2 Koningen
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Brento…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1In het zeven en twintigste jaar der regering, van Jeroboam over Israël, werd Azarja, de zoon van Amas-ja, koning van Juda.
1Ἐν ἔτει εἰκοστῷ καὶ ἑβδόμῳ τῷ Ἱεροβοὰμ βασιλεῖ Ἰσραὴλ ἐβασίλευσεν Ἀζαρίας υἱὸς Ἀμεσσίου βασιλέως Ἰούδα.
2Hij was zestien jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde twee en vijftig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jekoljáhoe, en was afkomstig uit Jerusalem.
2Υἱὸς ἑκκαίδεκα ἐτῶν ἦν ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν, καὶ πεντηκονταδύο ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλὴμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ἱεχελία ἐξ Ἱερουσαλήμ.
3Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader Amas-ja gedaan had.
3Καὶ ἐποίησε τὸ εὐθὲς ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου, κατὰ πάντα ὅσα ἐποίησεν Ἀμεσσίας ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
4Maar ook hij schafte de offerhoogten niet af, zodat het volk op de hoogten bleef offeren en wierook branden.
4Πλὴν τῶν ὑψηλῶν οὐκ ἐξῇρεν, ἔτι ὁ λαὸς ἐθυσίαζε καὶ ἐθυμίων ἐν τοῖς ὑψηλοῖς.
5Jahweh sloeg den koning, en hij werd melaats tot op de dag van zijn dood. Daarom trok hij zich in afzondering in zijn paleis terug, terwijl zijn zoon Jotam het bestuur van het paleis waarnam en over het volk recht sprak.
5Καὶ ἥψατο Κύριος τὸν βασιλέα, καὶ ἦν λελεπρωμένος ἕως ἡμέρας θανάτου αὐτοῦ· καὶ ἐβασίλευσεν ἐν οἴκῳ ἀφφουσώθ· καὶ Ἰωάθαμ υἱὸς τοῦ βασιλέως ἐπὶ τῷ οἴκῳ κρίνων τὸν λαὸν τῆς γῆς.
6De verdere geschiedenis van Azarja, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
6Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἀζαρίου καὶ πάντα ὅσα ἐποίησεν, οὐχὶ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
7Azarja ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de Davidstad begraven. Zijn zoon Jotam volgde hem op.
7Καὶ ἐκοιμήθη Ἀζαρίας μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ, καὶ ἔθαψαν αὐτὸν μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυὶδ, καὶ ἐβασίλευσεν Ἰωάθαν υἱὸς αὐτοῦ ἀντʼ αὐτοῦ.
8In het acht en dertigste jaar der regering van Azarja over Juda werd Zekarja, de zoon van Jeroboam, koning van Israël. Hij regeerde zes maanden te Samaria.
8Ἐν ἔτει τριακοστῷ καὶ ὀγδόῳ τῷ Ἀζαρίου βασιλεῖ Ἰούδα ἐβασίλευσε Ζαχαρίας υἱὸς Ἰεροβοὰμ ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν Σαμαρείᾳ ἑξάμηνον.
9Evenals zijn vaderen deed hij wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en brak niet met de zonde, waartoe Jeroboam, de zoon van Nebat, Israël had verleid.
9Καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου καθὰ ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτοῦ· οὐκ ἀπέστη ἀπὸ πασῶν τῶν ἁμαρτιῶν Ἰεροβοὰμ υἱοῦ Ναβὰτ, ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
10Sjalloem, de zoon van Jabesj, smeedde een samenzwering tegen hem, doodde hem te Jibleam, en werd koning in zijn plaats.
10Καὶ συνεστράφησαν ἐπʼ αὐτὸν Σελλοὺμ υἱὸς Ἰαβίς· καὶ ἐπάταξαν αὐτὸν Κεβλαὰμ καὶ ἐθανάτωσαν αὐτὸν, καὶ ἐβασίλευσεν ἀντʼ αὐτοῦ.
11De verdere geschiedenis van Zekarja is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
11Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ζαχαρίου, ἰδού εἰσι γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰσραήλ.
