Deuteronomium 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Wanneer een profeet of een dromer onder u opstaat, en een teken of wonder voor u doet,
1Πᾶν ῥῆμα ὃ ἐγὼ ἐντλλομαι ὑμῖν σήμερον, τοῦτο φυλάξῃ ποιεῖν· οὐ προσθήσεις ἐπʼ αὐτό, οὐδὲ ἀφελεῖς ἀπʼ αὐτοῦ.
2wanneer zelfs het teken of wonder, waarop hij zich beroept, in vervulling mocht gaan, als hij zegt: “Laat ons vreemde goden volgen, die gij niet kent, en ze dienen”;
2Ἐὰν δὲ ἀναστῇ ἐν σοὶ προφήτης ἢ ἐνυπνιαζόμενος τὸ ἐνύπνιον, καὶ δῷ σοι σημεῖον ἢ τέρας,
3dan moogt ge toch niet naar de woorden van dien profeet of dien dromer luisteren. Want Jahweh, uw God, stelt u dan op de proef, om te weten of gij werkelijk Jahweh, uw God, met heel uw hart en heel uw ziel wilt beminnen.
3καὶ ἔλθῃ τὸ σημεῖον ἢ τὸ τέρας ὃ ἐλάλησε πρὸς σὲ, λέγων, πορευθῶμεν καὶ λατρεύσωμεν θεοῖς ἑτέροις οὓς οὐκ οἴδατε,
4Slechts Jahweh, uw God, moet ge volgen en vrezen, zijn geboden onderhouden, Hem gehoorzamen en dienen, en u hechten aan Hem.
4οὐκ ἀκούσεσθε τῶν λόγων τοῦ προφήτου ἐκείνου ἢ τοῦ ἐνυπνιαζομένου τὸ ἐνύπνιον ἐκεῖνο· ὅτι πειράζει Κύριος ὁ Θεός σου ὑμᾶς, εἰδέναι εἰ ἀγαπᾶτε τὸν Θεὸν ὑμῶν ἐξ ὅλης τῆς καρδίας ὑμῶν, καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς ὑμῶν.
5En die profeet of die dromer moet ter dood worden gebracht, omdat hij afval gepreekt heeft van Jahweh, uw God, die u uit Egypte heeft geleid en uit het slavenhuis bevrijd, en omdat hij u van de weg wil afbrengen, die Jahweh, uw God, u gebood te bewandelen. Roeit dit kwaad in uw midden uit.
5Ὀπίσω Κυρίου τοῦ Θεοῦ ὑμῶν πορεύεσθε, καὶ τοῦτον φοβηθήσεσθε, καὶ τῆς φωνῆς αὐτοῦ ἀκούσεσθε, καὶ αὐτῷ προστεθήσεσθε.
6Of wanneer uw broer, de zoon van uw vader, of de zoon van uw moeder, uw zoon of uw dochter, of de vrouw in uw armen of uw boezemvriend, u in het geheim wil verleiden, en zegt: “Laat ons vreemde goden gaan dienen”, goden die gij noch uw vaderen hebben gekend,
6Καὶ ὁ προφήτης ἐκεῖνος ἢ ὁ τὸ ἐνύπνιον ἐνυπνιαζόμενος ἐκεῖνος, ἀποθανεῖται· ἐλάλησε γὰρ πλανῆσαί σε ἀπὸ Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου ἐξαγαγόντος σε ἐκ γῆς Αἰγύπτου, τοῦ λυτρωσαμένου σε ἐκ τῆς δουλείας, ἐξῶσαί σε ἀπὸ τῆς ὁδοῦ, ἧς ἐνετείλατό σοι Κύριος ὁ Θεός σου πορεύεσθαι ἐν αὐτῇ· καὶ ἀφανιεῖς τὸν πονηρὸν ἐξ ὑμῶν αὐτῶν.
7goden der volken, die rondom u wonen, dicht bij of veraf, van het ene einde der aarde tot het andere:
7Ἐὰν δὲ παρακαλέσῃ σε ὁ ἀδελφός σου ἐκ πατρός σου ἢ ἐκ μητρός σου, ἢ ὁ υἱός σου, ἢ ἡ θυγάτηρ, ἢ ἡ γυνή σου ἡ ἐν κόλπῳ σου, ἢ φίλος ἴσος τῇ ψυχῇς σου λάθρα, λέγων, βαδίσωμεν καὶ λατρεύσωμεν θεοῖς ἑτέροις, οὓς οὐκ ᾔδεις σὺ καὶ οἱ πατέρες σου,
8dan moogt ge daarin niet toestemmen en niet naar hem luisteren. Ge moogt geen medelijden met hem hebben, hem niet sparen, en zijn schuld niet verzwijgen;
8ἀπὸ τῶν θεῶν τῶν ἐθνῶν τῶν περὶ κύκλῳ ὑμῶν, τῶν ἐγγιζόντων σοι ἢ τῶν μακρὰν ἀπὸ σοῦ, ἀπʼ ἄκρου τῆς γῆς ἕως ἄκρου τῆς γῆς,
9maar breng hem ter dood. Uw hand moet het eerst tegen hem zijn gericht om hem te doden, nog vóór de hand van heel het volk.
