ⲦⲒⳘⲞⲐⲈⲞⲤ Ⲁ ̅ 5
Coptic New Testament (Bohairic)Translation
Coptic New Testament (Bohairic)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ⲞⲨϦⲈⲖⲖⲞ ⲘⲠⲈⲢϮⲦⲈⲚϢⲒ ⲚⲀϤ ⲀⲖⲖⲀ ⲘⲀⲚⲞⲘϮ ⲚⲀϤ ⲘⲪⲢⲎϮ ⲚⲞⲨⲒⲰⲦ ⲚⲒⲀⲖⲰⲞⲨⲒ ⲘⲪⲢⲎϮ ⲚϨⲀⲚⲤⲚⲎⲞⲨ.
1Ge moet niet hard optreden tegen een bejaard man, maar hem vermanen als een vader; jongelieden als broeders,
2ⲚⲒϦⲈⲖⲖⲰ ⲘⲪⲢⲎϮ ⲚϨⲀⲚⲘⲀⲨ ⲚⲒⲀⲖⲰⲞⲨⲒ ⲆⲈ ⲚϨⲒⲞⲘⲒ ⲘⲪⲢⲎϮ ⲚϨⲀⲚⲤⲰⲚⲒ ⲚϦⲢⲎⲒ ϦⲈⲚⲦⲞⲨⲂⲞ ⲚⲒⲂⲈⲚ.
2bejaarde vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters in alle eerbaarheid.
3ⲚⲒⲬⲎⲢⲀ ⲘⲀⲦⲀⲒⲰⲞⲨ ⲚⲎ ⲈⲦⲈ ⲞⲚⲦⲰⲤ ϨⲀⲚⲬⲎⲢⲀ ⲚⲈ.
3De weduwen moet ge eren, zo ze inderdaad als weduwen alleen staan.
4ⲒⲤϪⲈ ⲆⲈ ⲞⲨⲞⲚ ⲞⲨⲬⲎⲢⲀ ⲈⲞⲨⲞⲚⲦⲀⲤ ⲚϨⲀⲚϢⲎ ⲢⲒ ⲒⲈ ϨⲀⲚϢⲎⲢⲒ ⲚϢⲎⲢⲒ ⲘⲀⲢⲞⲨⲤⲀⲂⲞ ⲚϢⲞⲢⲠ ⲈⲨⲘⲈⲦⲈⲨⲤⲈⲂⲎⲤ ϦⲈⲚⲠⲞⲨⲎⲒ ⲘⲘⲒⲚ ⲘⲘⲰⲞⲨ ⲞⲨⲞϨ ⲚⲤⲈϮⲦⲀⲒⲞ ⲚⲚⲞⲨϢⲞⲢⲠ ⲚⲒⲞϮ ⲪⲀⲒ ⲄⲀⲢ ⲈⲐⲚⲀⲚⲈϤ ⲞⲨⲞϨ ⲈⲦϢⲎⲠ ⲘⲠⲈⲘⲐⲞ ⲘⲪⲚⲞⲨϮ.
4Want zo een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, dan moeten die vóór alles leren, hun eigen familie in ere te houden, en hun ouders het goede te vergelden; want dit is aangenaam aan God.
5ⲐⲎ ⲈⲦⲈ ⲞⲚⲦⲰⲤ ⲞⲨⲬⲎⲢⲀ ⲦⲈ ⲈⲤⲤⲞϪⲠ ⲘⲘⲀⲨⲀⲦⲤ ⲀⲤⲈⲢϨⲈⲖⲠⲒⲤ ⲈⲪⲚⲞⲨϮ ⲈⲤⲘⲎⲚ ⲈⲚⲒⲠⲢⲞⲤⲈⲨⲬⲎ ⲚⲈⲘ ⲚⲒⲦⲰⲂϨ ⲚϪⲰⲢϨ ⲚⲈⲘ ⲘⲈⲢⲒ.
5Wie werkelijk weduwe is en helemaal alleen staat, moet haar hoop op God gevestigd houden, en volharden in bidden en smeken, nacht en dag;
6ⲐⲎ ⲆⲈ ⲈⲦϪⲈⲢϪⲈⲢ ⲀⲤⲘⲞⲨ ⲈⲤⲞⲚϦ.
6als ze een dartel leven leidt, is ze levend dood.
7ϨⲞⲚϨⲈⲚ ⲚⲚⲀⲒⲔⲈⲬⲰⲞⲨⲚⲒ ϨⲒⲚⲀ ⲚⲤⲈϢⲰⲠⲒ ⲈⲨⲞⲒ ⲚⲀⲦⲖⲰⲒϪⲒ
7Ook dit moet ge inscherpen, opdat ze zich onberispelijk gedragen.
