ΕΚΚΛΗΣΙΑΣΤΗΣ 9
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ὡς οἱ δίκαιοι καὶ οἱ σοφοὶ καὶ αἱ ἐργασίαι αὐτῶν ἐν χειρὶ τοῦ Θεοῦ, καί γε ἀγάπην καί γε μῖσος οὐκ ἔστιν εἰδὼς ὁ ἄνθρωπος· τὰ πάντα πρὸ προσώπου αὐτῶν.
1Dit alles heb ik wèl overwogen, Dit alles doorvorst: Dat wijzen en dwazen met al hun werk In de hand zijn van God. Geen mens weet, of hem liefde wacht of haat; Alles wat voor hem ligt, is ijdel.
2Ματαιότης ἐν τοῖς πᾶσι· συνάντημα ἓν τῷ δικαίῳ καὶ τῷ ἀσεβεῖ, τῷ ἀγαθῷ καὶ τῷ κακῷ, καὶ τῷ καθαρῷ καὶ τῷ ἀκαθάρτῳ, καὶ τῷ θυσιάζοντι καὶ τῷ μὴ θυσιάζοντι· ὡς ὁ ἀγαθὸς ὡς ὁ ἁμαρτάνων, ὡς ὁ ὀμνύων καθὼς ὁ τὸν ὅρκον φοβούμενος.
2Ja, allen treft hetzelfde lot: Rechtvaardige of zondaar, goede of kwade; Rein en onrein, of men offers brengt of niet; Braaf en slecht, of men zweert of de eed vermijdt.
3Τοῦτο πονηρὸν ἐν παντὶ πεποιημένῳ ὑπὸ τὸν ἥλιον, ὅτι συνάντημα ἓν τοῖς πᾶσι· καί γε καρδια υἱῶν τοῦ ἀνθρώπου ἐπληρώθη πονηροῦ, καὶ περιφέρεια ἐν καρδίᾳ αὐτῶν ἐν ζωῇ αὐτῶν, καὶ ὀπίσω αὐτῶν πρὸς τοὺς νεκρούς.
3Dit is juist de ramp bij al wat er onder de zon geschiedt, Dat hetzelfde lot hen allen treft. Daarom is het hart der mensen vol slechtheid, En hun gemoed lichtzinnig, zolang zij leven; Dan volgt de dood.
4Ὅτι τίς ὃς κοινωνεῖ πρὸς πάντας τοὺς ζῶντας; ἔστιν ἐλπὶς, ὅτι ὁ κύων ὁ ζῶν αὐτὸς ἀγαθὸς ὑπὲρ τὸν λέοντα τὸν νεκρόν·
4Toch is er hoop, zolang men tot de levenden hoort; Daarom beter een levende hond dan een dode leeuw.
5Ὅτι οἱ ζῶντες γνώσονται ὅτι ἀποθανοῦνται, καὶ οἱ νεκροὶ οὐκ εἰσὶ γινώσκοντες οὐδέν· καὶ οὐκ ἔστιν αὐτοῖς ἔτι μισθὸς, ὅτι ἐπελήσθη ἡ μνήμη αὐτῶν.
5De levenden weten tenminste nog, dat zij eens zullen sterven, Maar de doden weten helemaal niets. Voor hen bestaat er geen loon, Want hun aandenken wordt vergeten;
6Καί γε ἀγάπη αὐτῶν, καί γε μῖσος αὐτῶν, καί γε ζῆλος αὐτῶν ἤδη ἀπώλετο· καί γε μερὶς οὐκ ἔστιν αὐτοῖς ἔτι εἰς τὸν αἰῶνα ἐν παντὶ τῷ πεποιημένῳ ὑπὸ τὸν ἥλιον.
6Ook hun liefde, haat en afgunst zijn reeds lang voorbij. Zij hebben voor eeuwig geen deel meer Aan al wat er onder de zon geschiedt.
7Δεῦρο φάγε ἐν εὐφροσύνῃ τὸν ἄρτον σου, καὶ πίε ἐν καρδίᾳ ἀγαθῇ οἶνόν σου, ὅτι ἤδη εὐδόκησεν ὁ Θεὸς τὰ ποιήματά σου.
7Welaan dan, eet uw brood in vreugde, Drink met opgeruimd hart uw wijn, Wanneer God in uw werk behagen vindt.
8Ἐν παντὶ καιρῷ ἔστωσαν ἱμάτιά σου λευκὰ, καὶ ἔλαιον ἐπὶ κεφαλῆς σου μὴ ὑστερησάτω.
8Laat uw klederen altijd wit zijn, En de balsem nooit op uw hoofd ontbreken;
9Καὶ ἴδε ζωὴν μετὰ γυναικὸς ἧς ἠγάπησας πάσας τὰς ἡμέρας ζωῆς ματαιότητός σου, τὰς δοθείσας σοι ὑπὸ τὸν ἥλιον, ὅτι αὐτὸ μερίς σου ἐν τῇ ζωῇ σου, καὶ ἐν τῷ μόχθῳ σου ᾧ σὺ μοχθεῖς ὑπὸ τὸν ἥλιον.