12Toen werd het woord vervuld, dat Jahweh tot Jehoe gesproken had: Uw zonen zullen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zetelen.
12Ὁ λόγος Κυρίου ὃν ἐλάλησε πρὸς Ἰοὺ, λέγων, υἱοὶ τέταρτοι καθήσονταί σοι ἐπὶ θρόνου Ἰσραήλ· καὶ ἐγένετο οὕτως.
13Sjalloem, de zoon van Jabesj, werd koning in het negen en dertigste jaar van de regering van Ozias over Juda. Hij regeerde een volle maand te Samaria.
13Καὶ Σελλοὺμ υἱὸς Ἰαβὶς ἐβασίλευσε· καὶ ἐν ἔτει τριακοστῷ καὶ ἐννάτῳ Ἀζαρίᾳ βασιλεῖ Ἰούδα ἐβασίλευσε Σελλοὺμ μῆνα ἡμερῶν ἐν Σαμαρείᾳ.
14Toen trok Menachem, de zoon van Gadi, van Tirsa naar Samaria op, drong de stad binnen, versloeg Sjalloem, den zoon van Jabesj, en doodde hem. Hij werd koning in zijn plaats.
14Καὶ ἀνέβη Μαναὴμ υἱὸς Γαδδὶ ἐκ Θαρσιλὰ, καὶ ἦλθεν εἰς Σαμάρειαν, καὶ ἐπάταξε τὸν Σελλοὺμ υἱὸν Ἰαβὶς ἐν Σαμαρείᾳ, καὶ ἐθανάτωσεν αὐτόν.
15De verdere geschiedenis van Sjalloem, met de samenzwering, die hij smeedde, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
15Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Σελλοὺμ, καὶ ἡ συστροφὴ αὐτοῦ ᾗ συνεστράφη, ἰδού εἰσι γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰσραήλ.
16Van Tirsa uit verwoestte Menachem de stad Tifsach en haar onderhorig gebied, omdat zij hem haar poorten niet geopend had. Hij vermoordde al de inwoners, en liet de zwangere vrouwen openrijten.
16Τότε ἐπάταξε Μαναὴμ καὶ τὴν Θερσὰ καὶ πάντα τὰ ἐν αὐτῇ, καὶ τὰ ὅρια αὐτῆς ἀπὸ Θερσὰ, ὅτι οὐκ ἤνοιξαν αὐτῷ, καὶ ἐπάταξεν αὐτὴν, καὶ τὰς ἐν γαστρὶ ἐχούσας ἀνέῤῥηξεν.
17In het negen en dertigste jaar der regering van Azarja over Juda werd Menachem, de zoon van Gadi, koning van Israël. Hij regeerde tien jaar te Samaria.
17Ἐν ἔτει τριακοστῷ καὶ ἐννάτῳ τῷ Ἀζαρίᾳ βασιλεῖ Ἰούδα ἐβασίλευσε Μαναὴμ υἱὸς Γαδδὶ ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν Σαμαρείᾳ δέκα ἔτη.
18Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en brak niet met de zonde, waartoe Jeroboam, de zoon van Nebat, Israël had verleid.
18Καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου, οὐκ ἀπέστη ἀπὸ πασῶν ἁμαρτιῶν Ἱεροβοὰμ υἱοῦ Ναβὰτ ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
19In zijn tijd drong Poel koning van Assjoer, in het land. Want Menachem had aan Poel duizend talenten zilver beloofd, indien deze hem zou helpen, om het koningschap in handen te krijgen.
19Ἐν ταῖς ἡμέραις αὐτοῦ ἀνέβη Φονὰ βασιλεὺς Ἀσσυρίων ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ Μαναὴμ ἔδωκε τῷ Φουὰ χίλια τάλαντα ἀργυρίου εἶναι τὴν χεῖρα αὐτοῦ μετʼ αὐτοῦ.
20Menachem hief dit geld van Israël; iedere man van stand moest voor den koning van Assjoer vijftig sikkels zilver opbrengen. Toen trok de koning van Assjoer af, en bleef niet langer in het land.