9οὐ συνθελήσεις αὐτῷ, καὶ οὐκ εἰσακούσῃ αὐτοῦ, καὶ οὐ φείσεται ὁ ὀφθαλμός σου ἐπʼ αὐτῷ, οὐκ ἐπιποθήσεις ἐπʼ αὐτῷ, οὐδʼ οὐ μὴ σκεπάσῃς αὐτόν·
10Stenig hem dood, omdat hij u afvallig wilde maken van Jahweh, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis heeft geleid.
10ἀναγγέλλων ἀναγγελεῖς περὶ αὐτοῦ, καὶ αἱ χεῖρές σου ἔσονται ἐπʼ αὐτὸν ἐν πρώτοις ἀποκτεῖναι αὐτὸν, καὶ αἱ χεῖρες παντὸς τοῦ λαοῦ ἐπʼ ἐσχάτῳ.
11Heel Israël zal het horen en vrezen en men zal nooit meer een dergelijk kwaad in uw midden bedrijven.
11Καὶ λιθοβολήσουσιν αὐτὸν ἐν λίθοις, καὶ ἀποθανεῖται, ὅτι ἐζήτησεν ἀποστῆσαί σε ἀπὸ Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου τοῦ ἐξαγαγόντος σε ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ἐξ οἴκου δουλείας.
12Of wanneer gij hoort, dat er in een van de steden, die Jahweh, uw God, u tot woonplaats zal geven,
12Καὶ πᾶς Ἰσραὴλ ἀκούσας φοβηθήσεται, καὶ οὐ προσθήσει ποιῆσαι ἔτι κατὰ τὸ ῥῆμα τὸ πονηρὸν τοῦτο ἐν ὑμῖν.
13Belialskinderen uit uw midden zijn opgestaan, die hun medeburgers verleiden, en zeggen: “Laat ons vreemde goden gaan dienen, die gij niet kent”,
13Ἐὰν δὲ ἀκούσῃς ἐν μιᾷ τῶν πόλεών σου, ὧν Κύριος ὁ Θεός σου δίδωσί σοι κατοικεῖν σε ἐκεῖ, λεγόντων,
14dan moet gij een onderzoek instellen, navorsen en nauwgezet navraag doen. En staat het ontwijfelbaar vast, dat die gruwel onder u is bedreven,
14ἐξήλθοσαν ἄνδρες παράνομοι ἐξ ὑμῶν, καὶ ἀπέστησαν πάντας τοὺς κατοικοῦντας τὴν γῆν αὐτῶν, λέγοντες, πορευθῶμεν καὶ λατρεύσωμεν θεοῖς ἑτέροις, οὓς οὐκ ᾔδειτε,
15dan moet gij de bewoners dier stad over de kling jagen, de stad, met al wat er in is, met de banvloek treffen, en zelfs haar vee met het zwaard doden.
15καὶ ἐτάσεις καὶ ἐρωτήσεις, καὶ ἐρευνήσεις σφόδρα, καὶ ἰδοὺ ἀληθὴς σαφῶς ὁ λόγος, γεγένηται τὸ βδέλυγμα τοῦτο ἐν ὑμῖν·
16Al wat daar buit is gemaakt, moet gij midden op de markt bijeen brengen, en dan de stad met heel de buit als een brandoffer voor Jahweh, uw God, verbranden; ze moet eeuwig een puinhoop blijven, en mag niet meer worden herbouwd.
16ἀναιρῶν ἀνελεῖς πάντας τοὺς κατοικοῦντας ἐν τῇ γῇ ἐκείνῃ ἐν φόνῳ μαχαίρας, ἀναθέματι ἀναθεματιεῖτε αὐτὴν, καὶ πάντα τὰ ἐν αὐτῇ.
17Niets van wat met de ban is geslagen, mag aan uw hand blijven kleven, opdat Jahweh zijn grimmige toorn mag laten varen en Zich uwer ontfermen. Dan zal Hij in zijn barmhartigheid u talrijk maken, zoals Hij het aan uw vaderen heeft gezworen,
17Καὶ πάντα τὰ σκῦλα αὐτῆς συνάξεις εἰς τὰς διόδους αὐτῆς, καὶ ἐμπρήσεις τὴν πόλιν ἐν πυρὶ, καὶ πάντα τὰ σκῦλα αὐτῆς πανδημεὶ ἐναντίον Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου· καὶ ἔσται ἀοίκητος εἰς τὸν αἰῶνα, οὐκ ἀνοικοδομηθήσεται ἔτι.
18daar gij hebt geluisterd naar de stem van Jahweh, uw God, al zijn geboden hebt onderhouden, die ik u heden gaf, en gedaan hebt wat recht is in de ogen van Jahweh, uw God.
18Καὶ οὐ προσκολληθήσεται οὐδὲν ἀπὸ τοῦ ἀναθέματος ἐν τῇ χειρί σου, ἵνα ἀποστραφῇ Κύριος ἀπὸ θυμοῦ τῆς ὀργῆς αὐτοῦ, καὶ δώσῃ σοι ἔλεος, καὶ ἐλεήσῇ σε, καὶ πληθύνῃ σε, ὃν τρόπον ὤμοσε τοῖς πατράσι σου,
no verse 19 in this text
19ἐὰν ἀκούσῃς τῆς φωνῆς Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου, φυλάσσειν τὰς ἐντολὰς αὐτοῦ, ὅσας ἐγὼ ἐντέλλομαί σοι σήμερον, ποιεῖν τὸ καλὸν καὶ τὸ ἀρεστὸν ἐναντίον Κυρίου τοῦ Θεοῦ σου.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.