9Geniet van het leven met de vrouw, die gij liefhebt, Al de dagen van uw ijdel bestaan, die Hij u geeft onder de zon. Want dat komt u toe van het leven Voor de moeite, die gij u getroost onder de zon.
10Πάντα ὅσα ἂν εὕρῃ ἡ χείρ σου τοῦ ποιῆσαι, ὡς ἡ δύναμίς σου ποίησον, ὅτι οὐκ ἔστι ποίημα καὶ λογισμὸς καὶ γνῶσις καὶ σοφία ἐν ᾅδῃ, ὅπου σὺ πορεύῃ ἐκεῖ.
10Doe al wat uw hand in staat is te doen; Want geen werken of peinzen, Geen kennis of wijsheid is er meer In de onderwereld, waarheen ge gaat. Zevende reeks. Ijdel is het talent.
11Ἐπέστρεψα καὶ εἶδον ὑπὸ τὸν ἥλιον, ὅτι οὐ τοῖς κούφοις ὁ δρόμος, καὶ οὐ τοῖς δυνατοῖς ὁ πόλεμος, καί γε οὐ τῷ σοφῷ ἄρτος, καί γε οὐ τοῖς συνετοῖς πλοῦτος, καί γε οὐ τοῖς γινώσκουσι χάρις, ὅτι καιρὸς καὶ ἀπάντημα συνατήσεται σύμπασιν αὐτοῖς.
11Ook dit nog zag ik onder de zon: Evenmin als de wedloop gewonnen wordt door de vlugsten, Of de oorlog door de sterksten, Evenmin ontvangen de wijzen hun brood, De geleerden rijkdom, Of vinden de schranderen gunst. Want alles hangt af van tijd en toeval;
12Ὅτι καί γε καὶ οὐκ ἔγνω ὁ ἄνθρωπος τὸν καιρὸν αὐτοῦ, ὡς οἱ ἰχθύες οἱ θηρευόμενοι ἐν ἀμφιβλήστρῳ κακῷ, καὶ ὡς ὄρνεα τὰ θηρευόμενα ἐν παγίδι· ὡς αὐτὰ παγιδεύονται οἱ υἱοὶ τοῦ ἀνθρώπου εἰς καιρὸν πονηρὸν, ὅταν ἐπιπέσῃ ἐπʼ αὐτοὺς ἄφνω.
12De mens weet zelfs niet wanneer. Zoals de vis wordt gevangen in de noodlottige fuik, En de vogel gestrikt met het net, Zo wordt de mens door het ongeluk getroffen, Als het onverhoeds hem overvalt.
13Καί γε τοῦτο εἶδον σοφίαν ὑπὸ τὸν ἥλιον, καὶ μεγάλη ἐστι πρὸς μέ·
13Ook dit nog zag ik van de wijsheid onder de zon, En het drukte me zwaar:
14Πόλις μικρὰ καὶ ἄνδρες ἐν αὐτῇ ὀλίγοι, καὶ ἔλθῃ ἐπʼ αὐτὴν βασιλεὺς μέγας καὶ κυκλώσῃ αὐτὴν, καὶ οἰκοδομήσῃ ἐπʼ αὐτὴν χάρακας μεγάλους·
14Er was eens een kleine stad met slechts weinig mannen; Een machtig koning rukte tegen haar op, Sloot ze in, en richtte grote verschansingen op.
15καὶ εὕρῃ ἐν αὐτῇ ἄνδρα πένητα σοφὸν, καὶ διασώσῃ αὐτὸς τὴν πόλιν ἐν τῇ σοφίᾳ αὐτοῦ, καὶ ἄνθρωπος οὐκ ἐμνήσθη σὺν τοῦ ἀνδρὸς τοῦ πένητος ἐκείνου.
15Maar er was daar een arme, schrandere man, En deze redde de stad door zijn wijsheid. Toch denkt er geen mens meer aan dien arme.
16Καὶ εἶπα ἐγὼ, ἀγαθὴ σοφία ὑπὲρ δύναμιν· καὶ σοφία τοῦ πένητος ἐξουδενωμένη, καὶ οἱ λόγοι αὐτοῦ οὐκ εἰσακουόμενοι.
16Toen dacht ik: Ofschoon wijsheid meer waard is dan kracht, Wordt toch de wijsheid van een arme versmaad, En naar zijn woorden wordt niet geluisterd.
17Λόγοι σοφῶν ἐν ἀναπαύσει ἀκούονται ὑπὲρ κραυγὴν ἐξουσιάζόντων ἐν ἀφροσύναις.
17Woorden van wijzen, met kalmte aanhoord, Zijn beter dan geschreeuw van een veldheer tot dwazen.
18Ἀγαθὴ σοφία ὑπὲρ σκεύη πολέμου· καὶ ἁμαρτάνων εἷς ἀπολέσει ἀγαθωσύνην πολλήν.
18Wijsheid is meer waard dan wapentuig; Want een enkele domheid bederft veel goeds.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.