aan hen uitleveren; doden zullen we u zeker niet. En ze bonden hem met twee nieuwe koorden, en brachten hem uit de rots naar boven.
14When he came to Lehi, the Philistines shouted as they met him. Then the LORD’s Spirit came mightily on him, and the ropes that were on his arms became as flax that was burned with fire; and his bands dropped from off his hands.
14Zodra hij bij Léchi kwam, en de Filistijnen hem onder gejuich tegemoet liepen, greep de geest van Jahweh hem aan; de koorden om zijn armen werden als vlasdraad, dat door het vuur is verzengd, en zijn strikken gleden hem van de handen.
15He found a fresh jawbone of a donkey, put out his hand, took it, and struck a thousand men with it.
15Hij zag een nog gaaf kinnebak van een ezel liggen: hij strekte zijn hand uit, raapte het op, en sloeg er duizend man mee neer.
16Samson said, “With the jawbone of a donkey, heaps on heaps; with the jawbone of a donkey I have struck a thousand men.”
16En Samson sprak: Met een ezelskinnebak heb ik ze afgeranseld, Met een ezelskinnebak heb ik duizend mannen verslagen!
17When he had finished speaking, he threw the jawbone out of his hand; and that place was called Ramath Lehi.
17En toen hij uitgesproken had, wierp hij het kinnebak weg, en noemde de plaats Ramat-Léchi.
18He was very thirsty, and called on the LORD and said, “You have given this great deliverance by the hand of your servant; and now shall I die of thirst, and fall into the hands of the uncircumcised?”
18Daar hij nu hevige dorst had gekregen, riep hij Jahweh aan: Gij hebt door de hand van uw dienaar deze grote overwinning geschonken! Moet ik nu sterven van dorst, en toch nog in de handen van die onbesnedenen vallen?
19But God split the hollow place that is in Lehi, and water came out of it. When he had drunk, his spirit came again, and he revived. Therefore its name was called En Hakkore, which is in Lehi, to this day.
19Toen kliefde God de rotsspleet van Léchi, en er kwam water uit; hij dronk ervan, zijn krachten keerden terug, en hij leefde weer op. Daarom heet die bron En-Hakkore; ze bevindt zich ook nu nog in Léchi.
20He judged Israel twenty years in the days of the Philistines.
20Zo was hij ten tijde der Filistijnen gedurende twintig jaar rechter over Israël.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.