8ⲒⲤϪⲈ ⲆⲈ ⲞⲨⲞⲚ ⲞⲨⲀⲒ ⲚϤⲒⲪⲢⲰⲞⲨϢ ⲀⲚ ⲘⲀⲖⲒⲤⲦⲀ ⲚⲀ ⲠⲈϤⲎⲒ ⲘⲘⲒⲚ ⲘⲘⲞϤ ⲀϤϪⲈⲖ ⲪⲚⲀϨϮ ⲞⲨⲞϨ ϤϨⲰⲞⲨ ⲈⲞⲨⲀⲐⲚⲀϨϮ.
8En zo er een is, die zich niet om haar familie en heel in het bijzonder zich niet om haar huisgenoten bekommert, dan verloochent ze het geloof, en is erger dan een ongelovige.
9ⲞⲨⲬⲎⲢⲀ ⲘⲀⲢⲞⲨⲘⲞⲨϮ ⲈⲢⲞⲤ ⲚⲤⲀⲠⲈⲤⲎⲦ ⲚⲜ ⲚⲢⲞⲘⲠⲒ ⲀⲚ ⲈⲀⲤⲈⲢⲤϨⲒⲘⲒ ⲚⲞⲨϨⲀⲒ ⲚⲞⲨⲰⲦ.
9Als weduwe mag op de lijst worden geplaatst, die niet beneden de zestig jaren is, en slechts éénmaal gehuwd is geweest.
10ⲈⲨⲈⲢⲘⲈⲐⲢⲈ ϦⲀⲢⲞⲤ ϦⲈⲚϨⲀⲚϨⲂⲎⲞⲨⲒ ⲈⲚⲀⲚⲈⲨ ϪⲈ ⲀⲚ ⲀⲤϢⲀⲚⲈϢ ϢⲎⲢⲒ ⲒⲈ ⲀⲤϢⲈⲠ ϢⲈⲘⲘⲞ ⲈⲢⲞⲤ ⲒⲈ ⲀⲤⲒⲀ ⲢⲀⲦⲞⲨ ⲚⲚⲎ ⲈⲐⲞⲨⲀⲂ ⲈⲂⲞⲖ ⲒⲈ ⲀⲤϢⲰⲠⲒ ϦⲀϪⲰⲞⲨ ⲚⲚⲎ ⲈⲦϨⲈϪϨⲰϪ ⲒⲈ ⲀⲚ ⲀⲤⲘⲞϢⲒ ⲚⲤⲀϨⲰⲂ ⲚⲒⲂⲈⲚ ⲈⲐⲚⲀⲚⲈⲨ.
10Ze moet gunstig bekend staan om haar goede werken: dat ze namelijk haar kinderen heeft opgevoed, gastvrijheid beoefend, de voeten der heiligen gewassen, de noodlijdenden ondersteund, en zich aan allerlei goede werken heeft toegewijd.
11ⲚⲒⲀⲖⲰⲞⲨⲒ ⲆⲈ ⲚⲬⲎⲢⲀ ϨⲈⲚⲔ ⲈⲂⲞⲖ ⲘⲘⲰⲞⲨ ϨⲞⲦⲀⲚ ⲄⲀⲢ ⲀⲨϢⲀⲚϪⲈⲢϪⲈⲢ ⲚⲤⲀⲠⲬⲢⲒⲤⲦⲞⲤ ϢⲀⲨⲞⲨⲰϢ ⲈϬⲒϨⲀⲒ.
11Maar jonge weduwen moet ge afwijzen. Want wanneer oplaaiende zinnelijkheid haar van Christus vervreemdt, willen ze trouwen;
12ⲈⲞⲨⲞⲚⲦⲰⲞⲨ ⲘⲘⲀⲨ ⲚⲞⲨϨⲀⲠ ϪⲈ ⲠⲒⲚⲀϨϮ ⲚⲦⲈϢⲞⲢⲠ ⲀⲨϪⲞⲖϤ ⲈⲂⲞⲖ.
12en ze lopen een veroordeling in, omdat ze de vroegere gelofte hebben verbroken.
13ⲀⲘⲀ ⲆⲈ ϢⲀⲨⲈⲢⲠⲔⲈⲤⲀⲂⲞ ⲈⲈⲢⲀⲢⲄⲞⲤ ⲈⲨⲔⲰϮ ⲈⲂⲞⲖ ϦⲈⲚⲚⲒⲎⲒ ⲞⲨ ⲘⲞⲚⲞⲚ ⲆⲈ ⲀⲢⲄⲞⲤ ⲀⲖⲖⲀ ⲚⲈⲘ ⲠⲖⲒⲀⲢⲞⲤ ⲚⲈⲘ ⲠⲈⲢⲒⲈⲢⲄⲞⲤ ⲈⲨⲤⲀϪⲒ ⲚⲚⲎ ⲈⲦⲤⲈⲘⲠϢⲀ ⲀⲚ.
