Hooglied
Chapter 6

Hooglied

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Brento…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Maar waarheen is uw beminde gegaan, Schoonste der vrouwen; Waarheen is uw beminde geweken, Wij willen met u hem gaan zoeken!
1Ποῦ ἀπῆλθεν ὁ ἀδελφιδός σου ἡ καλὴ ἐν γυναιξὶ; ποῦ ἀπέβλεψεν ὁ ἀδελφιδός σου; καὶ ζητήσομεν αὐτὸν μετὰ σοῦ.
2Mijn beminde is naar zijn lusthof gegaan, Naar de balsembedden, Om in de lusthof te weiden En lelies te plukken.
2Ἀδελφιδός μου κατέβη εἰς κῆπον αὐτοῦ εἰς φιάλας τοῦ ἀρώματος, ποιμαίνειν ἐν κήποις, καὶ συλλέγειν κρίνα.
3Maar mijn beminde blijft mijn, en ik van hem: Hij is het, die in de leliën weidt, Totdat de dag is afgekoeld en de schaduwen vlieden!
3Ἐγὼ τῷ ἀδελφιδῷ μου, καὶ ἀδελφιδός μου ἐμοί, ὁ ποιμαίνων ἐν τοῖς κρίνοις.
4Schoon zijt gij, mijn liefste Heerlijk als Tirsa Bekoorlijk als Jerusalem, Maar ook geducht als een leger.
4Καλὴ εἶ ἡ πλησίον μου, ὡς εὐδοκία, ὡραῖα ὡς Ἱερουσαλὴμ, θάμβος ὡς τεταγμέναι.
5Wend uw ogen van mij af, Want ze brengen mij in verwarring; Uw lokken zijn als een kudde geiten, Die neergolft van Gilad.
5Ἀπόστρεψον ὀφθαλμούς σου ἀπεναντίον μου, ὅτι αὐτοὶ ἀνεπτέρωσάν με· τρίχωμά σου ὡς ἀγέλαι τῶν αἰγῶν, αἳ ἀνεφάνησαν ἀπὸ τοῦ Γαλαάδ.
6Uw tanden zijn als een kudde schapen, Zo juist uit het bad, Die allen tweelingen hebben Waarvan er geen enkel ontbreekt.
6Ὀδόντες σου ὡς ἀγέλαι τῶν κεκαρμένων, αἳ ἀνέβησαν ἀπὸ τοῦ λουτροῦ, αἱ πᾶσαι διδυμεύουσαι, καὶ ἀτεκνοῦσα οὐκ ἔστιν ἐν αὐταῖς· ὡς σπαρτίον τὸ κόκκινον χείλη σου, καὶ ἡ λαλιά σου ὡραιᾶ.
7Als een band van purper uw lippen, Aanminnig uw mond; Als granatenhelften blozen uw wangen Door uw sluier heen.
7Ὡς λέπυρον ῥοᾶς μῆλόν σου ἐκτὸς τῆς σιωπήσεώς σου.
8Koninginnen zijn er zestig En bijvrouwen tachtig, Jonge meisjes ontelbaar: Maar mijn duifje, mijn schoonste is énig!
8Ἑξήκοντά εἰσι βασίλισσαι καὶ ὀγδοήκοντα παλλακαὶ, καὶ νεάνιδες ὧν οὐκ ἔστιν ἀριθμός.
9Zij was al enig voor haar moeder, De lieveling van haar, die haar baarde; Als de meisjes haar zagen, dan roemden ze haar. Koninginnen en bijvrouwen prezen haar.
9Μία ἐστὶ περιστερά μου, τελεία μου, μία ἐστὶ τῇ μητρὶ αὐτῆς, ἐκλεκτή ἐστι τῇ τεκούσῃ αὐτήν· Εἴδοσαν αὐτὴν θυγατέρες καὶ μακαριοῦσιν αὐτὴν, βασίλισσαι καί γε παλλακαὶ, καὶ αἰνέσουσιν αὐτήν.
10Wie rijst daar op als het morgenrood, Schoon als de maan, En klaar als de zon, Maar ook geducht als een leger?
10Τίς αὕτη ἡ ἐκκύπτουσα ὡσεὶ ὄρθρος, καλὴ ὡς σελήνη, ἐκλεκτὴ ὡς ὁ ἥλιος, θάμβος ὡς τεταγμέναι;
11Naar de notenhof wilde ik gaan, Om de bloemen in het dal te aanschouwen, Om te zien, of de wijnstok al uitbot, De granaten al bloeien.
11Εἰς κῆπον καρύας κατέβην ἰδεῖν ἐν γεννήμασι τοῦ χειμάῤῥου, ἰδεῖν εἰ ἤνθησεν ἡ ἄμπελος, ἐξήνθησαν αἱ ῥοαί·
12En zonder dat ik het wist, Hebt gij mij in de vorstelijke draagkoets gezet…
12Ἐκεῖ δώσω τοὺς μαστούς μου σοί· οὐκ ἔγνω ἡ ψυχή μου· ἔθετο με ἅρματα Ἀμιναδάβ.
13terug, kom terug, Sjoelammiet; Terug, kom terug, wij willen u zien! Wat gaapt gij de Sjoelammietische aan, Als een zwaarddanseres?
no verse 13 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.