Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Ook ik ben sterfelijk, zoals alle anderen, Een nazaat van den eerste, en die werd uit aarde gemaakt; In de schoot van een moeder werd ik tot een lichaam gevormd,
1Εἰμι μὲν κᾀγὼ θνητὸς ἄνθρωπος, ἶσος ἅπασι, καὶ γηγενοῦς ἀπόγονος πρωτοπλάστου.
2In de tijd van tien maanden uit geronnen bloed, Uit het zaad van een man En de lust, aan echtelijke omgang verbonden.
2Καὶ ἐν κοιλίᾳ μητρὸς ἐγλύφην σὰρξ δεκαμηνιαίῳ χρόνῳ, παγεὶς ἐν αἵματι ἐκ σπέρματος ἀνδρὸς καὶ ἡδονῆς ὕπνῳ συνελθούσης.
3Ook ik ademde na de geboorte de gemeenschappelijke lucht, En kwam terecht op de aarde, die allen doet lijden; Ik schreide mijn eerste geluid, gelijk alle anderen,
3Καὶ ἐγὼ δὲ γενόμενος ἔσπασα τὸν κοινὸν ἀέρα, καὶ ἐπὶ τὴν ὁμοιοπαθῆ κατέπεσον γῆν, πρώτην φωνὴν τὴν ὁμοίαν πᾶσιν ἶσα κλαίων.
4Werd in windselen grootgebracht onder veel zorgen.
4Ἐν σπαργάνοις ἀνετράφην, καὶ ἐν φροντίσιν.
5Want geen koning had ooit bij zijn geboorte een ander begin;
5Οὐδεὶς γὰρ βασιλεὺς ἑτέραν ἔσχε γενέσεως ἀρχήν.
6Gelijk is voor allen de aanvang en het einde van het leven.
6Μία δὲ πάντων εἴσοδος εἰς τὸν βίον, ἔξοδός τε ἴση.
7Daarom heb ik gebeden: toen werd mij inzicht gegeven; Ik smeekte: en de geest van wijsheid kwam in mij.
7Διὰ τοῦτο ηὐξάμην, καὶ φρόνησις ἐδόθη μοι, ἐπεκαλεσάμην, καὶ ἦλθέ μοι πνεῦμα σοφίας.
8Ik heb haar gesteld boven schepters en tronen; Bij haar vergeleken, telde ik rijkdom voor niets,
8Προέκρινα αὐτὴν σκήπτρων καὶ θρόνων, καὶ πλοῦτον οὐδὲν ἡγησάμην ἐν συγκρίσει αὐτῆς.
9Zelfs de kostbaarste steen stelde ik niet met haar gelijk; Want alle goud is met haar vergeleken wat stof, En zilver geldt naast haar enkel als slijk.
9Οὐδὲ ὁμοίωσα αὐτῇ λίθον ἀτίμητον, ὅτι ὁ πᾶς χρυσὸς ἐν ὄψει αὐτῆς ψάμμος ὀλίγη, καὶ ὡς πηλὸς λογισθήσεται ἄργυρος ἐναντίον αὐτῆς.
10Meer dan gezondheid en schoonheid had ik haar lief, En gaf haar de voorkeur boven het licht; Want de glans, die zij uitstraalt, dooft nooit.
10Ὑπὲρ ὑγίειαν καὶ εὐμορφίαν ἠγάπησα αὐτὴν, καὶ προειλόμην αὐτὴν ἀντὶ φωτὸς ἔχειν, ὅτι ἀκοίμητον τὸ ἐκ ταύτης φέγγος.
11Tegelijk met haar viel mij groter goed nog ten deel, Want onmetelijke rijkdom ligt in haar handen;
11Ἦλθε δέ μοι τὰ ἀγαθὰ ὁμοῦ πάντα μετʼ αὐτῆς, καὶ ἀναρίθμητος πλοῦτος ἐν χερσὶν αὐτῆς.
12Ik genoot van dit alles, daar de wijsheid het meebracht, Zonder te weten, dat zij er de moeder van was.
12Εὐφράνθην δὲ ἐπὶ πάντων, ὅτι αὐτῶν ἡγεῖται σοφία, ἠγνόουν δὲ αὐτὴν γενέτιν εἶναι τούτων.
13In oprechtheid heb ik haar leren kennen, En zonder afgunst deel ik haar mee,
13Ἀδόλως τε ἔμαθον, ἀφθόνως τε μεταδίδωμι, τὸν πλοῦτον αὐτῆς οὐκ ἀποκρύπτομαι.
14Want zij is voor de mensen een onuitputtelijke schat; Die hem benutten, verwerven Gods vriendschap, Omdat ze welgevallig worden door gaven van deugd.
14Ἀνεκλιπὴς γὰρ θησαυρός ἐστιν ἀνθρώποις, ὃν οἱ χρησάμενοι πρὸς Θεὸν ἐστείλαντο φιλίαν, διὰ τὰς ἐκ παιδείας δωρεὰς συσταθέντες.
15Moge God mij dan geven, overeenkomstig mijn kennis te spreken, En gedachten te vormen, zijn gaven waardig! Hij toch is de leidsman der wijsheid, Hij toont aan de wijzen de weg;
15Ἐμοὶ δὲ δῴη ὁ Θεὸς εἰπεῖν κατὰ γνώμην, καὶ ἐνθυμηθῆναι ἀξίως τῶν δεδομένων, ὅτι αὐτὸς καὶ τῆς σοφίας ὁδηγός ἐστι, καὶ τῶν σοφῶν διορθωτής.