20Καὶ ἐξήνεγκε Μαναὴμ τὸ ἀργύριον ἐπὶ τὸν Ἰσραὴλ ἐπὶ πᾶν δυνατὸν ἰσχύϊ, δοῦναι τῷ βασιλεῖ τῶν Ἀσσυρίων, πεντήκοντα σίκλους τῷ ἀνδρὶ τῷ ἑνί· καὶ ἀπέστρεψε βασιλεὺς Ἀσσυρίων, καὶ οὐκ ἔστη ἐκεῖ ἐν τῇ γῇ.
21De verdere geschiedenis van Menachem, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
21Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Μαναὴμ καὶ πάντα ὅσα ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰσραήλ;
22Menachem ging bij zijn vaderen te ruste, en zijn zoon Pekachja volgde hem op.
22Καὶ ἐκοιμήθη Μαναὴμ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ, καὶ ἐβασίλευσε Φακεσίας υἱὸς αὐτοῦ ἀντʼ αὐτοῦ.
23In het vijftigste jaar der regering van Azarja over Juda werd Pekachja, de zoon van Menachem, koning van Israël. Hij regeerde twee jaar te Samaria.
23Ἐν ἔτει πεντηκοστῷ τοῦ Ἀζαρίου βασιλεῖ Ἰούδα ἐβασίλευσε Φακεσίας υἱὸς Μαναὴμ ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν Σαμαρείᾳ δύο ἔτη.
24Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en brak niet met de zonde, waartoe Jeroboam, de zoon van Nebat, Israël had verleid.
24Καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου, οὐκ ἀπέστη ἀπὸ ἁμαρτιῶν Ἰεροβοὰμ υἱοῦ Ναβὰτ ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
25Zijn hoofdman Pékach, de zoon van Remaljáhoe, smeedde een samenzwering tegen hem, en doodde hem tegelijk met Argob en Haärje, in het hoofdgebouw van het koninklijk paleis te Samaria, daarbij geholpen door vijftig man van de Giladieten. Hij werd koning in zijn plaats.
25Καὶ συνεστράφη ἐπʼ αὐτὸν Φακεὲ υἱὸς Ῥομελίου ὁ τριστάτης αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν αὐτὸν ἐν Σαμαρείᾳ ἐναντίον οἴκου τοῦ βασιλέως μετὰ τοῦ Ἀργὸβ καὶ μετὰ τοῦ Ἀρία, καὶ μετʼ αὐτοῦ πεντήκοντα ἄνδρες ἀπὸ τῶν τετρακοσίων· καὶ ἐθανάτωσε αὐτὸν, καὶ ἐβασίλευσεν ἀντʼ αὐτοῦ.
26De verdere geschiedenis van Pekachja, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
26Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Φακεσίου καὶ πάντα ὅσα ἐποίησεν, ἰδού εἰσι γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰσραήλ.
27In het twee en vijftigste jaar der regering van Azarja over Juda werd Pékach, de zoon van Remaljáhoe, koning van Israël. Hij regeerde twintig jaar te Samaria.
27Ἐν ἔτει πεντηκοστῷ καὶ δευτέρῳ τοῦ Ἀζαρίου βασιλεῖ Ἰούδα ἐβασίλευσε Φακεὲ υἱὸς Ῥομελίου ἐπὶ Ἰσραὴλ ἐν Σαμαρείᾳ εἴκοσι ἔτη.
28Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en brak niet met de zonde, waartoe Jeroboam, de zoon van Nebat, Israël had verleid.
28Καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου, οὐκ ἀπέστη ἀπὸ πασῶν ἁμαρτιῶν Ἰεροβοὰμ υἱοῦ Ναβὰτ ὃς ἐξήμαρτε τὸν Ἰσραήλ.
29Tijdens de regering van koning Pékach van Israël deed Tiglat Piléser, koning van Assjoer, een inval, en veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maäka, Janóach, Kédesj, Chasor, Gilad, Galilea en heel het land van Neftali. De bewoners voerde hij in ballingschap naar Assjoer.
