1 Samuel 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Toen David het gesprek met Saul geëindigd had, Ook Jonatan voelde zich tot David aangetrokken, en hield van hem als van zichzelf.
no verse 1 in this text
2nam Saul hem nog die eigen dag in zijn dienst, en liet hem niet meer naar zijn ouderlijk huis teruggaan.
no verse 2 in this text
3En omdat Jonatan evenveel van David hield als van zich zelf, sloot hij vriendschap met hem.
no verse 3 in this text
4Hij trok de mantel uit, die hij droeg, en gaf die aan David, met zijn wapenrusting en zwaard, met zijn boog en zijn gordel.
no verse 4 in this text
5Als David iets ondernam, dan slaagde hij, wat Saul hem ook opdroeg. Daarom stelde Saul hem aan het hoofd van de soldaten, en werd hij bemind door heel het volk, zelfs door de dienaren van Saul.
no verse 5 in this text
6Maar toen David eens van een overwinning op de Filistijnen terugkeerde, en zij hun intocht hielden, trokken uit alle steden van Israël de vrouwen met liederen en reidansen, met feestelijke tamboerijnen en handpauken koning Saul tegemoet.
6Καὶ ἐξῆλθον αἱ χορεύουσαι εἰς συνάντησιν Δαυὶδ ἐκ πασῶν πόλεων Ἰσραὴλ ἐν τυμπάνοις, καὶ ἐν χαρμοσύνῃ, καὶ ἐν κυμβάλοις.
7En de dansende vrouwen hieven een beurtzang aan en zeiden: Saul sloeg ze bij duizenden neer, Maar David bij tienduizenden!
7Καὶ ἐξῆρχον αἱ γυναῖκες, καὶ ἔλεγον, ἐπάταξε Σαοὺλ ἐν χιλιάσιν αὐτοῦ, καὶ Δαυὶδ ἐν μυριάσιν αὐτοῦ.
8Saul werd daarover zeer verstoord. Dat gezang beviel hem niet, en hij sprak: De tienduizenden kennen ze aan David toe, aan mij slechts de duizenden; het ontbreekt er nog maar aan, dat ze hem koning noemen!
8Καὶ πονηρὸν ἐφάνη τὸ ῥῆμα ἐν ὀφθαλμοῖς Σαοὺλ περὶ τοῦ λόγου τούτου, καὶ εἶπε, τῷ Δαυὶδ ἔδωκαν τὰς μυριάδας, καὶ ἐμοὶ ἔδωκαν τὰς χιλιάδας.
9En van die dag af was Saul jaloers op David.
no verse 9 in this text
10Nu gebeurde het reeds de volgende dag, dat Saul door een boze geest van God overvallen werd, zodat hij in huis als een razende rondliep. Daarom begon David zoals gewoonlijk te spelen. Maar Saul, die zijn lans in zijn hand had,
no verse 10 in this text
11hief deze omhoog en riep: Ik zou David wel aan de wand willen priemen! Doch David ontweek hem tot tweemaal toe.
no verse 11 in this text
12Maar nu begon Saul beducht voor David te worden; Jahweh stond David bij, terwijl Hij van Saul geweken was.
12Καὶ ἐφοβήθη Σαοὺλ ἀπὸ προσώπου Δαυὶδ,
13Daarom verwijderde hij hem uit zijn omgeving, en benoemde hem tot hoofdman van duizend, zodat hij aan de spits van het volk in- en uittrok.
13καὶ ἀπέστησεν αὐτὸν ἀπʼ αὐτοῦ, καὶ κατέστησεν αὐτὸν ἑαυτῷ χιλίαρχον· καὶ ἐξεπορεύετο καὶ εἰσεπορεύετο ἔμπροσθεν τοῦ λαοῦ.
14En David was voorspoedig in alles wat hij ondernam, daar Jahweh met hem was.
14Καὶ ἦν Δαυὶδ ἐν πάσαις ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ συνιῶν, καὶ Κύριος ἦν μετʼ αὐτοῦ.
15Saul zag, dat hij zeer voorspoedig was, en vreesde hem nu.
15Καὶ εἶδε Σαοὺλ ὡς αὐτὸς συνιεῖ σφόδρα, καὶ εὐλαβεῖτο ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ.
16Maar bij heel Israël en Juda was David bemind, omdat hij aan hun spits in- en uittrok.
16Καὶ πᾶς Ἰσραὴλ καὶ Ἰούδας ἠγάπα τὸν Δαυὶδ, ὅτι αὐτὸς εἰσεπορεύετο καὶ ἐξεπορεύετο πρὸ προσώπου τοῦ λαοῦ.
17Eens sprak Saul tot David: Ge kent mijn oudste dochter Merab; haar zal ik u tot vrouw geven, op voorwaarde, dat ge u dapper gedraagt, en de oorlogen van Jahweh voert. Want Saul dacht: Niet ik, maar de Filistijnen moeten de hand aan hem slaan!
no verse 17 in this text
18Doch David sprak tot Saul: Wie ben ik, en wat betekent in Israël het geslacht van mijn vader, dat ik de schoonzoon van den koning zou worden?
no verse 18 in this text
19Toen dan ook de tijd daar was, dat Merab, de dochter van Saul, aan David gegeven zou worden, werd zij aan Adriël, den Mecholatiet, uitgehuwelijkt.
no verse 19 in this text
20Maar Mikal, een dochter van Saul, hield van David. Toen dit aan Saul bekend werd, stond het hem wel aan.