13Tegelijkertijd leren ze dan leeglopers worden door het houden van huisbezoek; en niet alleen leeglopers, maar ook babbelaars, bemoeiallen, beuzelend over al wat niet past.
14ϮⲞⲨⲰϢ ⲞⲨⲚ ⲚⲦⲈⲚⲒⲀⲖⲰⲞⲨⲒ ⲚϨⲒⲞⲘⲒ ϬⲒϨⲀⲒ ⲚⲤⲈϪⲪⲈ ϢⲎⲢⲒ ⲚⲤⲈⲈⲢⲚⲎⲂ ⲈⲠⲞⲨⲎⲒ ⲈϢⲦⲈⲘϮ ϨⲖⲒ ⲚⲖⲰⲒϪⲒ ⲘⲠⲒⲀⲚⲦⲒⲔⲒⲘⲈⲚⲞⲤ ⲈⲐⲂⲈ ⲞⲨϨⲰⲞⲨϢ.
14Ik verlang dus, dat jongere weduwen trouwen, kinderen ter wereld brengen, haar huishouding besturen, en dat ze den tegenstander geen enkele aanleiding geven tot lasteren.
15ϨⲎⲆⲎ ⲄⲀⲢ ⲀϨⲀⲚⲞⲨⲞⲚ ⲢⲀⲔⲞⲨ ⲤⲀⲂⲞⲖ ⲘⲠⲤⲀⲦⲀⲚⲀⲤ.
15Feitelijk zijn enkelen reeds achter Satan verloren gelopen.
16ⲈϢⲰⲠ ⲈⲞⲨⲞⲚ ⲞⲨⲠⲒⲤⲦⲎ ⲈⲞⲨⲞⲚⲦⲀⲤ ⲚϨⲀⲚⲬⲎ ⲢⲀ ⲘⲀⲢⲈⲤⲢⲰⲞⲨϢ ⲈⲢⲰⲞⲨ ⲞⲨⲞϨ ⲘⲠⲈⲚⲐⲢⲞⲨⲞⲨⲀϨⲂⲀⲢⲞⲤ ⲈϮⲈⲔⲔⲖⲎⲤⲒⲀ ϨⲒⲚⲀ ⲚⲦⲈⲤⲢⲰϢⲒ ⲈⲚⲎ ⲈⲦⲈ ⲞⲚⲦⲰⲤ ϨⲀⲚⲬⲎⲢⲀ ⲚⲈ.
16Wanneer een gelovige vrouw onder haar verwanten weduwen telt, dan moet zij ze bijstaan; men moet de gemeente er niet mee belasten, opdat deze de eigenlijke weduwen kan helpen.
17ⲚⲒⲠⲢⲈⲤⲂⲨⲦⲈⲢⲞⲤ ⲈⲦⲞⲒ ⲘⲠⲢⲞⲈⲤⲦⲰⲤ ⲚⲔⲀⲖⲰⲤ ⲘⲀⲢⲞⲨⲈⲘⲠϢⲀ ⲚⲞⲨⲦⲀⲒⲞ ⲈϤⲔⲎⲂ ⲘⲀⲖⲒⲤⲦⲀ ⲚⲎ ⲈⲦϦⲞⲤⲒ ϦⲈⲚⲠⲤⲀϪⲒ ⲚⲈⲘ ϮⲤⲂⲰ.
17De priesters, die op waardige wijze aan het hoofd staan, moeten dubbele eer worden waardig geacht; vooral als ze zich inspannen door prediking en onderricht.
18ⲤϪⲰ ⲄⲀⲢ ⲘⲘⲞⲤ ⲚϪⲈϮⲄⲢⲀⲪⲎ ϪⲈ ⲚⲚⲈⲔϮⲤⲀⲬⲞⲖ ⲈϨⲢⲈⲚ ⲈϨⲈ ⲈϤϨⲒ ⲞⲨⲞϨ ⲠⲒⲈⲢⲄⲀⲦⲎ ⲤϤⲈⲘⲠϢⲀ ⲘⲠⲈϤⲂⲈⲬⲈ.
18De Schrift immers zegt: “Een dorsenden os zult ge niet muilbanden,” en “de werkman is zijn loon waard.”
19ⲚⲚⲈⲔϬⲒ ⲚⲞⲨⲔⲀⲦⲎⲄⲞⲢⲒⲀ ϦⲀ ⲞⲨⲠⲢⲈⲤⲂⲨⲦⲈⲢⲞⲤ ⲤⲀⲂⲞⲖ ⲘⲘⲈⲐⲢⲈ ⲂⲒⲈ Ⲅ-
19Tegen een priester moogt ge geen aanklacht aanvaarden, dan onder twee of drie getuigen.