29Ἐν ταῖς ἡμέραις Φακεὲ βασιλέως Ἰσραὴλ ἦλθε Θαλγαθφελλασὰρ βασιλεὺς Ἀσσυρίων, καὶ ἔλαβε τὴν Αἲν καὶ τὴν Ἀβὲλ καὶ τὴν Θαμααχὰ καὶ τὴν Ἀνιὼχ καὶ τὴν Κενὲζ καὶ τὴν Ἀσὼρ καὶ τὴν Γαλαὰν καὶ τὴν Γαλιλαίαν, πᾶσαν γῆν Νεφθαλὶ, καὶ ἀπῳκισεν αὐτοὺς εἰς Ἀσσυρίους.
30Hosjéa, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pékach, den zoon van Remaljáhoe, en doodde hem. Hij werd koning in zijn plaats.
30Καὶ συνέστρεψε σύστρεμμα Ὠσηὲ υἱὸς Ἠλὰ ἐπὶ Φακεὲ υἱὸν Ῥομελίου, καὶ ἐπάταξεν αὐτὸν, καὶ ἐθανάτωσε, καὶ ἐβασίλευσεν ἀντʼ αὐτοῦ, ἐν ἔτει εἰκοστῷ Ἰωάθαμ υἱοῦ Ἀζαρίου.
31De verdere geschiedenis van Pékach, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
31Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Φακεὲ καὶ πάντα ὅσα ἐποίησεν, ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰσραήλ.
32In het tweede jaar der regering van Pékach, den zoon van Remaljáhoe, over Israël, werd Jotam, de zoon van Ozias, koning van Juda.
32Ἐν ἔτει δευτέρῳ Φακεὲ υἱοῦ Ῥομελίου βασιλεῖ Ἰσραὴλ ἐβασίλευσεν Ἰωάθαμ υἱὸς Ἀζαρίου βασιλέως Ἰούδα.
33Hij was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Jeroesja, en was de dochter van Sadok.
33Υἱὸς εἴκοσι καὶ πέντε ἐτῶν ἦν ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν, καὶ ἐκκαίδεκα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῆς μητρὸς αὐτοῦ Ἰερουσὰ θυγάτηρ Σαδώκ.
34Hij deed wat recht was in de ogen van Jahweh, juist zoals zijn vader Ozias.
34Καὶ ἐποίησε τὸ εὐθὲς ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου, κατὰ πάντα ὅσα ἐποίησεν Ἀζαρίας ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
35Maar ook hij schafte de offerhoogten niet af, zodat het volk op de hoogten bleef offeren en wierook branden. Hij heeft de Bovenpoort van de tempel van Jahweh gebouwd.
35Πλὴν τὰ ὑψηλὰ οὐκ ἐξῇρεν, ἔτι ὁ λαὸς ἐθυσίαζε καὶ ἐθυμία ἐν τοῖς ὑψηλοῖς· αὐτὸς ᾠκοδόμησε τὴν πύλην οἴκου Κυρίου τὴν ἐπάνω.
36De verdere geschiedenis van Jotam, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
36Καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἰωάθαμ καὶ πάντα ὅσα ἐποίησεν, οὐχὶ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
37In die tijd begon Jahweh Resin, den koning van Aram, en Pékach, den zoon van Remaljáhoe, op Juda los te laten.
37Ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις ἤρξατο Κύριος ἐξαποστέλλειν ἐν Ἰούδᾳ τὸν Ῥαασσὼν βασιλέα Συρίας, καὶ τὸν Φακεὲ υἱὸν Ῥομελίου.
38Jotam ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de stad van zijn vader David begraven. Zijn zoon Achaz volgde hem op.
38Καὶ ἐκοιμήθη Ἰωάθαμ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ, καὶ ἐτάφη μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυὶδ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ· καὶ ἐβασίλευσεν Ἄχαζ υἱὸς αὐτοῦ ἀντʼ αὐτοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.