16Want in zijn hand zijn wij, evenals onze woorden, Alle inzicht, bekwaamheid en kunnen.
16Ἐν γὰρ χειρὶ αὐτοῦ καὶ ἡμεῖς καὶ οἱ λόγοι ἡμῶν, πᾶσά τε φρόνησις καὶ ἐργατειῶν ἐπιστήμη.
17Ja, Hijzelf schonk mij betrouwbare kennis der dingen, Om de bouw van het heelal en de kracht der elementen te kennen:
17Αὐτὸς γάρ μοι ἔδωκε τῶν ὄντων γνῶσιν ἀψευδῆ, εἰδέναι σύστασιν κόσμου καὶ ἐνέργειαν στοιχείων,
18Het begin, het einde en het midden der tijden, Het wenden van de zonnestand, en de wisseling van de jaargetijden,
18ἀρχὴν καὶ τέλος καὶ μεσότητα χρόνων, τροπῶν ἀλλαγὰς καὶ μεταβολὰς καιρῶν,
19De kringloop der jaren en de stand van de sterren.
19ἐνιαυτῶν κύκλους καὶ ἀστέρων θέσεις,
20De natuur van de dieren en de aard der wilde beesten, De macht van de geesten en de gedachten der mensen, De soorten van planten en de krachten der wortels:
20φύσεις ζώων καὶ θυμοὺς θηρίων, πνευμάτων βίας καὶ διαλογισμοὺς ἀνθρώπων, διαφορὰς φυτῶν καὶ δυνάμεις ῥιζῶν,
21Verborgen of zichtbaar, ik heb alles leren kennen, Want de wijsheid, die alles maakte, leerde het mij.
21ὅσα τέ ἐστι κρυπτὰ καὶ ἐμφανῆ ἔγνων.
22Want in haar is een geest, verstandig en heilig, Enig, veelzijdig, onstoffelijk, Vaardig, doordringend en smetteloos, Helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede, scherp, Onweerstaanbaar, weldadig, menslievend.
22Ἡ γὰρ πάντων τεχνίτις ἐδίδαξέ με σοφία· ἔστι γὰρ ἐν αὐτῇ πνεῦμα νοερὸν, ἅγιον, μονογενὲς, πολυμερὲς, λεπτὸν, εὐκίνητον, τρανὸν, ἀμόλυντον, σαφὲς, ἀπήμαντον, φιλάγαθον, ὀξὺ, ἀκώλυτον, εὐεργετικὸν,
23Standvastig, betrouwbaar, zonder zorgen, Alles vermogend en alles besturend, Al de andere geesten doordringend, Hoe verstandig, rein en scherpzinnig zij ook zijn.
23φιλάνθρωπον, βέβαιον, ἀσφαλὲς, ἀμέριμνον, παντοδύναμον, πανεπίσκοπον, καὶ διὰ πάντων χωροῦν πνευμάτων νοερῶν, καθαρῶν, λεπτοτάτων.
24Want de wijsheid is sneller dan al wat beweegt, Zij doordringt en doortrekt alles door de kracht van haar reinheid.
24Πάσης γὰρ κινήσεως κινητικώτερον σοφία, διήκει δὲ καὶ χωρεῖ διὰ πάντων διὰ τὴν καθαρότητα.
25Want zij is een ademtocht van de Majesteit Gods, Een reine uitstraling van de glorie van den Almachtige; Daarom kan niets, wat besmet is, haar raken.
25Ἀτμὶς γάρ ἐστι τῆς τοῦ Θεοῦ δυνάμεως. καὶ ἀπόῤῥοια τῆς τοῦ παντοκράτορος δόξης εἰλικρινής· διὰ τοῦτο οὐδὲν μεμιαμμένον εἰς αὐτὴν παρεμπίπτει.
26Zij is de weerglans van het eeuwige licht, Een vlekkeloze spiegel van Gods kracht, Het beeld van zijn volmaaktheid.
26Ἀπαύγασμα γάρ ἐστι φωτὸς ἀϊδίου, καὶ ἔσοπτρον ἀκηλίδωτον τῆς τοῦ Θεοῦ ἐνεργείας, καὶ εἰκὼν τῆς ἀγαθότητος αὐτοῦ.
27Zij is slechts één, maar kan alles, Blijft zelf steeds dezelfde, terwijl ze alles vernieuwt; Van geslacht tot geslacht treedt zij binnen in heilige zielen, En vormt ze tot vrienden Gods en profeten.
27Μία δὲ οὖσα πάντα δύναται, καὶ μένουσα ἐν αὑτῇ τὰ πάντα καινίζει, καὶ κατὰ γενεὰς εἰς ψυχὰς ὁσίας μεταβαίνουσα, φίλους Θεοῦ καὶ προφήτας κατασκευάζει.
28Want God heeft hen alleen lief, Die met de wijsheid vertrouwd zijn.
28Οὐθὲν γὰρ ἀγαπᾷ ὁ Θεὸς, εἰ μὴ τὸν σοφίᾳ συνοικοῦντα.
29Zij is schoner dan de zon en heel het leger der sterren, Met het licht vergeleken, is de voorrang aan haar; Want op het licht volgt de nacht, Maar de wijsheid wordt nooit door de boosheid verwonnen.
29Ἔστι γὰρ αὕτη εὐπρεπεστέρα ἡλίου, καὶ ὑπὲρ πᾶσαν ἄστρων θέσιν, φωτὶ συγκρινομένη εὑρίσκεται προτέρα.
no verse 30 in this text
30Τοῦτο μὲν γὰρ διαδέχεται νὺξ, σοφίας δὲ οὐκ ἀντισχύει κακία.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.