20Καὶ ἠγάπησε Μελχὸλ ἡ θυγάτηρ Σαοὺλ τὸν Δαυίδ· καὶ ἀπηγγέλη τῷ Σαοὺλ, καὶ ηὐθύνθη ἐν τοῖς ὀφθαλμοῖς αὐτοῦ.
21Want Saul dacht: Ik zal ze hem geven; maar ze moet voor hem een valstrik zijn, en de Filistijnen moeten de hand aan hem slaan. Dus sprak Saul voor de tweede maal tot David: Nu kunt ge mijn schoonzoon worden.
21Καὶ εἶπε Σαοὺλ, δώσω αὐτὴν αὐτῷ, καὶ ἔσται αὐτῷ εἰς σκάνδαλον· καὶ ἦν ἐπὶ Σαοὺλ χεὶρ ἀλλοφύλων.
22En aan zijn dienaren gaf Saul de opdracht: Zeg eens in vertrouwen tot David: “Zie, de koning is op u gesteld en al zijn dienaren mogen u graag; ge moet dus maar de schoonzoon van den koning worden.”
22Καὶ ἐνετείλατο Σαοὺλ τοῖς παισὶν αὐτοῦ, λέγων, λαλήσατε ὑμεῖς λάθρα τῷ Δαυὶδ, λέγοντες, ἰδοὺ θέλει ἐν σοὶ ὁ βασιλεὺς, καὶ πάντες οἱ παῖδες αὐτοῦ ἀγαπῶσί σε, καὶ σὺ ἐπιγάμβρευσον τῷ βασιλεῖ.
23Maar toen de dienaren van Saul hem in vertrouwen dat voorstel deden, sprak David: Denkt ge, dat het zo gemakkelijk is, om schoonzoon van den koning te worden? Ik ben toch maar een arm en onbeduidend man!
23Καὶ ἐλάλησαν οἱ παῖδες Σαοὺλ εἰς τὰ ὦτα Δαυὶδ τὰ ῥήματα ταῦτα· καὶ εἶπε Δαυὶδ, εἰ κούφον ἐν ὀφθαλμοῖς ὑμῶν ἐπιγαμβρεῦσαι βασιλεῖ; κᾀγὼ ἀνὴρ ταπεινὸς, καὶ οὐχὶ ἔνδοξος.
24Toen de dienaren van Saul hem meldden, wat David had geantwoord,
24Καὶ ἀπήγγειλαν οἱ παῖδες Σαοὺλ αὐτῷ κατὰ τὰ ῥήματα ταῦτα, ἃ ἐλάλησε Δαυίδ.
25beval Saul hen, tegen David te zeggen: De koning verlangt geen huwelijksgift, alleen maar honderd voorhuiden van Filistijnen, om zich op s konings vijanden te wreken. Want Saul rekende er op, dat hij David zo in handen van de Filistijnen zou spelen.
25Καὶ εἶπε Σαοὺλ, τάδε ἐρεῖτε τῷ Δαυὶδ, οὐ βούλεται ὁ βασιλεὺς ἐν δόματι ἀλλʼ ἢ ἐν ἑκατὸν ἀκροβυστίαις ἀλλοφύλων ἐκδικῆσαι ἐχθροὺς τοῦ βασιλέως· καὶ Σαοὺλ ἐλογίσατο ἐμβαλεῖν αὐτὸν εἰς χεῖρας τῶν ἀλλοφύλων.
26Zijn dienaren deelden aan David dit voorstel mee. En daar het David wel aanstond, om de schoonzoon van den koning te worden,
26Καὶ ἀπαγγέλλουσιν οἱ παῖδες Σαοὺλ τῷ Δαυὶδ τὰ ῥήματα ταῦτα, καὶ ηὐθύνθη ὁ λόγος ἐν ὀφθαλμοῖς Δαυὶδ ἐπιγαμβρεῦσαι τῷ βασιλεῖ.
27trok hij nog binnen de voorgestelde termijn er met zijn mannen op uit, versloeg tweehonderd man van de Filistijnen, bracht hun voorhuiden mee, en gaf den koning het volle getal, om ‘s konings schoonzoon te worden. Daarop gaf Saul hem zijn dochter Mikal tot vrouw.
27Καὶ ἀνέστη Δαυὶδ, καὶ ἐπορεύθη αὐτὸς καὶ οἱ ἄνδρες αὐτοῦ, καὶ ἐπάταξεν ἐν τοῖς ἀλλοφύλοις ἑκατὸν ἄνδρας· καὶ ἀνήνεγκε τὰς ἀκροβυστίας αὐτῶν, καὶ ἐπιγαμβρεύεται τῷ βασιλεῖ, καὶ δίδωσιν αὐτῷ τὴν Μελχὸλ θυγατέρα αὐτοῦ αὐτῷ εἰς γυναῖκα.
28Zo bemerkte Saul duidelijk, dat Jahweh met David was, en dat heel Israël hem liefhad.
28Καὶ εἶδε Σαοὺλ ὅτι Κύριος μετὰ Δαυὶδ, καὶ πᾶς Ἰσραὴλ ἠγάπα αὐτόν.
29Daarom werd Saul nog meer beducht voor David en bleef hij heel zijn leven lang David vijandig gezind.
29Καὶ προσέθετο εὐλαβεῖσθαι ἀπὸ Δαυὶδ ἔτι.
30Want als de Filistijnse vorsten uitrukten, was David telkens voorspoediger dan de dienaren van Saul, en werd zijn naam hoe langer hoe meer beroemd.
no verse 30 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.