20ⲚⲎ ⲈⲦⲈⲢⲚⲞⲂⲒ ⲤⲀϨⲰⲞⲨ ⲘⲠⲈⲘⲐⲞ ⲚⲞⲨⲞⲚ ⲚⲒⲂⲈⲚ ϨⲒⲚⲀ ⲠⲔⲈⲤⲈⲠⲒ ⲚⲦⲈⲞⲨϨⲞϮ ϢⲰⲠⲒ ⲚⲰⲞⲨ.
20Hebben ze gezondigd, straf ze dan in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de overigen worden afgeschrikt.
21ϮⲈⲢⲘⲈⲐⲢⲈ ⲘⲠⲈⲘⲐⲞ ⲘⲪⲚⲞⲨϮ ⲚⲈⲘ ⲠⲬⲢⲒⲤⲦⲞⲤ ⲒⲎⲤⲞⲨⲤ ⲚⲈⲘ ⲚⲈϤⲤⲰⲦⲠ ⲚⲀⲄⲄⲈⲖⲞⲤ ϨⲒⲚⲀ ⲚⲦⲈⲔⲀⲢⲈϨ ⲈⲚⲀⲒ ⲀϬⲚⲈ ⲐⲘⲀⲒⲈ ⲞⲨⲞⲚ ϦⲀϪⲈⲚ ⲠϨⲀⲠ ⲚⲔⲈⲢ ϨⲖⲒ ⲀⲚ ⲔⲀⲦⲀ ⲞⲨⲢⲒⲔⲒ.
21Ik bezweer u bij God en Christus Jesus en bij de uitverkoren Engelen, dat ge dergelijke zaken zonder vooroordeel behandelt, en niets uit partijdigheid doet.
22ⲘⲠⲈⲢⲬⲀ ϪⲒϪ ⲈϪⲈⲚ ϨⲖⲒ ⲚⲬⲰⲖⲈⲘ ⲞⲨⲆⲈ ⲘⲠⲈⲢⲈⲢϢⲪⲎⲢ ⲈϨⲀⲚⲚⲞⲂⲒ ⲚϢⲈⲘⲘⲞ ⲀⲢⲈϨ ⲈⲢⲞⲔ ⲈⲔⲦⲞⲨⲂⲎⲞⲨⲦ.
22Leg niemand overijld de handen op, en maak u niet schuldig aan vreemde zonden.
23ⲞⲨⲞϨ ⲘⲠⲈⲢⲤⲈ ⲘⲰⲞⲨ ϪⲈ ⲀⲖⲖⲀ ⲤⲈ ⲞⲨⲔⲞⲨϪⲒ ⲚⲎⲢⲠ ⲚⲀⲔ ⲈⲐⲂⲈ ⲦⲈⲔϢⲞϢⲠⲒ ⲚⲈⲘ ⲚⲈⲔϢⲰⲚⲒ ⲈⲦⲞϢ.
23Bewaar uw reinheid; drink niet langer water alleen, maar gebruik wat wijn voor uw maag en uw voortdurende ongesteldheid.
24ⲞⲨⲞⲚ ϨⲀⲚⲢⲰⲘⲒ ⲈⲢⲈ ⲚⲞⲨⲚⲞⲂⲒ ⲞⲨⲞⲚϨ ⲈⲂⲞⲖ ⲈⲨⲚⲀⲰⲤⲔ ϦⲀϪⲰⲞⲨ ⲈϮⲔⲢⲒⲤⲒⲤ ⲞⲨⲞⲚ ϨⲀⲚⲔⲈⲬⲰⲞⲨⲚⲒ ⲆⲈ ⲞⲚ ⲈⲢⲈ ⲚⲞⲨⲞⲨ ⲚⲀⲘⲞϢⲒ ⲚⲤⲰⲞⲨ.
24Van sommige mensen zijn de zonden reeds vóór de rechterlijke uitspraak bekend, van anderen eerst daarna.
25ⲠⲀⲒⲢⲎϮ ⲚⲒⲔⲈϨⲂⲎⲞⲨⲒ ⲈⲐⲚⲀⲚⲈⲨ ⲤⲈⲞⲨⲞⲚϨ ⲈⲂⲞⲖ ⲞⲨⲞϨ ⲚⲒⲔⲈⲬⲰⲞⲨⲚⲒ ⲈⲦⲞⲒ ⲚⲔⲈⲢⲎϮ ⲤⲈⲚⲀϢϨⲰⲠ ⲀⲚ.
25Op dezelfde wijze raken ook de goede werken bekend; in ieder geval, verborgen blijven kunnen ze niet.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.